Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7657

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-09-2006
Datum publicatie
06-09-2006
Zaaknummer
AWB 06/5195 GEMWT en AWB 06/5133 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom wegens overtreding gebruiksverbod als bedoeld in bestemmingsplan. Geen concreet zicht op legalisatie van het gebruik dat eiser van het perceel maakt. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nrs. AWB 06/5195 GEMWT en AWB 06/5133 GEMWT

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:86

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening en tevens op het beroep van

[Eiser], wonende te [Q] en [X] Verhuur- en Grondverzetbedrijf BV, [X] Loonbedrijf BV, [X] Infra BV en [e[X] Beheer en Materieel BV., alle gevestigd te [Q],

ten aanzien van het besluit van 23 mei 2006 van het college van burgemeester en wethouders van [Q], verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 21 september 2005 heeft verweerder eiser [eiser] gelast de overtreding van het gebruiksverbod, als bedoeld in artikel 15 van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" op het perceel [adres] te [Q] te beëindigen door het strijdige gebruik van gronden en opstallen op dit perceel te beëindigen binnen 3 maanden vanaf de dag nadat dit besluit is verzonden, bij gebreke waarvan eiser een dwangsom verbeurt van € 4000,-, per dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 120.000,-,.

Bij besluit van 23 mei 2006 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften, het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 juni 2006, ingekomen bij de rechtbank op 22 juni 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van eveneens 21 juni 2006 heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 21 augustus 2006 ter zitting behandeld. [Eiser] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn.

Motivering

De voorzieningenrechter kan, indien een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, op de voet van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. In dit geval wordt van die bevoegdheid gebruik gemaakt.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de last kon worden gericht aan [eiser], aangezien hij directeur en enig aandeelhouder van [X] Loonbedrijf BV is en de strijdige activiteiten door dat bedrijf worden verricht. [Eiser] heeft verder de volledige zeggenschap en de feitelijke leiding over de activiteiten op het perceel. Hij kan derhalve worden aangemerkt als overtreder aan wie een last onder dwangsom kan worden opgelegd.

Op het perceel [adres] te [Q] werd aanvankelijk een agrarisch bedrijf (veehouderij) gevoerd door de vader van [eiser]. Sinds 1990 is voorts een verhuur- en grondverzetbedrijf op het perceel geëxploiteerd. Dit bedrijf is zich in de loop van de jaren niet alleen gaan richten op de agrarische sector, maar ook op cultuur- en civieltechnische werkzaamheden (bouwsector). Reeds in 1999 heeft verweerder een dwangsom opgelegd om de activiteiten ten behoeve van het verhuur- en grondverzetbedrijf te beëindigen. Bij uitspraak van 18 december 2002 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hiertegen door het bedrijf ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

Het huidige dwangsombesluit is gebaseerd op het standpunt van verweerder dat eiser in strijd met de agrarische bestemming van het perceel nog steeds activiteiten ten behoeve van een verhuur- en grondverzetbedrijf uitoefent.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Landelijk Gebied", vastgesteld op 17 december 1996. Het perceel heeft de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de subbestemming "Aw (Weidegebied)". In artikel 3, eerste lid, onder A, van de planvoorschriften is bepaald dat de als zodanig bestemde gronden bestemd zijn voor de (melk-)veehouderij ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven. Op grond van artikel 15 van het bestemmingsplan is het verboden gronden en bebouwing te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de ingevolge het plan aan de gronden gegeven bestemming.

Ter zitting heeft eiser verklaard dat sinds juni 2006 het laatste vee van de veehouderij van zijn vader is verplaatst. Hierdoor zijn de activiteiten ten behoeve van de veehouderij beëindigd. Eiser stelt dat de activiteiten ten behoeve van het verhuur- en grondverzetbedrijf zijn gestaakt en dat hij zich uitsluitend nog bezig houdt met agrarisch loonwerk. Deze activiteiten kunnen volgens eiser gelegaliseerd worden door wijziging van het bestemmingsplan.

Uit de stukken, waaronder door verweerder overgelegde foto's, en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser op het perceel een groot aantal machines en voertuigen heeft gestald, zoals shovels, diepladers, tractoren, kiepwagens en trekkers. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit gebruik van het perceel niet aangemerkt kan worden als uitoefening van een veehouderij. Dit gebruik is derhalve in strijd met de op het perceel gelegde bestemming en met de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan. Verweerder is dan ook bevoegd om op de voet van artikel 125 van de Gemeentewet handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Tussen partijen is niet in geschil dat een eventuele mogelijkheid om tot legalisatie van de activiteiten op het perceel te komen, wordt geboden door de in artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid van het bestemmingsplan.

Ingevolge dit artikel zijn burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen onder toepassing van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) indien de wijziging betrekking heeft op - onder meer - het van de plankaart verwijderen van een agrarisch bouwperceel indien sprake is van bedrijfsbeëindiging ter plaatse, waarbij aan de eventueel overblijvende (agrarische) bedrijfswoning en (een deel van) de voormalige bedrijfsgebouwen een bestemming voor woondoeleinden mag worden gegeven, met dien verstande dat voormalige agrarische bedrijfsgebouwen bestemd mogen worden voor opslagdoeleinden voor caravans, boten en daarmee gelijk te stellen goederen, atelierruimte of bedrijfsruimte voor bedrijven voorkomend binnen de categorieën 1 en 2 en daarmee gelijk te stellen bedrijven. Een en ander geldt mits onder andere vestiging plaats heeft binnen gebouwen aanwezig op het tijdstip waarop het plan in ontwerp ter inzage is gelegd, er geen sprake is van verkeersaantrekkende werking, er geen overwegende bezwaren bestaan uit een oogpunt van natuur en landschap en de bedrijfsvoering zich verdraagt met de agrarische exploitatie van omliggende gronden.

Een eerder verzoek van eiser om toepassing te geven aan artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften is door verweerder bij besluit van 9 juli 2002 afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank van 15 augustus 2003 is het beroep dat hierop betrekking had ongegrond verklaard. In die uitspraak is door de rechtbank tevens overwogen dat verweerder in redelijkheid vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid van de WRO heeft kunnen weigeren.

Voorop moet worden gesteld dat na de uitspraak van de rechtbank van 15 augustus 2003 door eiser geen nieuw verzoek tot toepassing van artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften is ingediend, dat is gekoppeld aan een concreet plan over de exploitatie van een agrarisch loonbedrijf. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het aan eiser is om, indien hij een wijziging van de bestemming op grond van voornoemd planvoorschrift wenst, een concreet en toetsbaar plan in te dienen op basis waarvan het mogelijk is om te beoordelen of voldaan wordt aan de in dit voorschrift neergelegde voorwaarden.

Niet vol te houden is dat eiser daartoe niet ruimschoots de gelegenheid heeft gehad. De stukken en brieven die eiser heeft overlegd in de procedure en in de loop van de tijd zijn summier en weinig concreet over de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten waarvoor eiser legalisatie wenst.

Reeds bij het ontbreken van een concreet en toetsbaar verzoek als hiervoor bedoeld, is geen sprake van concreet zicht op legalisatie.

Daarnaast kan op grond van hetgeen eiser tot dusver aan voorstellen heeft gedaan ook betwijfeld worden of aan de voorwaarden van artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften kan worden voldaan. Uitgesloten blijft dat het grote aantal voertuigen dat zich op het perceel bevindt gestald kan worden binnen de twee bestaande bedrijfsgebouwen.

Het op verzoek van eiser opgestelde schetsplan van een terreinindeling van het bedrijf door Agro-Matic van 29 april 2005 gaat uit van een extra loods, hetgeen zich niet verdraagt met de voorwaarde dat vestiging van een bedrijf dient plaats te vinden binnen gebouwen die aanwezig waren op het tijdstip waarop het bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd. Daar komt bij dat verweerder heeft aangegeven dat alleen een agrarisch loonbedrijf in afgeslankte vorm op het perceel eventueel mogelijk is, wat met zich brengt dat eiser de activiteiten van zijn bedrijf zal moeten terugbrengen tot "lichte" bedrijvigheid als genoemd in of gelijk aan de categorieën 1 en 2 van de bij het bestemmingsplan behorende staat van bedrijfsactiviteiten. Verder zal niet alleen een milieutoets moeten plaatsvinden om te beoordelen of het bedrijf van eiser gelijkgesteld kan worden aan een categorie 1 en 2 bedrijf, maar ook of door de teruggebrachte omvang van het bedrijf de verkeersaantrekkende werking tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht en/of de eventuele bezwaren vanuit een oogpunt van natuur en landschap kunnen worden weggenomen. In dat verband spelen ook de huidige verhardingen van het terrein door middel van stelconplaten voor verweerder een rol.

Gelet op het vorenstaande ontbreekt een concreet zicht op legalisatie van het gebruik dat eiser van het perceel maakt.

Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving dient te worden afgezien.

Niet geoordeeld kan worden dat hier sprake is van een situatie waarin handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die situatie behoort te worden afgezien.

De financiële gevolgen van het handhavingsbesluit zijn niet onevenredig, mede gelet op de lange periode van voortgezet gebruik.

De gestelde termijn om aan de last te voldoen is voorts niet onredelijk.

Het beroep is ongegrond.

Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarin op het beroep is beslist, binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. E. Dijt, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.P. Jadoenathmisier.