Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7378

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-06-2006
Datum publicatie
06-09-2006
Zaaknummer
246839
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding - hoofdverblijf minderjarigen - omgangsregeling - partneralimentatie: de man is altijd huisman geweest, heeft nooit gewerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

rekestnummer: FA RK 05-4130

zaaknummer: 246839

datum beschikking: 2 juni 2006

BESCHIKKING op het op 19 juli 2005 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. M.R.P. Drielsma.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. W.N. Sardjoe.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoekschrift.

De minderjarigen hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt.

Op 17 maart 2006 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, vergezeld van advocaat mr. E.G. Geleijns, kantoorgenoot van mr. M.R.P. Dielsma, en de man, vergezeld van mr. W.N. Sardjoe. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- de brief d.d. 24 maart 2006 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;

- het faxbericht d.d. 28 maart 2006 van de zijde van de vrouw, met een bijlage;

- de brief d.d. 31 maart 2006 van de zijde van de man, met een bijlage.

VERZOEK EN VERWEER

Het verzoek van de vrouw strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

- bepaling dat de minderjarige kinderen van partijen [kind 1], geboren op

[geboortedatum] 1989 te [A], en [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1991 te [woonplaats], hun hoofdverblijf zullen hebben bij de vrouw;

- vaststelling van de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert - onder referte voor het overige - verweer tegen de door de vrouw voorgestelde wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht:

- vaststelling van een omgangsregeling;

- vaststelling van een uitkering tot zijn levensonderhoud ad € 1.500,-- per maand;

- vaststelling van de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij heeft verzocht de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren althans deze af te wijzen.

Tevens heeft de vrouw verzocht, voor het geval dat de rechtbank van oordeel mocht zijn dat de man behoefte heeft aan een door haar te betalen bijdrage in zijn levensonderhoud, de alimentatieduur te beperken tot maximaal één jaar te rekenen vanaf het moment waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, althans tot een door de rechtbank te bepalen duur, al dan niet met een afbouwregeling.

BEOORDELING

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Blijkens authentiek bewijsstuk zijn de echtgenoten op [huwelijksdatum] 1984 in de gemeente [woonplaats] met elkaar gehuwd. Zij hebben twee thans nog minderjarige kinderen.

Echtscheiding

Blijkens overgelegde bewijsstukken van de gemeente 's-Gravenhage heeft de man de Portugese nationaliteit en heeft de vrouw de Nederlandse nationaliteit.

Aangezien beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.

[art. 2 lid 1 sub a onder 1]

Nu voor de echtgenoten een gemeenschappelijk nationaal recht ontbreekt en zij hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben zal de rechtbank krachtens artikel 1, lid 1, aanhef en onder b, van de Wet van 25 maart 1981, houdende regeling van het conflictenrecht inzake ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed en de erkenning daarvan, Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

Hoofdverblijf minderjarigen en omgangsregeling

De gewone verblijfplaats van de minderjarigen is in Nederland. De Nederlandse rechter is derhalve bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de verblijfplaats van de minderjarigen en het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangs-regeling.

De verzochte nevenvoorziening tot vaststelling van de verblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

De man heeft verzocht om een omgangsregeling vast te stellen waarbij hij, zolang hij geen zelfstandige woonruimte heeft, omgang met de minderjarigen zal hebben gedurende twee middagen per week, en waarbij hij, zodra hij over zelfstandige woonruimte zal beschikken, omgang zal hebben gedurende een weekend per veertien dagen en de helft van de feestdagen, de helft van de schoolvakanties en bijzondere gelegenheden zoals verjaardagen.

De vrouw heeft voorgesteld om een omgangsregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen eens per veertien dagen de zondagmiddag en -avond bij de man doorbrengen en van daaruit te bezien in hoeverre de minderjarigen hun vader vaker wensen te zien. De vrouw heeft verder aangegeven het belangrijk te vinden dat de omgang in overleg met de minderjarigen plaatsvindt.

De man heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich kan vinden in hetgeen de vrouw heeft gesteld met betrekking tot de omgangsregeling. Hij heeft verder verklaard dat het vastleggen van een concrete regeling niet praktisch is, dat ook hij van mening is dat de omgang in overleg met de kinderen dient te geschieden, dat dit nu al zo gebeurt en dat dit naar tevredenheid verloopt.

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande bepalen dat de man in onderling overleg omgang zal hebben met de minderjarigen.

Gelet op hetgeen partijen omtrent het verloop van de omgang hebben verklaard, gaat de rechtbank ervan uit dat de man in overleg met de minderjarigen in beginsel eens per veertien dagen op de zondagmiddag en -avond omgang met hen zal hebben.

Partneralimentatie

Nu de vrouw in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.

Op het verzoek tot alimentatie voor de man zal de rechtbank op grond van artikel 8 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 2 oktober 1973, Trb. 1974, 86, Nederlands recht toepassen.

Behoefte

De man heeft verzocht om vaststelling van door de vrouw te betalen partneralimentatie van € 1.500,-- bruto per maand. De man heeft deze behoefte gebaseerd op de welstand van partijen tijdens het huwelijk.

De vrouw heeft gesteld dat de man geen behoefte heeft aan een door haar te betalen bijdrage in het levensonderhoud, aangezien hij zelf in zijn levensonderhoud kan voorzien. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat de man al sedert 1984 in Nederland woont, dat hij de Nederlandse taal goed beheerst, dat hij gezond is en dat niets hem belet om te gaan werken. Voorts heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de alimentatieduur wordt beperkt tot één jaar, althans een door de rechtbank te bepalen duur.

De man heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens het huwelijk in huis heeft gewerkt als huisman, doch dat hij nimmer betaalde arbeid heeft verricht. De vrouw heeft dit niet weersproken.

De man heeft verder verklaard dat hij vloeiend Engels, Spaans, Frans, Portugees en Nederlands spreekt en dat hij graag zou willen werken, maar dat hij nog niet weet wat voor soort werk voor hem geschikt zou zijn en dat hij verwacht dat het moeilijk zal zijn om werk te vinden, gelet op zijn leeftijd en het ontbreken van enige ervaring op de arbeidsmarkt.

De rechtbank is van oordeel dat de man, ondanks het ontbreken van ervaring op de arbeidsmarkt, op termijn in staat moet worden geacht (deels) in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. De rechtbank acht de positie van de man op de arbeidsmarkt echter te onzeker om reeds nu de duur van de vast te stellen alimentatie, rekening houdend met de draagkracht van de vrouw, te beperken. Het aanvullende verzoek van de vrouw tot limitering van de alimentatieverplichting wordt derhalve afgewezen.

De rechtbank acht het redelijk om de man een termijn van (maximaal) twee jaar te gunnen om een bij hem passende baan te vinden waarmee hij in ieder geval kan worden geacht gedeeltelijk in zijn levensonderhoud te voorzien.

De vrouw heeft de hoogte van het door de man gestelde bedrag voor zijn levensonderhoud van € 1.500,-- bruto per maand niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken.

Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de man gedurende twee jaar behoefte heeft aan de door hem verzochte alimentatie van € 1.500,-- bruto per maand.

De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen de duur van het huwelijk en de mate van welstand van partijen gedurende het huwelijk.

Draagkracht

De vrouw heeft betwist dat zij over voldoende draagkracht beschikt voor de door de man verzochte alimentatie. Zij acht zich in staat tot het betalen van partneralimentatie van maximaal € 184,-- bruto per maand.

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw uit van een inkomen van € 50.471,-- bruto per jaar, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgave 2005. De rechtbank houdt voorts rekening met de werkgeversbijdrage ZVW ad € 162,58 per maand, alsmede met de werkgeversbijdrage ziektekostenverzekering ad € 30,-- per maand, die de vrouw blijkens de door haar overgelegde brief van haar werkgeefster van 21 maart 2006 ontvangt.

De rechtbank neemt de volgende niet - danwel onvoldoende - betwiste lasten in aanmerking:

- de huidige hypotheeklasten ad € 354,17 per maand;

- de premie levensverzekering ad € 65,66 per maand;

- eigenaarslasten ad € 95,-- per maand.

De man heeft de volgende opgevoerde lasten betwist:

- de toekomstige hypotheekrente, nadat de vrouw de man zal hebben uitgekocht, ad € 1.080,-- per maand;

- ziektekostenpremie ad € 116,67 per maand;

- eigen risico ziektekostenverzekering ad € 37,75 per maand;

- advocaatkosten ad € 114,-- per maand;

- extra kosten kinderen ad € 476,51 per maand.

Met betrekking tot de door de vrouw opgevoerde toekomstige hypotheekrente heeft de man aangevoerd dat de echtelijke woning nog moet worden getaxeerd zodat, zo de vrouw al in staat zal zijn om de man uit te kopen, onvoldoende duidelijkheid bestaat over de hoogte van de toekomstige hypotheeklasten.

De rechtbank overweegt het volgende. Over de hoogte van de toekomstige woonlasten van de vrouw bestaat thans onvoldoende duidelijkheid, nu nog onzeker is of de vrouw, zoals zij wenst, financieel in staat is om de man uit te kopen, en zo ja, welk bedrag daarmee gemoeid zal zijn.

Partijen zijn in het kader van de verdeling, waarop hierna zal worden ingegaan, overeengekomen dat de echtelijke woning door een door de rechtbank als deskundige te benoemen makelaar dient te worden getaxeerd.

Onder deze omstandigheden zal de rechtbank het verzoek van de man om vaststelling van partneralimentatie aanhouden tot 15 oktober 2006 pro forma.

Voor het geval de toekomstige woonlasten, zoals de vrouw thans stelt, € 1.175,-- per maand (te weten € 1.080,-- aan hypotheekrente en € 95,-- aan eigenaarslasten) zullen bedragen, overweegt de rechtbank thans reeds dat deze woonlasten niet uitkomen boven een derde deel van het netto besteedbare maandelijkse inkomen van de vrouw en derhalve niet als onredelijk dienen te worden aangemerkt.

Nu, zoals hierna zal worden overwogen, de verdere behandeling van de verdeling zal worden aangehouden tot 15 oktober 2006 pro forma, zal de rechtbank, gelet op hetgeen de man in dit verband heeft aangevoerd, thans voorlopig alimentatie vaststellen, waarbij met betrekking tot de draagkracht van de vrouw rekening zal worden gehouden met haar huidige woonlasten als hiervoor vermeld.

De vrouw is in de gelegenheid gesteld om een bewijsstuk te overleggen betreffende de ziektekostenpremie. Aangezien uit het door haar overlegde polisblad van Zilveren Kruis Achmea blijkt dat de premie met ingang van 1 januari 2006 € 98,20 per maand bedraagt en het jaarlijkse eigen risico nihil bedraagt, zal de rechtbank met deze bedragen rekening houden.

De man heeft aangevoerd dat de advocaatkosten ad € 114,-- slechts tot en met mei 2006 mogen worden opgevoerd, aangezien partijen vanaf 20 mei 2005 advocaatkosten maken en ingevolge het trema-rapport Alimentatienormen deze kosten slechts gedurende één jaar mogen worden opgevoerd.

De vrouw heeft gesteld dat met de advocaatkosten ad € 114,-- per maand rekening is gehouden bij de met ingang van 7 juli 2005 in het kader van de voorlopige voorzieningen vastgestelde partner-alimentatie, zodat daarmee tot 7 juli 2006 rekening gehouden dient te worden.

Aangezien de advocaatkosten zijn opgevoerd vanaf 7 juli 2005 zal de rechtbank met deze kosten rekening houden tot 7 juli 2006.

Met betrekking tot de door de vrouw opgevoerde kosten van de kinderen wordt het volgende overwogen.

De vrouw heeft ter onderbouwing van deze post aangevoerd dat de kosten van de kinderen € 407,29 per kind per maand bedragen en dat het verschil tussen de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een eenoudergezin ad € 231,-- netto per maand alsmede het verschil tussen het percentage dat bij toepassing van de bijstandsnorm voor een eenoudergezin (55%) respectievelijk de bijstandsnorm voor een alleenstaande (40%) resteert om te besteden aan uitgaven boven het draagkrachtloos inkomen, onvoldoende zijn om deze kosten te dekken. Deze door de toepassing van de eenoudernorm niet gedekte, voor rekening van de vrouw komende extra kinderkosten heeft de vrouw begroot op in totaal € 476,51 per maand.

De man heeft deze post betwist. De man heeft gesteld dat de kosten van de minderjarigen ingevolge de tabel eigen aandeel bijdrage kosten van kinderen uit het Tremarapport € 287,-- per kind per maand bedragen. De man is voorts van mening dat bij toepassing van de eenoudernorm en het daarbij behorende draagkrachtpercentage in voldoende mate rekening wordt gehouden met de kosten van de kinderen.

De rechtbank overweegt het volgende.

De vrouw heeft de kosten van de kinderen, aan de hand van een door haar opgesteld overzicht van de werkelijke uitgaven die zij voor de beide kinderen heeft gemaakt, becijferd op (afgerond) € 815,-- per maand. De man heeft deze kostenopstelling naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de rechtbank van laatstvermeld bedrag zal uitgaan.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw genoegzaam heeft aangetoond dat bij toepassing van de gebruikelijke alimentatieberekening volgens het Tremarapport onvoldoende rekening wordt gehouden met de voor haar rekening komende kosten van de kinderen, nu deze kosten ad in totaal € 815,-- per maand niet kunnen worden bestreden uit het verschil tussen de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een eenoudergezin alsmede het verschil tussen het percentage dat bij toepassing van de bijstands-norm voor een eenoudergezin respectievelijk de bijstandsnorm voor een alleenstaande resteert om te besteden aan uitgaven boven het draagkrachtloos inkomen.

De rechtbank acht het redelijk om in het onderhavige geval volledig rekening te houden met de voor rekening van de vrouw komende kinderkosten, nu het uitgangspunt van de Trema-normen is dat de kinderen in beginsel niet slechter af moeten zijn na en door de echtscheiding van hun ouders. De rechtbank verwijst in dit verband naar de beschikking van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 april 2006, LJN AW1827, en dan met name r.o. 4.8 daarvan.

De man heeft de wijze waarop de vrouw - rekening houdend met de voor haar rekening komende kinderkosten - haar draagkracht heeft berekend, betwist.

De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de vrouw rekening houden met de voor haar rekening komende kinderkosten ad € 815,-- per maand, door - anders dan de vrouw heeft gedaan - uit te gaan van de alleenstaandennorm, een daarbij behorend draagkrachtpercentage van 60% en voor haar rekening komende kinderkosten ad € 815,-- per maand.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat voorlopig, zolang de werkelijke woonlasten van de vrouw ongewijzigd blijven, een uitkering tot levensonderhoud aan de man tot 7 juli 2006 van € 965,-- per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is en vanaf 7 juli 2006 van € 1.083,-- per maand.

Verdeling

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de gemeenschap.

Noch door de man, noch door de vrouw is gesteld dat zij hun vermogensrechtelijke verhouding ten tijde van de huwelijkssluiting geregeld hebben door aan te wijzen aan welk recht deze onderworpen is. Nu zij voorts geen gemeenschappelijke nationaliteit bezaten ten tijde van de huwelijkssluiting dan wel kort daarna, is het eerste huwelijksdomicilie bepalend voor het tussen de echtgenoten geldende huwelijksgoederenregime. Aangezien het eerste huwelijksdomicilie van de echtgenoten in Nederland is gelegen wordt het huwelijksgoederenregime van de echtgenoten beheerst door Nederlands recht.

Partijen zijn het er over eens dat over de volgende vermogensbestanddelen dient te worden beslist:

1. de echtelijke woning van partijen aan de [a-straat] te [woonplaats];

2. de aan die woning verbonden hypothecaire geldlening ad € 100.000,-- (aflossingsvrij);

3. de door de moeder van de vrouw in de periode van september 1995 tot oktober 2005 gedane schenkingen ad in totaal

€ 96.000,--;

4. de inboedel;

5. de auto van partijen, een Citroën Xantia Break;

6. het door de vrouw opgebouwde spaarloon;

7. de saldi op de diverse bankrekeningen van partijen;

8. het aandeel van de man in een stuk grond in Portugal.

Partijen zijn het er voorts over eens dat als peildatum voor zowel de omvang van de huwelijks-goederengemeenschap als de waardering van de verschillende onderdelen daarvan, de datum van 11 juli 2005 zal dienen te gelden.

Ad 1 en 2

De vrouw wenst in de echtelijke woning te blijven wonen en de man uit te kopen.

De man betwijfelt of de vrouw daartoe in staat is.

Partijen zijn het er in ieder geval over eens dat de overwaarde van de woning (de waarde van de woning per 11 juli 2005 minus het bedrag van de hypothecaire geldlening ad € 100.000,--) dient te worden verdeeld.

Partijen zijn het erover eens dat de woning zal worden getaxeerd door een door de rechtbank als deskundige te benoemen makelaar. Partijen zijn het voorts eens geworden over de persoon van de deskundige: [makelaar], verbonden aan makelaarskantoor [makelaarskantoor].

De rechtbank heeft contact opgenomen met [taxateur] en deze heeft zich bereid verklaard om de taxatie van de woning te verrichten. Partijen hebben ter terechtzitting verklaard dat zij de daaraan verbonden kosten zullen voldoen. [taxateur] heeft desgevraagd verklaard dat de kosten voor de taxatie 1,4 promille van de waarde van de woning zullen bedragen, te vermeerderen met de btw en de kosten van verschotten. In verband daarmee zal partijen worden verzocht ieder een voorschot ad € 600,-- te voldoen.

Ad 3

Zoals hiervoor reeds is overwogen, wordt het huwelijksgoederenregime van de echtgenoten beheerst door Nederlands recht, zodat sprake is van gemeenschap van goederen. In geschil is of de door de moeder van de vrouw tijdens het huwelijk van partijen gedane schenkingen ad in totaal € 96.000,-- in de gemeenschap vallen.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat bedoelde schenkingen van haar moeder niet in de gemeenschap vallen, aangezien deze zijn gedaan als voorschot op de erfenis en in de testamenten van haar moeder van 10 juli 1980 en van 5 december 1995 een uitsluitingsclausule is opgenomen, inhoudend dat al hetgeen uit de nalatenschap wordt verkregen nooit zal vallen in enige gemeenschap van goederen. De vrouw stelt dat zij, nu de schenkingen niet in de gemeenschap vallen, recht heeft op vergoeding uit de gemeenschap van een bedrag van € 96.000,--, welk bedrag partijen voor hun gezamenlijke levensonderhoud hebben aangewend.

De man heeft gesteld dat de uitsluitingsclausule uit het testament van de moeder niet van toepassing is aangezien de moeder van de vrouw nog leeft.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 1:94, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek omvat de gemeenschap, wat haar baten betreft, alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten, met uitzondering van goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen.

In het onderhavige geval is sprake van materiële schenkingen door de moeder van de vrouw, die daartoe, blijkens de door de vrouw overgelegde stukken, was overgegaan om fiscale redenen, nadat zij advies had ingewonnen bij een notariskantoor over de consequenties van een en ander. Nu gesteld noch gebleken is dat de moeder van de vrouw bij de materiële schenkingen de mededeling heeft gedaan dat deze buiten de gemeenschap zouden vallen, vallen deze in de gemeenschap. De enkele intentie van de moeder van de vrouw om door middel van het doen van schenkingen vooruit te lopen op de erfenis is in dit verband onvoldoende.

Een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vrouw geen recht heeft op vergoeding van een bedrag ad € 96.000,-- uit de gemeenschap.

Ad 4

De man heeft voorgesteld om de door hem in productie 3 vermelde inboedelgoederen aan hem toe te delen en de overige inboedel aan de vrouw. De man heeft gesteld dat de vrouw bij de uitvoering van dit verdelingsvoorstel zal worden overbedeeld. De man heeft verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om te onderbouwen welk bedrag de vrouw in verband met deze overbedeling ten aanzien van de inboedel aan hem zal dienen te vergoeden.

De vrouw heeft geen bezwaar gemaakt tegen de door de man voorstelde verdeling, maar heeft zich wel verzet tegen het verzoek van de man om een financiële vergoeding in verband met de door hem gestelde overbedeling. De vrouw heeft betwist dat van overbedeling sprake is.

Nu de vrouw heeft betwist dat zij ten aanzien van de inboedel zal worden overbedeeld, zal de rechtbank de man in de gelegenheid stellen om zijn standpunt nader te onderbouwen.

Ad 5

De vrouw heeft verzocht om de auto aan haar toe te delen. De man heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. In geschil is welke waarde aan de auto dient te worden toegekend.

De vrouw heeft gesteld dat de waarde van de auto € 3.200,-- bedraagt. Zij heeft daartoe een print overgelegd uit de autokoerslijst van de ANWB (www.anwb.nl) van 6 november 2005, waarin voor een Citroën Xantia 1.8 inj. (kat) break, 5 deurs, handgeschakeld, benzinemotor, bouwjaar mei 1997, kilometerstand 160.000 als verkoopwaarde op de particuliere markt een bedrag van € 3.200,-- is vermeld.

De man heeft betwist dat de waarde van de auto op € 3.200,-- dient te worden gesteld.

De rechtbank heeft beide partijen in de gelegenheid gesteld om bewijsstukken in te dienen aangaande de waarde van de auto, alsmede om op de stukken van de wederpartij te reageren.

De man heeft een print ingediend van autotrader (zoek.autotrader.nl) van 16 maart 2006, waarin voor 9 verschillende auto's van het type Citroën Xantia met bouwjaar 1997 een waarde is vermeld die uiteenloopt van € 4.950,-- tot € 7.000,--.

De vrouw, die ter terechtzitting had verklaard dat zij met de auto langs haar dealer zou gaan voor een verklaring omtrent de waarde, heeft nadien geen stukken met betrekking tot de waarde van de auto ingediend.

De rechtbank stelt de waarde van de auto per 11 juli 2005 vast op het gemiddelde van de door beide partijen genoemde prijzen, zijnde € 4.587,50.

Ad 6

De vrouw heeft gesteld dat partijen altijd van plan zijn geweest om het door haar opgebouwde spaarloon aan te wenden ten behoeve van de studie van de kinderen, zodat het opgebouwde spaarloon buiten de verdeling valt.

De man heeft betwist dat partijen hebben afgesproken dat het spaarloon voor de studie van de kinderen zou worden aangewend. De man heeft gesteld dat het spaarloon was bedoeld luxe uitgaven op de korte termijn, zoals vakanties.

De vrouw heeft na de betwisting door de man slechts gesteld dat het spaarloon was bedoeld voor uitgaven op de lange termijn, doch zij is niet meer teruggekomen op de door haar gestelde afspraak dat het spaarloon voor de studie van de kinderen zou worden aangewend.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw na de betwisting door de man haar standpunt dat het spaarloon voor de studie van de kinderen zou worden aangewend, onvoldoende heeft onderbouwd. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat het opgebouwde spaarloon dient te worden verdeeld.

De vrouw heeft gesteld dat het spaarloon inmiddels is gestort in een kapitaal risicoverzekering en dat de waarde per 31 december 2004 € 3.949,45 bedraagt. De man en de vrouw wordt verzocht zich uit te laten over de waarde van het spaarloon per 11 juli 2005 en over de wijze van verdeling.

Ad 7

Partijen zijn het erover eens dat de diverse bankrekeningen van partijen en de daarop staande saldi dienen te worden verdeeld.

Partijen wordt verzocht zich uit te laten over de wijze van verdelen. Partijen wordt voorts verzocht om bankafschriften te overleggen waaruit de diverse saldi per 11 juli 2005 blijken.

Ad 8

De vrouw heeft gesteld dat het aandeel van de man in een stuk grond in Portugal eveneens in de gemeenschap valt.

De man heeft gesteld dat het een stuk grond betreft dat in 1956 door zijn ouders is gekocht. Zijn vader is inmiddels overleden. De man stelt dat het stuk grond voor 16,5% van hem is en voor het overige deel van zijn moeder en zijn broer. Het stuk land is volgens de man verhuurd of verpacht en niet verkoopbaar. De man heeft gesteld dat mogelijk een uitsluitingsclausule van toepassing is.

De rechtbank zal de man in de gelegenheid stellen om zijn stellingen nader (met stukken) te onderbouwen; indien het gaat om stukken in de Portugese taal zal hij deze dienen te laten vertalen in het Nederlands. Beide partijen zal worden verzocht om een voorstel te doen voor een taxateur voor het geval de grond in de gemeenschap valt.

De rechtbank zal de verdere behandeling van de verdeling aanhouden tot 15 oktober 2006 pro forma, opdat partijen, zoals hiervoor is weergegeven, hun standpunten nader kunnen overbouwen, de benodigde stukken kunnen indienen, overleg kunnen plegen en tevens de taxatie van de echtelijke woning kan plaatsvinden.

BESLISSING

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de man], en [de vrouw], gehuwd op

[huwelijksdatum] 1984 in de gemeente [P];

bepaalt dat de minderjarigen:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1989 te [A], en

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1991 te [woonplaats]

hun gewone verblijfplaats zullen hebben bij de vrouw,

en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man in overleg met de minderjarigen omgang met hen zal hebben;

bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand voorlopig, zolang de werkelijke woonlasten van de vrouw ongewijzigd blijven, tegen kwijting aan de man tot zijn levensonderhoud zal uitkeren tot 7 juli 2006 een bedrag van € 965,-- per maand, en vanaf 7 juli 2006 een bedrag van

€ 1.083,-- per maand;

houdt iedere verdere belissing ten aanzien van de partneralimentatie aan;

houdt de verdere behandeling met betrekking tot het verzoek tot verdeling aan tot 15 oktober 2006 pro forma opdat partijen stukken in het geding kunnen brengen en overleg met elkaar kunnen voeren;

beveelt een onderzoek door na te noemen deskundige waarbij een oordeel gevraagd wordt over de waarde van de echtelijke woning van partijen, te ([postcode]) [woonplaats], [a-straat] per 11 juli 2005;

benoemt als deskundige de heer [taxateur], kantoorhoudende te ([postcode])

[woonplaats], [adres] (tel. [telefoonnummer]);

bepaalt dat de deskundige partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen. De deskundige zal hiervan, alsmede van de inhoud van die opmerkingen en verzoeken en van zijn eventuele reactie daarop in zijn schriftelijk bericht doen blijken. Indien een partij schriftelijke opmerkingen aan de deskundige doet toekomen, zal de deskundige daarvan terstond afschrift aan de wederpartij verstrekken;

bepaalt dat de procureur van de vrouw binnen drie weken na deze beschikking4 Is door de rechtbank gesteld termijn. aan genoemde deskundige een afschrift van alle gedingstukken ter beschikking zal stellen;

bepaalt dat de deskundige zijn werkzaamheden pas behoeft aan te vangen nadat ieder der partijen een bedrag van € 600,-- heeft gestort op bankrekening [00.00.00.000] ten name van Arrondissement 537 Den Haag onder vermelding van rekestnummer FA RK 05-4130, zulks als voorschot op de nader te bepalen kosten van het deskundigenonderzoek, en vervolgens de griffier de deskundige van de ontvangst daarvan op de hoogte heeft gesteld;

bepaalt dat voornoemd voorschot vóór 1 juli 2006 door ieder der partijen zal zijn gestort;

bepaalt dat de deskundige de rechtbank zal verzoeken om vaststelling van een nader voorschot indien en zodra hem in de loop van het onderzoek blijkt dat dit meer gaat kosten dan het oorspronkelijke voorschot. Beide partijen dienen zich uit te laten over de hoogte van het nadere voorschot, waarna terzake een beschikking zal volgen;

bepaalt dat indien het voorschot niet tijdig wordt voldaan, de wederpartij van degene die het voorschot niet betaalt na sommatie van de niet betalende partij de rechtbank kan verzoeken een beschikking te geven;

bepaalt dat de deskundige zijn schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend rapport, vergezeld van zijn declaratie, zal zenden naar de griffier van deze rechtbank, sector Familie- en Jeugdrecht,

Postbus 20302, 2500 EH 's-Gravenhage, uiterlijk twee maanden na ontvangst van het voorschot.

bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zendt.

houdt iedere verdere beslissing - ook ten aanzien van de kosten van het deskundigenonderzoek -

PRO FORMA aan tot 15 oktober 2006.

bepaalt dat partijen uiterlijk vier weken vóór genoemde proformadatum aan elkaar en aan de rechtbank de volgende stukken dienen over te leggen:

- een overzicht van de samenstelling van de boedel en de waarde van de verschillende boedelbestanddelen op de peildatum, waaronder de diverse bankrekeningen van partijen,

waarbij, wat de inboedel betreft, de man wordt verzocht om zijn standpunt dat de vrouw bij de verdeling van de inboedel conform zijn voorstel zal worden overbedeeld, nader te onderbouwen, en waarbij partijen ervoor dienen zorg te dragen dat zij dezelfde boedelbestanddelen op dezelfde wijze aanduiden,

- bankafschriften waaruit de saldi van de diverse bankrekeningen van partijen per 11 juli 2005 blijken,

- een voorstel met betrekking tot de eventueel te benoemen taxateur van een aandeel van de man in een stuk grond in Portugal;

- indien verschil van mening bestaat over de waarde van overige vermogensbestanddelen, een voorstel ten aanzien van de wijze waarop de waarde moet worden vastgesteld, vergezeld van een voorstel met betrekking tot de eventueel te benoemen taxateur(s),

- een voorstel tot verdeling,

- een overzicht van de punten waarover partijen het ook na het door hen gevoerde overleg niet met elkaar eens zijn geworden,

- partijen wordt verzocht zich uit te laten over de waarde van het spaarloon per 11 juli 2005 (met stukken) en over de wijze van verdeling,

- de man wordt verzocht zijn stellingen betreffende zijn aandeel in een stuk grond in Portugal nader (met stukken) te onderbouwen,

bepaalt dat partijen tot de proformadatum op de door de wederpartij overgelegde stukken schriftelijk mogen reageren;

bepaalt dat de behandeling ter zitting eerst na tijdige ontvangst van alle bovengenoemde stukken zal worden voortgezet, behoudens toepassing van artikel 9.7 en 9.8 van het procesreglement scheiding;

bepaalt dat, indien voor genoemde proformadatum geen bericht is ontvangen of door beide partijen de gevraagde stukken niet (volledig) zijn overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd, de zaak ingevolge artikel 9.5 van het procesreglement scheiding schriftelijk zal worden afgedaan;

bepaalt dat, indien een van partijen de gevraagde stukken niet (volledig) heeft overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd de zaak ingevolge artikel 9.6 van het procesreglement scheiding schriftelijk zal worden afgedaan tenzij de wederpartij of de rechter een mondelinge behandeling wenst, in welk geval stukken van de partij die in gebreke was niet meer zullen worden geaccepteerd.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, tevens kinderrechter, bijgestaan door

mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2006.