Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7480

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
05-09-2006
Zaaknummer
AWB 05/2612 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft als OALT-leraarkracht het NT2 diploma niet behaald en is per 1 augustus 2004 ontslagen wegens opheffing van de betrekking (bezuiniging / stopzetting subsidie).

Loonaanvulling door verweerder toegekend.

De rechtbank stelt vast dat niet de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de bevoegdheid toekomt om besluiten te nemen inzake loonaanvulling maar dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap deze bevoegdheid toekomt. (...) Het beroep is dan ook gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dient te beslissen op het bezwaar.

Verweerder wordt veroordeeld in de kosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 05/2612 AW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[A.], wonende te [B.], eiser,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Eiser heeft na zijn ontslag per 1 augustus 2004 bij verweerder een aanvraag ingediend om loonaanvulling.

Bij besluit van 6 september 2004 heeft verweerder aan eiser een loonaanvulling toegekend. Vanaf 1 augustus 2004 is dit een aanvulling tot 100% van het bovenwettelijke dagloon dat eiser zou hebben gehad als hij werkloos was geworden. Vanaf 1 augustus 2008 is dit een loonaanvulling tot 95% van het bovenwettelijke dagloon dat eiser zouden hebben gehad als hij werkloos was geworden. Deze aanvulling ontvangt eiser tot en met uiterlijk 31 juli 2012.

Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

2. Bij besluit van 29 november 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. Bij brief van 3 maart 2005 heeft verweerder het besluit van 29 november 2004 ingetrokken omdat het onbevoegd genomen is. Bij besluit van 10 maart 2005 neemt verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 april 2005 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 1 juni 2005 een verweerschrift ingediend.

3. De zaak is op 15 mei 2006 ter zitting behandeld.

Partijen zijn niet ter zitting verschenen.

II. Motivering

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

2. Eiser is sinds 1 augustus 1992 in dienst van de gemeente Den Haag als groepsleraar in de Marokkaanse taal en cultuur, (later als leraar Onderwijs Allochtone Levende Talen (OALT), met functieschaal 9.

3. Met ingang van 1 augustus 2002 werden OALT-leerkrachten verplicht de Nederlandse taal goed te beheersen. Om die reden dienden zij het diploma NT2 te behalen, dan wel diende er een redelijke verwachting te bestaan dat zij het diploma zouden behalen. Zij verkregen twee jaar de tijd om dit diploma te behalen en behoefden niet per 1 augustus 2002 ontslagen te worden wegens onbekwaamheid.

4. OALT-leerkrachten die niet konden voldoen aan de verscherpte bekwaamheidseisen en een andere dienstbetrekking aanvaardden met een lager maximumsalaris kwamen in aanmerking voor loonsuppletie. Deze loonsuppletie gaf de eerste vijf jaar een volledige aanvulling tot het salaris van OALT-leerkracht en daarna 90% tot aan de pensioenleeftijd. Een en ander is vastgelegd in Sociaal Plan 1.

5. In augustus 2004 heeft eiser het NT2 diploma niet gehaald.

6. Per 1 augustus 2004 is de subsidie voor het OALT onderwijs stopgezet. Voor deze situatie is Sociaal Plan 2 opgesteld. Ook in dit plan is een loonsuppletieregeling opgenomen: de hoogte van de loonsuppletie is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het loon in de nieuwe dienstbetrekking en anderzijds gedurende de eerste helft van de periode waarover bij werkloosheid recht zou bestaan op een uitkering krachtens het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (BBWO), de ongemaximeerde berekeningsgrondslag zoals bedoeld in het BBWO - dit is een aanvulling tot 100% van het oude inkomen - en gedurende de tweede helft van die periode een aanvulling tot 95% van het oude inkomen.

7. Bij besluit van 27 april 2004 is eiser met ingang van 1 augustus 2004 ontslagen als OALT-leerkracht wegens opheffing van de betrekking.

Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.

8. Per 1 augustus 2004 is eiser door zijn werkgever benoemd in de functie van algemeen schoolmedewerker (taakveld veiligheid) in schaal 4.

9. Tengevolge van zijn inkomensachteruitgang heeft eiser bij verweerder loonaanvulling aangevraagd. Bij besluit van 6 september 2004 heeft verweerder aan eiser loonaanvulling toegekend als vermeld in rubriek I, punt 1 van deze uitspraak.

10. Eiser heeft - kort samengevat - aangevoerd dat hij niet is ontslagen omdat zijn betrekking werd opgeheven (vanwege het stopzetten van de subsidie) maar omdat hij niet voldeed aan de verscherpte bevoegdheidseisen voor leraren in het OALT. Om die reden is op hem het Sociaal Plan 1 van toepassing.

Zijn ontslag viel toevalligerwijs samen met de stopzetting van de subsidies. Ten onrechte is op hem dan ook het Sociaal Plan 2 toegepast. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onderzoek had dienen te verrichten naar de werkelijke ontslaggrond.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij niet is ontslagen wegens het opheffen van zijn betrekking maar wegens het feit dat hij niet beschikte over het NT2 diploma heeft eiser een brief van zijn werkgever van 23 december 2004 gericht aan zijn gemachtigde overgelegd. In deze brief deelt de werkgever mede:

'In antwoord op bovenvermelde brief bevestigen wij hierbij dat de heer [A.] volgens de ons ter beschikking staande gegevens niet in het bezit is van een NT2 diploma en dat zijn ontslag als OALT-leerkracht mede geacht moet worden te hebben plaatsgevonden wegens de aanscherping van de kwalificatievereisten. Gelet hierop lijkt dus ook sociaal plan OALT1 op van toepassing te zijn'.

11. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

12. De rechtbank stelt vast dat niet de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de bevoegdheid toekomt om besluiten te nemen inzake loonaanvulling maar dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap deze bevoegdheid toekomt. Verweerder heeft dit onderkend in zijn besluit van 3 maart 2005 maar heeft vervolgens wederom zelf de beslissing op bezwaar van 10 maart 2005 genomen. Gelet op het vorenstaande kan dit laatste besluit niet in stand blijven. Het beroep is dan ook gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dient te beslissen op het bezwaar.

13. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,- voor het indienen van het beroepschrift bij een zaak van gemiddeld gewicht.

14. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het bestreden besluit inhoudelijk in stand kan blijven. Uit het ontslagbesluit, de door eiser ingediende aanvraag loonaanvulling en de werkgeversverklaring valt af te leiden dat eiser is ontslagen wegens het opheffen van zijn functie en niet wegens het feit dat hij niet over het NT2 diploma beschikte. De subsidie is per 1 augustus 2004 komen te vervallen en dat is blijkbaar de uiteindelijke reden geweest voor de werkgever om eiser te ontslaan. Gelet op de beschikbare stukken is nader onderzoek naar de ontslaggrond niet aangewezen.

III. Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 10 maart 2005;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 322,- onder aanwijzing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

bepaalt dat de voornoemde rechtspersoon aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 138,- vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. E.S.G. Jongeneel, mr. C.C. de Rijke-Maas en mr. M.M.F. Holtrop en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. drs. I. Goud.