Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY6447

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-01-2006
Datum publicatie
17-08-2006
Zaaknummer
AWB 05/3719
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2007:BA4872, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in zijn aangifte op het door hem genoten resultaat een arbeidsbeloning voor zijn echtgenote in mindering gebracht. In geschil is of eiser recht heeft op aftrek van de genoemde arbeidsbeloning en meer in het bijzonder of de echtgenote werkzaamheden heeft verricht die de wederzijdse hulp en bijstand van echtgenoten te boven gaan. De rechtbank is van oordeel dat van de door eiser aangevoerde uren er 750 de tussen echtgenoten gebruikelijke bijstand te boven gaan. Nu tussen de echtgenoten een arbeidsbeloning overeen is gekomen, welke arbeidsbeloning de rechtbank zakelijk acht, brengt dit mee dat bij de vaststelling van het belastbare inkomen een arbeidsbeloning voor de echtgenote van eiser voor aftrek in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2006/18.4
V-N 2006/57.2.3
FutD 2006-1534
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3719

Uitspraakdatum: 5 januari 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 25 april 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2001 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 82.018.

Zitting:

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2005.

Namens eiser is verschenen P. Jongeneel. Namens verweerder is verschenen mr. C.P. Jonkers.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.715, en overigens met inachtneming van de elementen die bij het vaststellen daarvan in aanmerking zijn genomen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar als predikant bij de [kerkelijke gemeente] [plaats] gewerkt. Hij geniet uit dien hoofde resultaat uit overige werkzaamheden. In zijn aangifte heeft belanghebbende een arbeidsbeloning voor zijn echtgenote op het door hem genoten resultaat in mindering gebracht van € 11.345. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder dit bedrag niet in aftrek aanvaard.

2.2. Tussen partijen is in geschil of eiser recht heeft op aftrek van de onder 2.1 genoemde arbeidsbeloning en meer in het bijzonder of de echtgenote werkzaamheden heeft verricht die de wederzijdse hulp en bijstand van echtgenoten te boven gaan en die een beloning van € 11.345 of in elk geval ten minste € 5.000 rechtvaardigen.

2.3 Eiser heeft ter ondersteuning van zijn beroep - zakelijk samengevat - het volgende aangevoerd:

- eiser en zijn echtgenote hebben met ingang van 1998 een meewerkovereenkomst gesloten;

- de aantallen uren die de echtgenote van eiser aan werkzaamheden ten behoeve van eiser heeft besteed, zijn - na vragen hierover van verweerder - door eiser geschat op:

- Zieken- en bejaardenbezoek 150

- Kraambezoek 150

- Ontvangst van diverse personen thuis 150

- Afhandelen telefoon 300

- Het voeren van de administratie 25

- Het begeleiden van haar man naar adressen 150

- Het chauffeuren naar adressen 150

- Etc. etc.

Totaal 1.025;

- de hiervoor genoemde werkzaamheden gaan de wederzijdse bijstand die tussen echtgenoten gebruikelijk is te boven. Het gaat niet alleen om primair representatieve activiteiten waarnaar de echtgenote eiser vervoert en begeleidt. Het zieken, bejaarden- en kraambezoek is een essentiëel onderdeel van de taakuitoefening van eiser, dat niet alleen voortkomt uit de maatschappelijke positie van eiser. Het beantwoorden van de telefoon is niet bijkomstig, nu eiser vanuit huis werkt en alle telefonische contacten via huis lopen;

- er zijn slechts drie predikanten binnen het kerkverband van 50 gemeenten, waardoor meer werkzaamheden op de schouders van (de echtgenote van) de predikant terecht komen dan in een 'gewone' kerkelijke gemeente;

- de hoogte van de vergoeding (€ 11,07 per uur) is zakelijk, gezien de aard en het niveau van de werkzaamheden.

- voor de jaren 1998 en 1999 is ook een arbeidsbeloning in aftrek gebracht.

2.4. Verweerder heeft het beroep van eiser gemotiveerd weersproken. Hij heeft daarbij aangevoerd dat:

- de werkzaamheden niet de tussen echtgenote gebruikelijke wederzijdse bijstand te boven gaan;

- de echtgenote ook geen opleiding heeft (voor kerkelijk werker of voor het voeren van een administratie) die haar in het bijzonder geschikt maakt voor de werkzaamheden;

- eiser bovendien het aantal uren niet aannemelijk heeft gemaakt. Er wordt geen administratie of agenda bijgehouden;

- bij de vaststelling van de aanslag over 1998 de aftrek van de meewerkbeloning per abuis is geaccepteerd, voor 1999 echter niet.

2.5. Voor het antwoord op de vraag of een arbeidsbeloning voor aftrek in aanmerking komt is van belang of sprake is van een zakelijke (reële) beloning voor arbeid van de partner, welke arbeid een zekere omvang moet hebben en slechts in aanmerking zal kunnen worden genomen voor zover deze de hulp en bijstand die onder echtgenoten gebruikelijk is te boven gaat. Is dat niet het geval dan hebben de werkzaamheden niet plaatsgevonden in het economische verkeer. Voorts komt betekenis toe aan de omvang van de werkzaamheden die, indien zij niet door de partner worden verricht, door een derde zouden moeten worden verricht. Bij dit alles dient rekening te worden gehouden met de plaats in de samenleving van de echtgenoot die de werkzaamheden verricht.

2.6. De rechtbank acht, uitgaande van hetgeen partijen daarover over en weer hebben gesteld, aannemelijk dat de echtgenote van eiser de door hem gestelde werkzaamheden heeft verricht en eveneens dat deze de door eiser geschatte tijd in beslag hebben genomen. Dat de echtgenote van eiser geen specifieke opleiding voor de werkzaamheden heeft genoten leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank is voorts van oordeel dat, in een geval als het onderhavige, het onder echtgenoten gebruikelijk is dat met bijstand in de vorm van de door eiser aangevoerde werkzaamheden hooguit een uur per werkdag is gemoeid. In verband hiermee is de rechtbank van oordeel dat van de door eiser aangevoerde uren er 750 de tussen echtgenoten gebruikelijke bijstand te boven gaan. Nu tussen de echtgenoten een arbeidsbeloning van € 11,07 overeen is gekomen, welke arbeidsbeloning de rechtbank zakelijk acht, brengt dit mee dat bij de vaststelling van het belastbare inkomen een arbeidsbeloning voor de echtgenote van eiser van € 8.303 voor aftrek in aanmerking komt. Voor het in aanmerking nemen van een hoger uurloon is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats.

2.7. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en het belastbare inkomen uit werk en woning verlaagd naar € 73.715 (€ 82.018 verminderd met € 8.303). De overige stellingen van partijen behoeven geen behandeling meer.

2.8. In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 5 januari 2006 door mr. G.J. van Leijenhorst in tegenwoordigheid van mr. C.D. Loen, griffier. De beslissing is dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.