Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY6119

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2006
Datum publicatie
16-08-2006
Zaaknummer
AWB 05/6626 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Buitengewone uitgaven. Hoogbegaafd kind. IVRK. Meerderheidsregel. Kosten die eiser maakt in verband met het door zijn hoogbegaafde dochter gevolgde onderwijs kunnnen niet als buitengewone uitgaven worden aangemerkt. De Wet IB 2001 is op dit punt niet in strijd met het IVRK. Voor de toepasing van de meerderheidsregel kan één geval geen meerderheid van gevallen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Vp-bulletin 2006, 44
FutD 2006-1530
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/6626 IB/PVV

Uitspraakdatum: 11 juli 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], kantoor [Q], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag (aanslagnummer [000.00.000.0.00]) in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 91.067.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 september 2005 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 18 september 2005, ontvangen bij de rechtbank op 21 september 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2006 te 's-Gravenhage.

Eiser is daar in persoon verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Namens verweerder zijn verschenen E.A.K.W. van de Wijngaart en drs. R.R. Janssen.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde eiser in de gelegenheid te stellen zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel nader te onderbouwen. Eiser heeft het beroep bij brief van 21 april 2006 nader onderbouwd. Verweerder heeft bij schrijven van 2 mei 2006 op voormelde brief van eiser gereageerd. Op 13 mei 2006 heeft eiser een reactie op het schrijven van verweerder ingezonden.

De rechtbank heeft vervolgens, met schriftelijk instemming van partijen, bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

De dochter van eiser, [dochter van eiser], geboren op [geboortedatum] 1988, is vanwege haar hoogbegaafdheid onderwijs gaan volgen op het [Instituut A] te [R] (hierna: [Instituut A]).

Voor het jaar 2002 heeft eiser aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 86.614. Eiser heeft daarbij de kosten van het volgen van particulier onderwijs van zijn dochter aan

[Instituut A] ad € 4.453 als buitengewone uitgaven opgevoerd.

Verweerder heeft bij het vaststellen van de aanslag een correctie toegepast en het inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 91.067. Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.

3. Geschil

In geschil is of de kosten van het particuliere onderwijs van [dochter van eiser] als uitgaven wegens ziekte kunnen worden aangemerkt, welke vraag door eiser bevestigend en door verweerder ontkennend wordt beantwoord. Eiser heeft voorts een beroep gedaan op het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) alsmede op het gelijkheidsbeginsel.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 86.614. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) worden - voor zover hier van belang - als uitgaven wegens ziekte en invaliditeit aangemerkt de daarmee verband houdende uitgaven voor genees- en heelkundige hulp, met inbegrip van farmaceutische en andere hulpmiddelen en vervoer.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten, verbonden aan het volgen van onderwijs door [dochter van eiser] aan [Instituut A], naar hun aard niet als uitgaven wegens ziekte in de zin van artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 kunnen worden aangemerkt.

Anders dan eiser kennelijk meent kan het volgen van onderwijs aan [Instituut A] niet als medische (re)validatie worden aangemerkt. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. De dochter van eiser ontving aan [Instituut A] normaal onderwijs, gericht op het behalen van het HAVO-diploma. Aan [Instituut A] waren geen medici en parmedici verbonden. Van een complex van onderling samenhangende en op elkaar afgestemde maatregelen door middel waarvan op aanwijzing van een medicus werd gepoogd de fysieke en psychische toestand van de dochter tot een optimale graad op te voeren, dan wel zo goed mogelijk in stand te houden en haar in staat te stellen, mede door onderwijs, te geraken tot een voor haar passende plaats in de samenleving, is dan ook geen sprake (vergelijk Hoge Raad 15 oktober 1997, nr. 32.615, BNB 1997/392).

In hetgeen eiser met betrekking tot het IVRK heeft aangevoerd is evenmin grond gelegen de uitspraak op bezwaar te vernietigen. De bepalingen van het IVRK waarop eiser zich beroept - nog daargelaten of deze rechtstreekse werking hebben - verplichten verweerder niet om bij de belastingheffing van eiser met de belangen van de dochter van eiser in verdergaande mate rekening te houden dan hij reeds op grond van de Wet IB 2001 moet doen. Dat de heffing van de Nederlandse inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, doordat kosten als hier bedoeld in beginsel niet aftrekbaar zijn, inbreuk zou maken op de rechten van eisers kind, valt niet in te zien (vergelijk HR 29 september 1999, nr. 33 936, BNB 1999/423).

Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank leest in de onderbouwing van het beroep een beroep op de meerderheidsregel. Deze regel houdt in dat aan het gelijkheidsbeginsel de voorrang moet worden gegeven boven het beginsel dat de wet moet worden toegepast, indien verweerder gelijke gevallen ongelijk behandelt in die zin dat hij in de meerderheid van de met het geval van de betrokken belastingplichtige vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege heeft gelaten. Eiser heeft zich erop beroepen dat in twee gevallen de kosten voor speciaal onderwijs aan hoogbegaafde kinderen in aftrek zijn toegelaten. Uit de onderbouwing van het beroep van 21 april 2006 blijkt evenwel dat in ieder geval in één van de door eiser met name genoemde gevallen alsnog de aftrek is geweigerd. Derhalve heeft in dat geval uiteindelijk een juiste wetstoepassing plaatsgevonden. Dit brengt mee dat er, aannemende dat in het andere door eiser genoemde geval wel een kostenaftrek is verleend, er slechts één met eisers situatie vergelijkbaar geval is waarin een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Omdat één geval geen meerderheid van gevallen kan zijn, faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Met betrekking tot het in eisers reactie van 13 mei 2006 op het schrijven van verweerder van 2 mei 2006 vervatte beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank het volgende. Van een door verweerder bij eiser gewekt, rechtens te honoreren vertrouwen is geen sprake, reeds omdat eiser de bij hem levende verwachting over de fiscale behandeling van de gemaakte kosten niet baseert op een doen of laten van verweerder, doch op informatie die hij heeft vergaard door navraag te doen bij bekenden. Aan uitlatingen van bekenden kan eiser niet het vertrouwen ontlenen dat verweerder jegens hem een bepaalde gedragslijn zal volgen. Derhalve faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 11 juli 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van mr. M.A.H. Strik, griffier.