Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY6524

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
22-08-2006
Zaaknummer
AWB 06/11935
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening strekkende tot schorsing van het besluit tot ongewenstverklaring alsmede tot een verbod op uitzetting.

Verzoeker, afkomstig uit Angola, is bij besluit van 17 februari 2006 ongewenst verklaard. Verweerder heeft zich in het kader van toetsing aan artikel 8 EVRM op het standpunt gesteld dat aan de echtgenote en kinderen van verzoeker ‘nimmer een ‘echte’ vluchtelingenstatus is verleend doch een vergunning wegens tijdoverschrijding in de asielprocedure’. Uit het dossier blijkt dat aan verzoekers echtgenote bij besluit van 11 september 1996 een zogenaamde “Nawijn - vergunning tot verblijf (vtv)” is verleend. Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat de verlening van zulke vtv’s toentertijd gebaseerd was op afkomst uit een bepaald land, in dit geval Angola. Gelet daarop kan verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt stellen dat het uitoefenen van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM tussen verzoeker en zijn echtgenote en kinderen kan plaatsvinden in Angola. Toewijzing verzoek strekkende tot schorsing van het besluit tot ongewenstverklaring. Afwijzing van het verzoek voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06 / 11935

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juli 2006

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1963, van Angolese nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: drs. F.W. King, rechtskundig adviseur te Leiden,

tegen:

de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. S. de Schutter, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker is bij besluit van 17 februari 2006 ongewenst verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 6 maart 2006 bezwaar gemaakt.

1.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar de werking van het besluit niet opschort. Verzoeker heeft op 6 maart 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt het besluit te schorsen en verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat verweerder op het bezwaar heeft beslist.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 5 juli 2006. Verzoeker en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Op 11 april 1994 is verzoeker een transactie aangegaan wegens overtreding van artikel 310 Wetboek van Strafrecht (WvSr) (diefstal). Bij vonnis van de politierechter te ’s-Hertogenbosch van 15 juli 1996 is verzoeker veroordeeld tot een geldboete van fl. 175,-, subsidiair drie dagen hechtenis, wegens overtreding van artikel 310 WvSr. Bij vonnis van de politierechter te ’s-Hertogenbosch van 11 maart 2003 is verzoeker veroordeeld tot een geldboete van € 600,-, subsidiair twaalf dagen hechtenis, en zes maanden ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, wegens het overtreden van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a Wegenverkeerswet 1994 (WVW) (rijden onder invloed). Bij vonnis van de politierechter te ’s-Hertogenbosch van dezelfde datum is verzoeker veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf wegens overtreding van artikel 231, tweede lid, WvSr (het in bezit hebben van een vals reisdocument). Bij vonnis van de politierechter te ’s-Hertogenbosch van 4 juni 2003 is verzoeker veroordeeld tot een geldboete van € 150,-, subsidiair drie dagen hechtenis, wegens overtreding van artikel 310 WvSr.

2.3 Verweerder heeft verzoeker op grond van artikel 67, eerste lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en B1/2.2.4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) ongewenst verklaard. Verzoekers beroep op het Vluchtelingenverdrag kan niet slagen nu rechtens vast staat dat verzoeker geen vluchteling in de zin van dit verdrag is. Er is geen sprake van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De inmenging in het familie- of gezinsleven is gerechtvaardigd in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Er is geen sprake van een objectieve belemmering voor het gezin om zich te vestigen in Angola. Aan verzoekers echtgenote en kinderen is geen vluchtelingenstatus, maar een verblijfsvergunning wegens tijdsoverschrijding verleend. Er bestaat geen aanleiding om op grond van artikel 4:84 Awb af te wijken van het beleid.

2.4 Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte ongewenst is verklaard. Er is onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke belangen van verzoeker. Verzoekers omstandigheden ten tijde van de delicten waren slecht. De door verzoeker begane overtredingen zijn van zodanig lichte aard dat verweerder onmogelijk heeft kunnen stellen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Daarnaast is geen sprake van recidivegevaar, nu verzoeker zijn leven heeft gebeterd. Verweerder heeft geen afdoende belangenafweging op grond van artikel 4:84 Awb gemaakt. Verzoeker beroept zich voorts op artikel 3 EVRM op grond van de onveilige situatie in Angola. Verzoeker beroept zich daarnaast op artikel 8 EVRM en op het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Verzoeker dient niet van zijn kinderen te worden gescheiden. Zijn kinderen zijn jong en hebben behoefte aan de zorg van hun vader. Voor verzoeker en zijn gezin is het, gezien de veiligheids- en humanitaire situatie in Angola, onmogelijk het gezinsleven daar uit te oefenen. Verzoekers echtgenote is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning zonder beperkingen, op grond van de situatie in Angola. De echtgenote en kinderen van verzoeker bezitten de Nederlandse nationaliteit en zijn hier te lande ingeburgerd. Verzoeker wenst te worden gehoord.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.5 Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 onder a tot en met e dan wel l, Vw.

2.6 Ingevolge B1/2.2.4.4 Vc kan een vreemdeling met toepassing van artikel 67, eerste lid, onder c, Vw - onder meer - ongewenst worden verklaard in gevallen waarin hij bij herhaling is veroordeeld tot een (korte) gevangenisstraf of hem een taakstraf ter zake van een misdrijf is opgelegd, dan wel hij een transactieaanbod ter zake van een misdrijf heeft aanvaard. Door het herhaald plegen van strafbare feiten veroorzaakt deze categorie dusdanige overlast dat ook de niet onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf of maatregel in aanmerking wordt genomen.

2.7 In B1/2.2.4.4 Vc is voorts neergelegd dat bij de toepassing van de ongewenstverklaring de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig worden afgewogen tegen het algemene belang, dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend.

2.8 Niet in geschil is dat verzoeker ten tijde van het plegen van voormelde misdrijven noch ten tijde van het bestreden besluit rechtmatig verblijf in Nederland had op een van de in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, Vw vermelde gronden.

2.9 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, tot ongewenstverklaring van verzoeker heeft kunnen besluiten. Verweerder heeft, gelet op de in rechtsoverweging 2.2 weergegeven veroordelingen van verzoeker, aan het algemene belang dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend, meer gewicht kunnen toekennen dan aan het persoonlijke belang van verzoeker.

2.10 Verzoekers standpunt dat verweerder aan zijn persoonlijke belang doorslaggevend gewicht had moeten toekennen, aangezien de delicten slechts lichte overtredingen betreffen, hij ze gepleegd heeft om te overleven, zijn leven gebeterd heeft en uit Angola is gevlucht en getraumatiseerd is vanwege zijn ervaringen aldaar, wordt niet gevolgd. Uit de feiten, weergegeven in rechtsoverweging 2.2, blijkt dat verzoeker voor meerdere misdrijven is veroordeeld. Dat het geen geweldsdelicten betreft, doet daar niet aan af. Evenmin kunnen de omstandigheden waaronder de delicten gepleegd zijn van doorslaggevend belang zijn. Die omstandigheden worden geacht te zijn meegewogen bij de bepaling van de strafmaat in verzoekers strafzaken. In verzoekers stelling dat hij zijn leven gebeterd heeft, heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien het algemene belang minder zwaar te achten dan het persoonlijk belang van verzoeker. Ook de omstandigheden waaronder verzoeker uit Angola vertrokken is, behoefden voor verweerder geen aanleiding te zijn aan verzoekers belang meer gewicht toe te kennen dan aan het algemene belang. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 16 juni 1997 (AWB 96/9399 en 96/9433) is in rechte komen vast te staan dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van het Vluchtelingenverdrag.

2.11 Gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 Awb is in het voorliggende geval niet aan de orde, aangezien het beleid neergelegd in B1/2.2.4.4 Vc de discretionaire bevoegheid van verweerder om tot ongewenstverklaring over te gaan niet volledig invult.

2.12 Ter beoordeling staat vervolgens de vraag of het besluit van verweerder om verzoeker ongewenst te verklaren in strijd is met artikel 3 EVRM. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hetgeen verzoeker daartoe thans heeft aangevoerd onvoldoende grond biedt voor het oordeel dat verzoeker bij uitzetting naar Angola een reëel risico loopt op een behandeling als verboden door 3 EVRM. Uit het algemene ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Angola van november 2004, het rapport van Human Rights Watch van januari 2005 en het rapport van de US Department of State van 1 maart 2005, naar welke stukken verzoeker heeft verwezen, wordt niet aannemelijk dat voor verzoeker persoonlijk sprake is van een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM. De stelling dat verzoekers kinderen vanwege de slechte leefomstandigheden en de hoge kindersterfte niet kunnen terugkeren naar Angola, kan - wat hier ook van zij - bij de beoordeling van artikel 3 EVRM geen rol spelen. Deze omstandigheden zien immers niet op het individuele geval van verzoeker.

2.13 Volgt de vraag of het besluit tot ongewenstverklaring in strijd is met artikel 8 EVRM. Vast staat dat tussen verzoeker, zijn echtgenote en kinderen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Het bestreden besluit vormt een inmenging in het familie- en gezinsleven dat verzoeker heeft met zijn echtgenote en kinderen. Het tweede lid van artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van - samengevat - de bescherming van de openbare orde en veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten.

2.14 In de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 2 augustus 2001 in de zaak Boultif tegen Zwitserland (JV 2001/254) zijn richtinggevende uitgangspunten (‘guiding principles’) geformuleerd ten aanzien van de vraag of een maatregel van uitzetting noodzakelijk is, en met name ten aanzien van de problemen die echtgenoten daardoor zouden ondervinden om samen te blijven en in het bijzonder de problemen voor een echtgeno(o)t(e) en/of kinderen om te gaan leven in het land van herkomst van de ander. Deze uitgangspunten betreffen:

- de aard en ernst van het vergrijp;

- de verblijfsduur;

- het verstreken tijdsverloop sinds het strafbare feit, alsmede het gedrag in die periode;

- de betrokken nationaliteiten;

- de gezinssituatie;

- de vraag of de echtgeno(o)t(e) al dan niet van het vergrijp op de hoogte was toen het gezinsleven ontstond;

- de aanwezigheid van kinderen en hun leeftijd; en

- de ernst van de moeilijkheden die de echtgeno(o)t(e) in het bestemmingsland naar verwachting zal ondervinden.

2.15 Ten aanzien van de ernst van de moeilijkheden die de echtgeno(o)t(e) in het bestemmingsland naar verwachting zal ondervinden, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat aan de echtgenote en kinderen van verzoeker ‘nimmer een ‘echte’ vluchtelingenstatus is verleend doch een vergunning wegens tijdoverschrijding in de asielprocedure’. Uit het dossier blijkt dat aan verzoekers echtgenote bij besluit van 11 september 1996 een zogenaamde “Nawijn - vergunning tot verblijf (vtv)” is verleend. Verweerder kon ter zitting niet nader aangeven op welke grond(en) deze vergunningen destijds zijn verleend. Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat de verlening van zulke vtv’s toentertijd gebaseerd was op afkomst uit een bepaald land, in dit geval Angola. Gelet op het voorgaande kan verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt stellen dat het uitoefenen van gezinsleven tussen verzoeker en zijn echtgenote en kinderen kan plaatsvinden in Angola.

2.16 Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter, na weging van de wederzijdse belangen, aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen in dier voege dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geschorst zullen worden totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist.

2.17 Het verzoek verweerder te verbieden hem uit Nederland te verwijderen totdat op het bezwaar is beslist, zal de voorzieningenrechter afwijzen. Vast staat dat verzoeker niet beschikt over een verblijfstitel en dat hem op dit moment geen rechtmatig verblijf in Nederland toekomt. Aan zijn gronden tegen de ongewenstverklaring kan verzoeker geen uitzettingsverbod ontlenen, omdat de enkele uitspraak omtrent de ongewenstverklaring hem niet een recht op verblijf hier te lande kan opleveren. Het beroep op 3 EVRM maakt dat, zoals hiervoor overwogen, thans niet anders.

2.18 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.19 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb zal de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 schorst de ongewenstverklaring van verzoeker totdat op het bezwaar van 6 maart 2006 is beslist;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening voor het overige af;

3.3 veroordeelt verweerder in de kosten ad € 644,- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan verzoeker te voldoen;

3.4 draagt de Staat der Nederlanden op het betaalde griffierecht ad € 141,- aan verzoeker te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries – van den Heuvel, voorzieningenrechter, en op 26 juli 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. P.C. Ypma, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.