Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY5840

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
15-08-2006
Zaaknummer
AWB 05/2992 OB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres drijft een eenmanszaak als schoonheidsspecialiste/pedicure. In de adminstratie van de onderneming van eiseres ontbreken agenda's en kladaantekeningen voor omzetstaten. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet aan de bewaarplicht als bedoeld in artikel 34 Wet OB in samenhang met artikel 31, lid 1, onderdeel a, Uitvoeringsbeschikking en artikel 52, lid 4, AWR heeft voldaan, hetgeen tot omkering van de bewijslast leidt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met hetgeen zij heeft aangevoerd niet doen blijken dat de uitspraak op bezwaar onjuist was. De stelling dat het door verweerder berekende netto-prive niet is gevormd door werkzaamheden verricht door eiseres en dat derhalve het op basis van een theoretische berekening toerekenen van dat negatieve netto prive aan de omzet van eiseres volstrekt onjuist is, is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft het belastbare inkomen in redelijkheid vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2006/17.6
V-N 2007/6.17 met annotatie van Redactie
FutD 2006-1533
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2992 OB

Uitspraakdatum: 4 juli 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], kantoor [Q], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak

1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 (aanslagnummer [000.00.00.0.00.0000]) opgelegd ten bedrage van ƒ 15.118, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van ƒ 7.559.

1.2. Verweerder heeft met betrekking tot de in 1.1. genoemde naheffingsaanslag bij beschikking aan eiseres heffingsrente in rekening gebracht.

1.3. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 30 maart 2005 de vorengenoemde naheffingsaanslag, vergrijpboete, heffingsrente, alsmede de in 1.7, onder AWB 05/2994 IB/PVV, genoemde navorderingsaanslagen, vergrijpboeten en heffingsrenten gehandhaafd.

1.4. Eiseres heeft daartegen bij brief van 29 april 2005, ontvangen bij de rechtbank op 2 mei 2005, beroep ingesteld.

1.5. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2006 te 's-Gravenhage.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [echtgenoot] en haar gemachtigde R.R.A. Goelabdhien. Namens verweerder zijn verschenen mr. B. Bijl en mr. J.J.M. Snieders. Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.7. Tevens zijn ter zitting de navolgende beroepen behandeld:

- AWB 05/2994 IB/PVV: inzake de aan eiseres opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1999, 2000 en 2001, de bij beschikking opgelegde vergrijpboeten voor de jaren 1999 en 2000, de bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrenten, alsmede de navorderingsaanslag WAZ voor het jaar 1999;

- AWB 05/2991 IB/PVV: inzake de aan de echtgenoot van eiseres opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1999, 2000 en 2001, de bij beschikking opgelegde vergrijpboeten voor de jaren 1999, 2000 en 2001, de navorderingsaanslag WAZ voor de jaren 2000 en 2001, alsmede de bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrenten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres drijft sinds 1999 een eenmanszaak onder de naam "[naam bedrijf]". De ondernemingsactiviteiten bestaan uit het werk als schoonheidsspecialiste en pedicure. Eiseres is voor die activiteiten ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting (hierna: de Wet). Op het adres [adres] te [Q] is de schoonheidssalon van eiseres gevestigd. De pedicurewerkzaamheden verricht eiseres bij de mensen thuis alsmede in het Verzorgingshuis [verzorgingshuis].

2.2. Verweerder heeft in 2003 een boekenonderzoek ingesteld naar de door de echtgenoot van eiseres genoten inkomsten over de jaren 1999 tot en met 2001 en de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de WAZ voor de jaren 1999 tot en met 2001 van eiseres en de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 van eiseres. De uitkomsten van het boekenonderzoek ten aanzien van eiseres zijn neergelegd in een controlerapport van verweerder van 2 juli 2004. Een kopie van het controlerapport behoort tot de gedingstukken.

2.3. In voormeld controlerapport staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"12.3 Administratie

(...)

De agenda's zijn niet bij de administratie bewaard gebleven. Volgens [eiseres] zijn de agenda's vermoedelijk terecht gekomen in een doos, welke naar haar broer in Suriname is gestuurd. De agenda vormt voor een pedicure en voor een schoonheidsspecialiste een belangrijk onderdeel van de administratie. Hierin worden namelijk afspraken vermeld en daarom is de agenda tevens een belangrijk controlemiddel voor de Belastingdienst.

Per maand wordt er door [eiseres] een overzicht bijgehouden waarop de contante ontvangsten en uitgaven vermeld worden. De maandelijkse inkomsten worden in één bedrag, gesplitst naar massage en pedicurewerkzaamheden, in het overzicht vermeld. (...) Er worden geen data in het overzicht vermeld. Aan het eind van de maand worden de ontvangsten en uitgaven gesaldeerd. Het betreft hier echter een administratief kassaldo. Er vindt geen kascontrole (vergelijking met het werkelijk aanwezige kassaldo) plaats. (...)

Aan het eind van 1999 en 2001 zijn er negatieve administratieve kassaldi ontstaan van respectievelijk f. 4.561,27 en f. 772,18. Middels een privé-storting is het kassaldo op nihil geboekt.

(...)

12.3.1 Verwerpen administratie

De administratie van [eiseres] voldoet niet aan de wettelijke eisen. De administratie kan niet dienen als basis voor een juiste fiscale winstberekening en wordt daarom verworpen. Samengevat zijn de volgende gebreken vastgesteld:

- Het ontbreken van een deugdelijke kasadministratie (zie paragraaf 2.3.) en

- De uitkomst van de privé-vermogensvergelijking (zie hoofdstuk 3).

Door het hiervoor genoemde, heeft [eiseres] niet voldaan aan de administratieverplichting vermeld in artikel 52 lid 6 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit heeft tot gevolg dat in het geval een bezwaarschrift de belastingaanslag gehandhaafd blijven, tenzij gebleken is, dat en in hoeverre hij onjuist is (omkering bewijslast (artikel 25 lid 6 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)). Deze omkering van de bewijslast geldt ook in het geval belastingplichtige tegen de uitspraak op het bezwaarschrift beroep instelt (artikel 27e letter b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).

(...)

12.3.2. Niet voldoen aan de bewaarplicht

[Eiseres] heeft niet voldaan aan de bewaarplicht ingevolge artikel 52 lid 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Ik heb namelijk geconstateerd dat zij haar agenda's van 1999 tot en met 2001 niet heeft bewaard. Volgens [eiseres] zijn haar agenda's zoekgeraakt. Omdat alle afspraken in de agenda worden genoteerd, maakt deze deel uit van haar administratie.

(...)

13.1 Omzet

(...)

De aangegeven omzet per jaar is:

- 1999: f. 35.094;

- 2000: f. 33.653;

- 2001: f. 32.061.

Om te kunnen beoordelen of het voor privé-uitgaven beschikbare bedrag van [eiseres] voldoende moet zijn geweest, heb ik voor 1999 tot en met 2001 een vermogensvergelijking gemaakt. De berekening van de vermogensvergelijking is in paragraaf 3.1.1 opgenomen. Bij de vermogensvergelijking ben ik uitgegaan van het gezamenlijke inkomen en vermogen van [eiseres] en haar echtgenoot. Uit de vermogensvergelijking is gebleken dat [eiseres] en haar echtgenoot over 1999 tot en met 2001 per jaar een negatief netto privé hebben van respectievelijk f. 42.957, f. 85.810 en f. 136.570. Ik concludeer hieruit dat er in 1999 tot en met 2001 door [eiseres] en haar echtgenoot meer omzet cq. inkomen is behaald dan dat er is aangegeven. Bovenop het netto privé komt er jaarlijks nog een bedrag in verband met de eerste levensbehoeften, zoals eten, drinken en kleding, uitgaven voor persoonlijke verzorging en overige privé-uitgaven. Ik ga uit van een bedrag van f. 750 per maand, dat is f. 9.000 per jaar.

Volgens [de echtgenoot van eiseres] wordt (een deel van) het negatieve privé verklaard door nabetalingen met betrekking tot [A] BV, alsmede door ontvangen aflossingen van leningen in privé aan klanten, familie en vrienden. (...) Op twee bankafschriften van bankrekening [nummer bankrekening] staat als omschrijving "terugbetaling lening". Het gaat om ontvangsten van ƒ 5.000 (13 augustus 1999) en ƒ 15.000 (16 februari 2001). Omdat ik geen overeenkomsten heb ontvangen, kan ik niet beoordelen wanneer de leningen zijn aangegaan en kan ik niet bepalen of de leningen als vorderingen in de vermogensvergelijking moeten worden opgenomen.

Ik ga er daarom vanuit dat er door [eiseres] en haar echtgenoot gezamenlijk over 1999 tot en met 2001 respectievelijk f. 51.957, f. 94.810 en f. 145.570 te weinig omzet cq. inkomen (inclusief omzetbelasting) is aangegeven.

Ik ga er vanuit dat een deel van bovenstaande bedragen door [eiseres] behaald is. Ik heb daarom berekend welke omzet zij in redelijkheid behaald kan hebben. Tijdens het inleidend gesprek op 28 februari 2003 heeft zij aangegeven de volgende tarieven te hanteren:

- Pedicure aan huis: f 15 (inclusief omzetbelasting) per klant (behandeling 1/2 uur per klant);

- Pedicure in verzorgingshuis: f 14 (inclusief omzetbelasting) per klant (behandeling 1/2 uur per klant);

- Schoonheidssalon: f 30 (inclusief omzetbelasting) per klant (behandeling van 5 kwartier)

Rekening houdend met de jaarlijkse prijsstijgingen ga ik uit van een te behalen omzet van f. 55 (inclusief omzetbelasting) per uur in het controletijdvak. Ik ga uit van 46 werkweken per jaar van 40 uur, dat zijn 1840 uren. Ik ga er vanuit dat 40% van haar tijd opgaat aan vervoer, voorbereiding, afzeggingen etc. Dit betekent dat zij 1104 directe uren heeft gewerkt. Haar omzet zou dan f. 60.720 per jaar bedragen (inclusief omzetbelasting). Exclusief omzetbelasting is dit in 1999 en 2000 ƒ 51.677 en in 2001 f. 51.025.

(...)

16.1 Verschuldigde omzetbelasting

Ik heb de over 1999 tot en met 2001 verschuldigde omzetbelasting van [eiseres] als volgt berekend:

1999 2000 2001

Omzet exclusief omzetbelasting f. 51.677 f. 51.677 f. 51.025

Verschuldigde omzetbelasting f. 9.043 f. 9.043 f. 9.694

+/+ Omzetbelasting over privé-gebruik auto f. 360 f. 360 f. 450

-/- Voorbelasting f. 3.352 f. 3.292 f. 1.992

Af te dragen omzetbelasting f. 6.051 f. 6.111 f. 8.152

-/- Aangegeven op aangifte f. 646 Nihil f. 4.550

Naheffing f. 5.405 f. 6.111 f. 3.602

In 1999 en 2000 is aanvankelijk de kleine-ondernemersregeling voor de omzetbelasting toegepast. Het gaat om respectievelijk f. 2.503 en f. 2.958. Deze bedragen zijn tot de winst van [eiseres] gerekend. Omdat er volgens bovenstaande berekening geen recht bestaat op toepassing van de kleine-ondernemersregeling, corrigeer ik de aangegeven winst van 1999 en 2000 met respectievelijk f. 2.503 en f. 2.958.".

(...)

19 Naheffingsaanslag Omzetbelasting

Over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 zal ik een naheffingsaanslag omzetbelasting opleggen van

f. 15.118 (€ 6.860). (...)

19.1 Boete

Over de naheffingsaanslag leg ik een boete op van 50%, dat is f. 7.559 (€ 3.430).

Op grond van artikel 67f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 25, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 wordt een boete opgelegd van 50% wanneer er sprake is van (voorwaardelijk) opzet.

De administratie voldeed niet aan de wettelijke eisen en kon niet dienen als basis voor een juiste fiscale winstberekening. De redenen hiervoor zijn:

- Het ontbreken van een deugdelijke kasadministratie en

- De uitkomst van de privé-vermogensvergelijking.

Ik heb daarom de administratie verworpen. Op basis van de uitkomst van de gezamenlijke privé-vermogensvergelijking van u en uw echtgenoot heb ik uw omzet van 1999 tot en met 2001 gecorrigeerd met respectievelijk f. 16.583, f 18.024 en f. 18.964. De gecorrigeerde omzet is aanzienlijk hoger dan de aangegeven omzet. Daarom is er mijns inziens sprake van het willens en wetens verzwijgen van omzet. Er is dan naar mijn mening dan ook opzettelijk te weinig omzetbelasting afgedragen.

Op 16 juni 2004 heb ik in verband met de boete een kennisgevingbrief aan [eiseres] gestuurd. (...) Op de kennisgevingbrieven heb ik geen reactie ontvangen."

2.4. Bij het vaststellen van de onderhavige naheffingsaanslag en vergrijpboete heeft verweerder de conclusies en berekeningen uit het controlerapport gevolgd.

3. Geschil

3.1. In geschil is of:

- de onderhavige naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd. Hierbij is tevens in geschil of de boekhouding door verweerder op goede gronden is verworpen en de bewijslast dient te worden omgekeerd en op eiseres dient te rusten;

- de vergrijpboete terecht en naar een juist bedrag is opgelegd;

- aan eiseres terecht heffingsrente in rekening is gebracht.

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag, de vergrijpboete en de in rekening gebrachte heffingsrente. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Omkering van de bewijslast en naheffingsaanslag

4.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de administratie van eiseres zodanige gebreken vertoont, dat zij niet voldoet aan de in artikel 34 van de Wet op de omzetbelasting (hierna: de Wet) en in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gestelde vereisten. In verband hiermee concludeert verweerder tot omkering van de bewijslast.

4.2. Artikel 34, eerste lid, van de Wet bepaalt dat de ondernemer gehouden is aantekening te houden van, voor zover hier van belang, de door hem en aan hem verrichte leveringen van goederen en verleende diensten alsmede van andere gegevens die voor de heffing van omzetbelasting van belang zijn. Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder deel a, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: Uitvoeringsbeschikking) dienen bedoelde aantekeningen door de ondernemer te worden bewaard gedurende de termijn als bedoeld in artikel 52, vierde lid, van de AWR. Ingevolge voormelde bepaling is de ondernemer verplicht de aantekeningen gedurende zeven jaren te bewaren.

4.3. Vaststaat dat eiseres de agenda's van de jaren 1999 tot en met 2001 niet heeft bewaard. Voorts heeft verweerder onweersproken gesteld dat ook de kladaantekeningen die werden gebruikt voor het opmaken van omzetstaten niet bewaard zijn gebleven. Nu dergelijke bescheiden in een onderneming als het onderhavige, waar veel contante betalingen worden verricht, van essentieel belang zijn voor een betrouwbare (kas)administratie, is de rechtbank van oordeel dat het ontbreken van deze bescheiden moet leiden tot de conclusie dat eiseres niet heeft voldaan aan de bewaarplicht als bedoeld in artikel 34 van de Wet in samenhang met artikel 31, eerste lid, aanhef en onder deel a, van de Uitvoeringsbeschikking en artikel 52, vierde lid, van de AWR. De stelling van eiseres dat zij door haar boekhouder - een voormalig medewerker van de Belastingdienst - niet op de hoogte was gesteld dat zij een bewaarplicht had, doet aan voormeld oordeel niet af, aangezien dit een omstandigheid betreft die voor risico van eiseres als bewaarplichtige komt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van de bescheiden een gevolg was van overmacht als bedoeld in artikel 54 van de AWR. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, leidt evenmin tot een ander oordeel.

4.4. Nu eiseres niet aan haar bewaarplicht heeft voldaan, brengt het bepaalde in artikel 36 van de Wet in samenhang met artikel 27e, eerste volzin, aanhef, onderdeel b, en slot, van de AWR, mee dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het ligt dan op de weg van eiseres om overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. De rechtbank acht eiseres daarin niet geslaagd. De in het beroepschrift opgenomen stelling dat het door verweerder berekende netto privé niet is gevormd door werkzaamheden verricht door eiseres en dat derhalve het op basis van een theoretische berekening toerekenen van dat negatieve privé aan de omzet van eiseres volstrekt onjuist is, is daarvoor onvoldoende. Ook uit de door eiseres bij het beroepschrift als productie 2 overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de aanslag onjuist is. De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat eiseres haar verklaringen die in de bezwaarfase zijn gedaan naar aanleiding van het door de controlerende ambtenaar berekende negatief privé, zoals dat er onder meer sprake is geweest van aflossingen van privé-leningen en van casinowinsten, niet, althans onvoldoende, met onderbouwingen of stukken heeft kunnen bewijzen, terwijl dat gelet op de door verweerder gestelde omkering van de bewijslast, op haar weg gelegen had. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres geen verweer heeft gevoerd ten aanzien van de aanwezigheid van niet in de aangiftes inkomstenbelasting verwerkte vermogensbestanddelen.

4.5. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op de door hem gemaakte vermogensvergelijking en de bevindingen in het controlerapport, aannemelijk heeft gemaakt dat de omzetcorrecties op een redelijke schatting berusten. De door verweerder gehanteerde uitgangspunten voor zijn theoretische omzetberekening acht de rechtbank, rekening houdende met het feit dat eiseres in 1999 een onderneming is gestart en het door eiseres in de bezwaarschriften genoemde gemiddelde tarief van f 15 per half uur, niet onredelijk. Eiseres heeft onvoldoende gesteld op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat verweerder bij de berekening van de omzetcorrecties van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene is de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag opgelegd.

Heffingsrente

4.7. Het beroep van eiseres strekt zich ook uit tot het berekenen van heffingsrente. Eiseres heeft dienaangaande geen afzonderlijke grieven aangevoerd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiseres slechts beoogd heeft te stellen dat bij een verlaging van de onderhavige naheffingsaanslag de te betalen heffingsrente dienovereenkomstig moet worden verminderd. Nu de naheffingsaanslag niet worden verlaagd, is voor een vermindering van de te betalen heffingsrente geen plaats.

Vergrijpboete

4.8. Ten aanzien van de vergrijpboete heeft verweerder, gelet op de door hem gemaakte vermogensvergelijking en de bevindingen in het controlerapport, aannemelijk gemaakt dat eiseres een aanzienlijk deel van haar omzet niet heeft verantwoord. Nu voorts is komen vast te staan dat eiseres niet heeft voldaan aan haar bewaarplicht, is de rechtbank van oordeel dat het aan voorwaardelijke opzet van eiseres is te wijten dat te weinig belasting is betaald. Gelet op de omvang van de correcties (zowel in absolute als in relatieve zin) in samenhang met het vorenoverwogene acht de rechtbank, in de gegeven omstandigheden, een vergrijpboete van 50 percent passend en vanuit het oogpunt van norminscherping geboden. Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, die aanleiding geven tot matiging dan wel vernietiging van de vergrijpboete.

Conclusie

4.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 juli 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. T. van Rij, mr. J.P.F. Slijpen en mr. K.M. Braun in tegenwoordigheid van mr. U.A. Salomons, griffier.