Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY6600

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
22-08-2006
Zaaknummer
AWB 05/19400
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / alleenstaande vrouw / ambtsbericht / ex-nunctoetsing.

Eiseres heeft zich primair beroepen op de slechte positie van alleenstaande vrouwen in Afghanistan. Ter zitting heeft eiseres zich beroepen op het nieuwe ambtsbericht van juli 2005, dat is verschenen na het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat zij, onder toepassing van artikel 83 Vw 2000, dit ambtsbericht bij haar beoordeling dient te betrekken. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit ambtsbericht niet bij de beoordeling van de rechtbank mag worden betrokken daar het niet door eiseres is ingeroepen en pas aan de orde is gekomen nadat daarover tijdens de zitting door de rechtbank een vraag was opgeworpen. De rechtbank volgt verweerder niet. Nadat over het, nog maar kort voor de zitting uitgekomen, ambtsbericht van juli 2005 ter zitting door de rechtbank aan partijen een vraag was gesteld heeft de gemachtigde van eiseres zich op het standpunt gesteld dat zij ook op dit ambtsbericht een beroep wenste te doen, daar hetgeen in dit ambtsbericht stond vermeld in lijn was met de stelling die eiseres heeft ingenomen, namelijk dat de positie van alleenstaande vrouwen in Afghanistan onhoudbaar is. Van een ambtshalve toetsing door de rechtbank is derhalve geen sprake. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: AWB 05/19400 BEPTDN S2

uitspraak: 28 april 2006

inzake:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1954,

verblijvende te [woonplaats],

van Afghaanse nationaliteit,

IND dossiernummer: 0409.17.0422,

V-nummer: 270.540.5939

eiseres,

gemachtigde: mr. I.M. Hidding, advocaat te Emmen,

tegen:

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.P. Guérain, werkzaam bij de IND.

Procesverloop

Op 13 oktober 2004 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000.

Bij beschikking van 4 april 2005 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

Bij beroepschrift van 29 april 2005 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres gezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 20 september 2005. Eiseres is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Na de zitting heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen. Verweerder heeft op 4 november 2005 een reactie ingediend, hierop heeft eiseres bij schrijven van 25 november 2005 gereageerd. Nadat partijen op respectievelijk 21 februari 2006 en 1 maart 2006 toestemming hebben verleend als bedoel in artikel 8:57 Awb, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten

Motivering

Standpunten van partijen

Eiseres heeft ter ondersteuning van haar aanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiseres is afkomstig uit Kabul, Afghanistan. Haar echtgenoot is in maart 1998 gedood. Zij is daarna met haar zoon naar Pakistan vertrokken omdat zij vreesde dat de mannen die haar man hadden gedood ook haar wilden doden. De zoon van eiseres is reeds in 1999 uit Pakistan naar Nederland vertrokken. Eiseres durfde als alleenstaande vrouw niet terug te keren naar haar land van herkomst.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Daartoe is besloten omdat eiseres nimmer persoonlijke problemen heeft gehad. De medische problematiek die door eiseres naar voren is gebracht is niet zodanig dat terugkeer zou leiden tot een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Ook het feit dat eiseres een alleenstaande vrouw is, is op zichzelf onvoldoende om de aanvraag in te willigen. Eiseres komt evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid, nu zij niet heeft kunnen aangeven wie de daders zijn die haar echtgenoot gedood hebben. Tenslotte is het feit dat de zoon van eiseres een verblijfsvergunning heeft gekregen geen reden om ook eiseres een vergunning te verstrekken, nu de asielaanvraag van eiseres op de eigen merites moet worden beoordeeld.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de omstandigheid dat zij alleenstaande vrouw is enkel op zichzelf beoordeelt en niet ook andere, bijkomende bijzondere omstandigheden zoals haar leeftijd, gezondheid en de dood van haar echtgenoot bij de beoordeling heeft betrokken. Daarnaast is ten onrechte het relaas van de zoon van eiseres niet betrokken bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag.

Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het beroep

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 (Trb. 1954, 88) betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) en bijbehorend Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), wordt een vreemdeling als vluchteling aangemerkt indien deze uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Afghanistan zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiseres persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

Eiseres heeft zich primair beroepen op de slechte positie van alleenstaande vrouwen in Afghanistan. Ter zitting heeft eiseres zich beroepen op het nieuwe ambtsbericht van juli 2005, dat is verschenen na het bestreden besluit, waarin informatie is opgenomen inzake de positie van alleenstaande vrouwen in Afghanistan. De rechtbank is van oordeel dat zij, onder toepassing van artikel 83 Vw 2000, dit ambtsbericht bij haar beoordeling dient te betrekken.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en verweerder ingevolge artikel 83 Vw 2000 in de gelegenheid gesteld schriftelijk te laten weten of dit ambtsbericht, met name zover het betreft de positie van alleenstaande vrouwen in Afghanistan, aanleiding is voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit ambtsbericht niet bij de beoordeling van de rechtbank mag worden betrokken daar het niet door eiseres is ingeroepen en pas aan de orde is gekomen nadat daarover tijdens de zitting door de rechtbank een vraag was opgeworpen.

De rechtbank volgt verweerder niet. Ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling kan de rechtbank niet ambtshalve nieuwe feiten en/of omstandigheden bij haar beoordeling betrekken. In de onderhavige procedure is dit echter niet aan de orde. Nadat over het, nog maar kort voor de zitting uitgekomen, ambtsbericht van juli 2005 ter zitting door de rechtbank aan partijen een vraag was gesteld heeft de gemachtigde van eiseres zich op het standpunt gesteld dat zij ook op dit ambtsbericht een beroep wenste te doen, daar hetgeen in dit ambtsbericht stond vermeld in lijn was met de stelling die eiseres heeft ingenomen, namelijk dat de positie van alleenstaande vrouwen in Afghanistan onhoudbaar is. Van een ambtshalve toetsing door de rechtbank is derhalve geen sprake. De rechtbank wijst er verder op dat, in tegenstelling tot de situatie in de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2005, 200501250, het hier niet ging om een nieuwe beroepsgrond, doch slechts om een nadere onderbouwing van de eerder ingenomen stelling omtrent de slechte positie van alleenstaande vrouwen in Afghanistan

Voorts komt de vraag aan de orde of de goede procesorde zich verzet tegen het feit dat alsnog voormeld ambtsbericht bij de procedure wordt betrokken. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres een alleenstaande vrouw is, de positie van de alleenstaande vrouw één van de belangrijkste geschilpunten tussen verweerder en eiseres is en dat juist in voormeld ambtsbericht nieuwe duidelijke informatie is vermeld inzake de positie van alleenstaande vrouwen. Voorts is dit nieuwe ambtsbericht enige tijd voor de zitting gepubliceerd. De rechtbank heeft voorts gemeend dat het, in het licht van de bedoeling van artikel 83 Vw 2000 - het voorkomen van nieuwe procedures - de voorkeur verdient dat voormeld ambtsbericht in deze procedure wordt betrokken. Voorts is er geen sprake van schending van de goede procesorde nu verweerder ruimschoots in de gelegenheid is gesteld op dit ambtsbericht inhoudelijk te reageren. Zijdens verweerder is niet verzocht om aanhouding voor een inhoudelijke reactie. Verweerder heeft ervoor gekozen om slechts een formele reactie te geven en niet, eventueel subsidiair, tot een inhoudelijk standpunt te komen.

Gelet op voorgaande zal de rechtbank het ambtsbericht van juli 2005 bij haar beoordeling betrekken onder toepassing van artikel 83 Vw 2000. De rechtbank gaat er, gelet op verweerders reactie, van uit dat verweerder geen aanleiding ziet op zijn eerdere besluit terug te komen.

Blijkens het dossier en het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet in geschil dat eiseres een alleenstaande vrouw is. In het ambtsbericht van januari 2005 werd ten aanzien van de positie van de alleenstaande vrouw in Afghanistan overwogen dat voor een alleenstaande vrouw zonder familieverbanden de levensomstandigheden buitengewoon zwaar zijn. In het ambtsbericht van juli 2005 is er kennelijk sprake van een verslechtering van de toch al niet rooskleurige positie van een alleenstaande vrouw, nu in paragraaf 3.4.4 wordt overwogen dat voor een alleenstaande vrouw zonder familieverbanden de levensomstandigheden buitengewoon zwaar, zo niet onmogelijk zijn.

Gelet op de inhoud van het ambtsbericht van juli 2005 ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat verweerders standpunt dat de positie van eiseres als alleenstaande vrouw op zichzelf onvoldoende grond biedt voor inwilliging van de aanvraag, onvoldoende is onderbouwd. Verweerder zal gemotiveerd dienen aan te geven waarom, ondanks deze verslechtering van positie, er nog immer geen reden is om over te gaan tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid aanhef en onder a, b of c.

Het beroep is derhalve gegrond.

Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om opnieuw op de aanvraag te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad EUR 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier moet voldoen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. In gevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2006 in tegenwoordigheid van mr. M.P. Dijkema als griffier.

Afschrift verzonden: