Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7471

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-06-2006
Datum publicatie
05-09-2006
Zaaknummer
AWB 05/8520 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. Eiser heeft activiteiten verricht die zijn aan te merken als een bron van inkomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1659
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/8520 IB/PVV

Uitspraakdatum: 23 juni 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Y.], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.] verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 18 oktober 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.305.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde]. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 9 mei 2006 naar het adres [adres] te [Y.], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De enveloppe waarin voormelde brief is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen. Uit de - kennelijk door medewerkers van TPG Post - geplaatste aantekeningen op die enveloppe, die door de griffier in het dossier is gevoegd, leidt de rechtbank af dat de besteller van TPG Post op 10 mei 2006 geen gehoor heeft gekregen op voormeld adres, dat hij toen aldaar een kennisgeving van aanbieding heeft achtergelaten met de mededeling dat de brief op het - kennelijk in die mededeling genoemde - postkantoor kon worden afgehaald, en dat TPG Post de enveloppe op 7 juni 2006 heeft geretourneerd aan de afzender, te weten de griffier. Vervolgens heeft de griffier de brief bij gewone post op 12 juni 2006 aan eiser verzonden op dat adres. Blijkens door de griffier van de rechtbank ontvangen schriftelijke inlichtingen, ingekomen op 14 juni 2006, staat eiser in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op voormeld adres. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.873 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

2. Gronden

2.1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1943 en is alleenstaande.

2.2. Voor het jaar 2003 heeft eiser aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.873. Hierbij heeft eiser door hem gedane uitgaven ten bedrage van € 4.432 als verlies uit onderneming in mindering gebracht. Genoemde uitgaven hebben onder meer betrekking op:

-telefoon,

-een ADSL-lijn,

-het vervaardigen en verspreiden van folders ad € 1.185,24,

-contributie,

-TPGpost, waaronder het openen van een antwoordnummer ad € 569,75,

-Telecom ad € 103,50,

-TPGpost jaarabonnement postbus € 313.

Deze bedragen en het totaal van de uitgaven ad € 4.432 zijn niet in geschil.

2.3. Bij regeling van de aanslag 2003 heeft verweerder het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt vastgesteld:

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 21.873

Bij: geen verlies uit onderneming c.q. aftrek negatief

resultaat uit overige werkzaamheden € 4.432

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 26.305

2.4. In geschil is of de activiteiten die door eiser zijn verricht als een bron van inkomen kunnen worden aangemerkt.

2.5. Eiser heeft - zakelijk weergegeven - gesteld dat hij na zijn pensionering diverse mogelijkheden heeft onderzocht om, naast zijn FPU-uitkering, andere inkomsten te verwerven. Uiteindelijk heeft hij het idee opgevat om een boodschappenservice op te richten met als doel 'bejaarden of te druk zijnde gezinnen of alleenstaanden te helpen met het halen en thuisbrengen van hun te bestellen boodschappen'. Uit bij de Kamer van Koophandel beschikbare branchegegevens bleek dat een mailing/vragenlijst naar 13.000 huishoudens minstens 100 gegadigden voor zijn boodschappenservice zou opleveren, hetgeen een levensvatbare onderneming tot gevolg zou hebben.

2.6. Verweerder weerspreekt dat er sprake is van een bron van inkomen. De door eiser ontplooide activiteiten zijn slechts oriënterend van aard geweest en zijn niet gevolgd door een feitelijke bedrijfsuitoefening. Ter zitting heeft verweerder daaraan toegevoegd dat niet is voldaan aan het zogenoemde objectieve vereiste dat de bron - eventueel in de toekomst - een positieve opbrengst zal geven.

2.7. Van een bron van inkomen is sprake bij deelname aan het economische verkeer waarbij het behalen van geldelijk voordeel wordt beoogd (het subjectieve criterium) en waarbij redelijkerwijs te verwachten is dat de bron - eventueel in de toekomst - een positieve opbrengst zal geven (het objectieve criterium).

2.8. Niet in geschil is dat er met betrekking tot de activiteiten sprake is van deelneming aan het economische verkeer en dat het behalen van geldelijk voordeel door eiser is beoogd. De rechtbank overweegt dat het objectieve criterium in de jurisprudentie naast het subjectieve criterium is ontwikkeld in verband met de moeilijkheden om ten aanzien van het subjectieve criterium bewijs te leveren. In dit geval is van dergelijke moeilijkheden geen sprake. Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat sprake is van een bron van inkomen. De rechtbank wijst in dit verband nog op het arrest HR 16 juli 1935, B 5915, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de financiële uitkomsten van een met het subjectieve oogmerk om winst te behalen opgezette onderneming, die uiteindelijk alleen maar verliezen blijkt op te leveren, om die reden toch in aanmerking wordt genomen.

2.9. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de activiteiten van eiser, met name het vervaardigen en verspreiden van folders en het openen van een postbus en een antwoordnummer worden aangemerkt als eerste ondernemershandelingen. Vanaf dat moment is sprake van een onderneming in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet).

2.10. De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat de in geding zijde uitgaven hebben gediend ter bevrediging van privé-behoeften. Het onderhavige geval is niet vergelijkbaar met de gevallen waarvoor artikel 3.10 van de Wet geschreven is. In de wetsgeschiedenis van dat artikel is sprake van 'seeders', dat zijn uitvinders of onderzoekers die een technologie-idee uitwerken met het doel het resultaat zelf commercieel te exploiteren dan wel het te verkopen of in licentie te geven aan anderen alsmede van sportlieden die eerst na een aanloopfase tot de categorie topsporters zijn gaan behoren en dan voor de opbrengst als 'prof' worden belast. Het onderscheid tussen hobby-activiteiten en de voorfase van ondernemingsactiviteiten of overige werkzaamheden is in de praktijk niet te maken. Van dat laatste is in het onderhavige geval geen sprake.

2.11. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard. De bestreden uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning dient met € 4.432 te worden verlaagd en te worden vastgesteld op € 21.873.

2.12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan op 23 juni 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.P.F. Slijpen, in tegenwoordigheid van F.J. Crabbendam, griffier.