Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7782

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2006
Datum publicatie
07-09-2006
Zaaknummer
AWB 05/3531 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure;

... de rechtbank (is) van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de toelage in vorm van extra toegekende periodieken met toepassing van het derde lid van artikel 8 BBRA stop te zetten, nu de reden voor het toekennen van deze toelage met de beëindiging van de detachering was komen te vervallen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 05/3531 AW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

UITSPRAAK IN HET GEDING TUSSEN

[A.], wonende te [B.], eiser,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser heeft bij brief van 25 mei 2005 beroep ingesteld tegen een besluit van 18 april 2005 waarbij verweerder zijn besluit van 13 december 2004 voor wat betreft de beëindiging van de toegekende toelage na bezwaar heeft gehandhaafd.

2. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 19 juni 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr [naam]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [naam].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

1.1. Eiser is sinds 1 januari 1997 werkzaam als afdelingshoofd bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, laatstelijk voor 34 uur in de week in een schaal 14 functie.

1.2. Met ingang van 12 februari 2001 is eiser voor de duur van 3 jaar gedetacheerd bij Stichting Intermin. Deze detachering strekte ertoe eiser in dusdanige zin te ontwikkelen, dat hij na afloop van de detacheringsperiode in staat zou zijn managementfuncties op het hoogste niveau te vervullen. Dit niveau moest worden bereikt door het succesvol afronden van meerdere opdrachten op zwaar niveau (tenminste schaal 15), binnen verschillende organisaties. In de detacheringsovereenkomst is opgenomen dat gedurende de detachering een parallel beloningstraject geldt. Dit beloningstraject hield in dat eisers salaris werd gehandhaafd op het niveau van schaal 14, doch met de mogelijkheid van toekenning van extra periodieken in schaal 15 tot het maximum van schaal 15 op het moment dat eiser werkzaamheden zou verrichten op het niveau van schaal 15 en voor zolang deze werkzaamheden zouden voortduren. In de detacheringsovereenkomst is verder opgenomen dat tijdens de duur van de detacheringsovereenkomst eisers rechtspositie, verbonden aan de ambtelijke aanstelling, van toepassing blijft. Daarnaast is in de overeenkomst opgenomen dat de gemiddelde arbeidsduur wordt gewijzigd van 34 in 36 uur.

1.3. Bij besluiten van 6 december 2001, 19 december 2002 en 7 augustus 2003 zijn eiser respectievelijk met ingang van 1 maart 2001, 1 maart 2002 en 1 maart 2003 extra periodieken toegekend.

1.4. Bij besluit van 13 december 2004 is eiser meegedeeld dat in verband met de beëindiging van zijn detacheringsovereenkomst per 1 augustus 2004 de toegekende toelage wordt beëindigd en de gemiddelde arbeidsduur wordt teruggebracht naar 34 uur.

1.5. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 december 2004 bezwaar gemaakt. Overeenkomstig het advies van de Adviescommissie Bezwaarschriftenprocedure OCW, heeft verweerder de wijziging van de arbeidsduur teruggedraaid en in die zin het primaire besluit herroepen, doch voor wat betreft de beëindiging van de toegekende toelage het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Blijkens de detacheringsovereenkomst en de onder 1.3. vermelde besluiten is de aan eiser toegekende toelage gebaseerd op artikel 8 van het Bezoldingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (hierna: BBRA).

2.1. In artikel 8, eerste lid, BBRA is bepaald dat het salaris van de ambtenaar, bedoeld in artikel 5, eerste lid, die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt, kan worden verhoogd, indien hij naar het oordeel van het bevoegd gezag uitstekend functioneert.

2.2. In het tweede lid, onder a, van evengenoemd artikel is bepaald dat bij een salarisverhoging als bedoeld in het eerste lid het salaris voor de ambtenaar voor wie één der salarisschalen 1 tot en met 17 van de bijlage B geldt, wordt vastgesteld op een bedrag vermeld in de naasthogere salarisschaal, met dien verstande dat het maximum van die schaal niet wordt overschreden

2.3. In artikel 8, derde lid, BBRA is bepaald dat, indien het functioneren van de ambtenaar niet langer als uitstekend kan worden gekwalificeerd, het bevoegd gezag de toekenning van de salarisverhoging, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk kan intrekken.

2.4. Ingevolge het vierde lid van artikel 8 BBRA komt het oordeel van het bevoegd gezag over het functioneren van de ambtenaar tot stand op basis van een gesprek als bedoeld in artikel 71 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voorzover het betreft de in het eerste lid van dat artikel onder a en b genoemde onderwerpen, dan wel op basis van een vastgestelde beoordeling als bedoeld in artikel 71a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder in alle redelijkheid de met toepassing van artikel 8 BBRA toegekende toelage heeft kunnen stopzetten.

3.1. Eiser is van mening dat deze vraag ontkennend beantwoord dient te worden. In dat kader voert eiser - kort samengevat - het volgende aan.

Eiser is primair van mening dat het nooit de bedoeling van partijen is geweest om de salariëring in schaal 15 van tijdelijke duur te laten zijn en dat hij er altijd op mocht vertrouwen dat deze bezoldiging permanent zou zijn. Eiser heeft gesteld dat hij destijds al heeft aangegeven in schaal 15 te willen worden ingeschaald. Verder is eiser van mening dat verweerder oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van artikel 8 BBRA.

Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat hij op basis van artikel 2, onder h, BBRA juncto artikel 5, tweede lid, BBRA per ingangsdatum van de detachering ingeschaald had moeten worden in schaal 15, nu de door hem verrichte werkzaamheden op het niveau van schaal 15 lagen.

Meer subsidiair heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij al meerdere jaren werkzaamheden op schaal 15 niveau heeft verricht en dienovereenkomstig is bezoldigd, hetgeen met zich brengt dat deze toelage permanent dient te worden toegekend. Eiser bestrijdt in dat kader dat hij bekend zou zijn geweest met het gegeven dat de hogere bezoldiging verband hield met het feit dat hij tijdelijk belast was met werkzaamheden behorende bij een hoger schaalniveau.

3.2. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.1 De rechtbank stelt voorop dat naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) - de rechtbank wijst op de uitspraak van de CRvB van 17 april 2003, TAR 2003, 123 - tijdens een detachering van een ambtenaar het dienstverband met het bestuursorgaan, dat de ambtenaar heeft aangesteld, blijft bestaan. Uit evengenoemde uitspraak van de CRvB blijkt verder dat de ambtenaar tijdens de detacheringsperiode de positie heeft van een ambtenaar die buitengewoon verlof geniet bij de uitlener. Bij de inlener verkrijgt de ambtenaar vervolgens een tijdelijke ambtelijke rechtsverhouding, welke rechtsverhouding wordt beheerst door de inhoud van de detacheringsovereenkomst.

4.2. Gelet op het voorgaande werd de rechtsverhouding tussen eiser en de inlener Stichting Intermin beheerst door de inhoud van de detacheringsovereenkomst die door eiser, verweerder en Stichting Intermin voorafgaande aan de detachering is getekend. Uit deze overeenkomst blijkt ondubbelzinnig dat eisers salaris op schaal 14 gehandhaafd blijft met dien verstande dat voor zover en zolang opdrachten op het niveau van schaal 15 worden verricht, door verweerder op voordracht van Stichting Intermin jaarlijks een extra periodiek op het niveau van schaal 15 aan eiser wordt toegekend tot het maximum van schaal 15 is bereikt. De rechtbank kan niet anders concluderen dan dat de detacheringsovereenkomst slechts de grondslag biedt voor een tijdelijke toelage in de vorm van extra periodieken in de naasthogere schaal voor de duur van de detachering. Een permanente inschaling in schaal 15, na beëindiging van de detachering te continueren door verweerder, is nadrukkelijk niet overeengekomen. Nu eiser de detacheringsovereenkomst heeft getekend en daartegen geen rechtsmiddelen tegen heeft aangewend, gaat de rechtbank er vanuit dat eiser op de hoogte was van de tijdelijkheid van de toelage en daarmee heeft ingestemd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij er op mocht vertrouwen dat hij op het niveau van schaal 15 bezoldigd zou blijven. Dat eiser meerdere jaren op dit niveau heeft gefunctioneerd kan aan dit oordeel niet afdoen. Eiser heeft ingestemd met een detacheringsduur van drie jaar en wist, althans had kunnen weten, dat het niet ondenkbeeldig was dat hij gedurende die gehele drie jaar zou functioneren op het niveau van schaal 15, nu het doel van de detachering was om hem geschikt te maken voor het vervullen van managementfuncties op het zwaarste niveau.

4.3. Voor inschaling in schaal 15 met toepassing van artikel 2, onder h, BBRA juncto artikel 5, tweede lid, BBRA wegens de zwaarte van de door eiser verrichte werkzaamheden, acht de rechtbank geen grondslag aanwezig. De door eiser verrichte werkzaamheden kunnen niet gekwalificeerd worden als een functie in de zin van artikel 2, onder h, BBRA. De werkzaamheden die eiser heeft verricht voor Intermin betroffen losse, tijdelijke opdrachten, die uitgevoerd werden bij verschillende organisaties. Er was derhalve geen sprake van een min of meer duurzaam en samenhangend geheel van werkzaamheden. Dat was ook nadrukkelijk niet de bedoeling nu eiser zich middels een grote verscheidenheid aan opdrachten binnen verschillende organisaties diende te bekwamen voor de zwaarste managementfuncties binnen verweerders organisatie.

4.4 Er van uitgaande dat de aan eiser toegekende toelage een tijdelijk karakter had, dient thans de vraag beantwoord te worden of verweerder deze toelage in redelijkheid heeft kunnen intrekken. De rechtbank stelt daarbij voorop dat zij het minder gelukkig acht dat in de detacheringsovereenkomst aan de toekenning en intrekking van de toelage in de vorm van extra periodieken, artikel 8 BBRA ten grondslag is gelegd. De toekenning en intrekking van extra periodieken op basis van dit artikel is in de detacheringsovereenkomst immers niet afhankelijk gesteld van de wijze waarop eiser functioneert doch slechts van het niveau waarop eiser functioneert. In die zin had toepassing van artikel 22a BBRA meer in de rede gelegen. De rechtbank gaat hier echter aan voorbij, nu uit de detacheringsovereenkomst duidelijk blijkt wat de achterliggende reden was voor het toekennen van meergenoemde toelage en onder welke voorwaarden en voor welke duur een of meerdere periodieken zouden worden toegekend. In die zin is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de toelage in vorm van extra toegekende periodieken met toepassing van het derde lid van artikel 8 BBRA stop te zetten, nu de reden voor het toekennen van deze toelage met de beëindiging van de detachering was komen te vervallen. Dat voorafgaand aan de stopzetting geen functioneringsgesprekken zijn gevoerd kan, gelet op de in de detacheringsovereenkomst vastgelegde voorwaarden waaronder artikel 8 BBRA toepassing zou vinden, geen gewicht in de schaal leggen. Het kan in ieder geval niet tot oordeel leiden dat de totstandkoming van het besluit tot intrekking van de meergenoemde toelage onzorgvuldig zou zijn geweest.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. G.P. Kleijn en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2006, in tegenwoordigheid van mr. A.P.J. Heesen, griffier.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.