Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY6847

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-04-2006
Datum publicatie
23-08-2006
Zaaknummer
AWB 05/4708 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet Werk en Bijstand;

Ter beoordeling staat of verweerder de bijzondere bijstand voor kosten van ziekenhuisbehandelingen in redelijkheid als lening heeft kunnen verstrekken in plaats van om niet. Niet in geschil is dat de behandelingen en ziekenhuisopname van eiseres medisch noodzakelijk waren.

Beroep van eiseres gegrond, veroordeling verweerder in kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 05/4708 WWB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[naam], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Op 27 oktober 2004 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand. Blijkens het verzoek van verweerder om aanvullende informatie van dezelfde datum betreft het een aanvraag om een bijstandsuitkering voor de kosten van ziekenhuisbehandelingen.

Bij besluit van 29 december 2004 heeft verweerder de aanvraag - als aanvraag voor de kosten van een schuld aan [naam ziekenhuis] - afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 1 februari 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard in die zin dat bijzondere bijstand als lening wordt verstrekt tot een bedrag van € 3730,92 voor het betalen van een schuld terzake medische behandelingen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 7 juni 2005, ingekomen bij de rechtbank op 10 juni 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 30 maart 2006 ter zitting behandeld. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.G.P. de Wit, advocaat te Den Haag. Verweerder is niet verschenen.

Motivering

Eiseres ontving een bijstandsuitkering vanaf 7 mei 2003. Naar aanleiding van een huisbezoek is de uitkering per 1 april 2004 tijdelijk stopgezet en bij besluit van 25 juni 2004 met ingang van 1 mei 2004 beëindigd op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met degene die haar huisvesting had verleend.

De beëindiging is na bezwaar in rechte komen vast te staan. Nadat eiseres zelfstandige huisvesting had gevonden is haar opnieuw bijstand toegekend met ingang van 27 september 2004.

Eiseres was in de periode 1 mei tot 27 september 2004 niet verzekerd tegen ziektekosten. Blijkens rekeningen van het [naam ziekenhuis] heeft eiseres in die periode medische behandelingen ondergaan en is zij opgenomen geweest, en wel op 23 juli, 20 en 23 augustus en 1 en 2 september 2004.

Ter beoordeling staat of verweerder de bijzondere bijstand voor deze kosten in redelijkheid als lening heeft kunnen verstrekken in plaats van om niet. Niet in geschil is dat de behandelingen en ziekenhuisopname van eiseres medisch noodzakelijk waren.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft de alleenstaande of het gezin, onverminderd paragraaf 2.2 van de WWB, recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, opgenomen in paragraaf 2.2 van de WWB, heeft geen recht op bijstand degene die bijstand vraagt ter aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de WWB wordt de bijstand verleend om niet, tenzij in de WWB anders is bepaald.

Ingevolge artikel 48, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien het bijstand betreft ter (...) aflossing van een schuldenlast.

De medische behandelingen hebben tot gevolg gehad dat er voor eiseres, daar zij op dat moment niet verzekerd was, een verplichting is ontstaan tot het betalen van een geldsom aan een derde. Die verplichting is aan te merken als het bestaan van een schuldenlast. De aanvraag om bijzondere bijstand houdt dan ook verband met aflossing van een schuldenlast.

Vast staat dat eiseres ten tijde van de schuld en ook nadien niet beschikte over middelen om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien.

Artikel 13, eerste lid, onder f, van de WWB is dus niet van toepassing.

Verweerders beleid in 2004 maakte bij - onder meer - bijstandverlening ter aflossing van een schuldenlast onderscheid tussen kosten die wel en kosten die niet in de bijstandsnorm begrepen zijn. Verweerder hanteerde voor kosten die niet in de bijstandsnorm begrepen zijn het uitgangspunt dat de bijzondere bijstand als gift wordt verleend, tenzij de aanvraag het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Dit beleid is in 2005 niet kenbaar gewijzigd.

De gemaakte medische kosten, die normaal gesproken door een verzekeraar vergoed zouden worden, zijn aan te merken als bijzondere kosten.

Eiseres is met een bericht van verweerder van 28 juni 2004 geïnformeerd dat zij niet langer verplicht verzekerd was ingevolge de Ziekenfondswet met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2004. Zoals ook in het bestreden besluit is overwogen ontbrak het haar aan middelen om zich vrijwillig te verzekeren. Daarnaast kan, ondanks de mededeling van verweerder, bij eiseres onduidelijkheid zijn blijven bestaan over haar verzekeringssituatie. Door het achterwege blijven van afmelding bij het ziekenfonds was zij wél premie over de periode na 1 mei 2004 verschuldigd, die zij ook heeft voldaan. Eiseres behoefde niet te verwachten dat tegenover die premiebetaling geen uitkering voor gemaakte medische kosten stond.

De stelling in het verweerschrift dat het ieders verantwoordelijkheid is zich tegen ziektekosten te verzekeren gaat ten onrechte voorbij aan de situatie waarin eiseres verkeerde.

Niet kan worden geoordeeld dat eiseres door zich niet tegen ziektekosten te verzekeren een tekortschietend verantwoordelijkheidsbesef heeft getoond.

De conclusie moet zijn dat verweerder op onjuiste gronden heeft besloten de bijzondere bijstand te verlenen in de vorm van een lening.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb worden vernietigd.

Verweerder wordt in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordeeld voor een bedrag van € 644,-, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te weten het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting, 2 punten worden toegekend, met een waarde van € 322,- per punt.

Aangezien ten behoeve van eiseres ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand (nr. 3DX5055), dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van het bedrag van de proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de gemeente Den Haag aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 37,-, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-, welk bedrag de gemeente Den Haag aan de griffier moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.C. Dedel-van Walbeek, uitgesproken op 10 april 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F. Mulder.