Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY5653

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2006
Datum publicatie
04-08-2006
Zaaknummer
248484
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding geregistreerd partnerschap en voorzieningen met betrekking tot minderjarige. Nu er gezien de behoefte aan het treffen van nevenvoorzieningen voor minderjarige kinderen bij ontbinding van het geregistreerd partnerschap weliswaar niet letterlijk doch wèl de facto een leemte in de huidige wetgeving is, bestaat er, mede gezien de inhoud van de [...]geciteerde Memorie van Toelichting, naar het oordeel van de rechtbank voldoende reden om, vooruitlopend op de invoering van het wetsvoorstel 30 145, reeds voor het huidige recht aan te nemen dat de vrouw in haar verzoek ontvankelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Scheiding

6x

rekestnummer : FA RK 05-4653

zaaknummer : 248484

datum beschikking : 06 maart 2006

BESCHIKKING op het op 12 augustus 2005 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. T.G. Brown-Knip.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. J.J.P.M. Benders.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de brief (met bijlagen) d.d. 1 december 2005 van de zijde van de vrouw;

- de brief (met bijlagen) d.d. 14 december 2005 van de zijde van de man;

- de brief (met bijlagen) d.d. 12 januari 2006 van de zijde van de man;

- de faxbrief d.d. 17 januari 2006 van de zijde van de vrouw;

- de faxbrief d.d. 18 januari 2006 van de zijde van de man.

De minderjarige [A] heeft schriftelijk haar mening kenbaar gemaakt.

Ter terechtzitting van 23 januari 2006 is geen der partijen verschenen.

VERZOEK EN VERWEER

Het verzoek van de vrouw strekt tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, met nevenvoorzieningen tot:

- bepaling dat het minderjarig kind van partijen voortaan haar gewone verblijfplaats bij de man zal hebben,

- vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ad € 1.000,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen,

- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert - onder referte voor het overige - gemotiveerd verweer tegen de verzochte partneralimentatie.

BEOORDELING

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

1. De ontbinding van het geregistreerd partnerschap

De vrouw heeft onweersproken gesteld dat partijen op [datum] 1985 in de gemeente [gemeente] met elkander zijn gehuwd. Blijkens authentiek bewijsstuk is dit huwelijk op [datum] 2004 in de gemeente [woonplaats] omgezet in een geregistreerd partnerschap. Partijen hebben een minderjarig kind.

De gestelde duurzame ontwrichting van het geregistreerd partnerschap is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

2. De gewone verblijfplaats van de minderjarige

De vrouw heeft verzocht de gewone verblijfplaats van de minderjarige bij de man te bepalen.

De vraag rijst of de vrouw in dit verzoek kan worden ontvangen, gelet op de omstandigheid dat in art. 828 Rv. is bepaald dat op een ontbinding van een geregistreerd partnerschap de bepalingen verband houdende met minderjarige kinderen zoals deze gelden betreffende rechtspleging in scheidingszaken niet van overeenkomstige toepassing zijn.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Het is niet de bedoeling geweest van de wetgever om gecombineerde verzoeken tot ontbinding van geregistreerd partnerschap en voorzieningen voor minderjarige kinderen categorisch uit te sluiten (vgl. MvT kamerstukken 23 761, p.10). Voorts heeft de wetgever er kennelijk niet bij stil gestaan dat sinds 1 januari 2002 ook over een staande geregistreerd partnerschap geboren kind de ouders van rechtswege het gezamenlijk gezag uitoefenen (art. 1:253aa BW, zie verder art. 1:253sa BW voor de situatie dat een kind staande geregistreerd partnerschap is geboren en slechts één van die partners zijn ouders is). Dientengevolge bestaat ook in een procedure tot ontbinding van geregistreerd partnerschap behoefte aan het treffen van nevenvoorzieningen ter zake van kinderen. Behandeling van het verzoek van de vrouw in het kader van deze procedure is ook proceseconomisch: partijen en de rechtbank zijn gebaat bij een gecombineerde en snelle afdoening van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap en de beslissing omtrent de gewone verblijfplaats. Ook voor minderjarige kinderen is het van belang dat er bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap duidelijkheid bestaat over de geschillen die hen aangaan.

Dat de wetgever bij de op 1 januari 2002 in werking getreden wetswijziging kennelijk niet bewust heeft stilgestaan bij de consequenties van het bepaalde in art. 828 Rv vindt bevestiging in het thans aanhangige wetsvoorstel betreffende Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding), kamerstukken nr. 30 145:

"Artikel II

De Zesde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd: (...)

E:

In artikel 828 vervalt: met uitzondering van artikel 819 en de bepalingen verband houdende met minderjarige kinderen.

Hieruit volgt dat in genoemd wetsvoorstel juist de bepaling waarop de ontvankelijkheid in dit geval zou afstuiten wordt geschrapt. Zie hierover tevens de Memorie van Toelichting op p.10:

"Onderdeel E (artikel 828)

Door de wijziging is het mogelijk om bij ontbinding van een geregistreerd partnerschap voorlopige voorzieningen en nevenvoorzieningen te treffen die verband houden met minderjarige kinderen en is het bovendien mogelijk dat, in geval van een gezamenlijk verzoekschrift, de afspraken in de beschikking kunnen worden opgenomen. Bij de invoering van het geregistreerd partnerschap had registratie beperkte gevolgen voor de kinderen. Registratie had dezelfde gevolgen als het huwelijk met uitzondering van de familierechtelijke betrekkingen met de kinderen. Door de op 1 januari 2002 in werking getreden wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het gezamenlijk gezag van rechtswege bij geboorte tijdens een geregistreerd partnerschap (Stb. 2001, 468) is dit gewijzigd, omdat geregistreerde partners nu van rechtswege het gezamenlijk gezag over het staande hun geregistreerd partnerschap geboren kinderen kunnen verwerven (artikelen 253aa en 253sa). Bij de ontbinding van een geregistreerd partnerschap ligt het derhalve voor de hand dat het mogelijk is om voorlopige voorzieningen en nevenvoorzieningen te verzoeken, die verband houden met minderjarige kinderen. (cursief Rb.)"

Nu er gezien de behoefte aan het treffen van nevenvoorzieningen voor minderjarige kinderen bij ontbinding van het geregistreerd partnerschap weliswaar niet letterlijk doch wèl de facto een leemte in de huidige wetgeving is, bestaat er, mede gezien de inhoud van de hiervóór geciteerde Memorie van Toelichting, naar het oordeel van de rechtbank voldoende reden om, vooruitlopend op de invoering van het wetsvoorstel 30 145, reeds voor het huidige recht aan te nemen dat de vrouw in haar verzoek ontvankelijk is.

Nu de vrouw in haar verzoek ontvankelijk wordt geacht, dient dit inhoudelijk te worden beoordeeld. Het verzoek is door de man niet weersproken. Nu het verzoek voorts past binnen het stelsel van de wet is het voor toewijzing vatbaar.

3. De partneralimentatie

Blijkens voornoemde faxbrief d.d. 17 januari 2006 heeft de vrouw haar verzoek tot vaststelling van een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud om haar moverende redenen ingetrokken. Daarop behoeft dus niet meer te worden beslist.

4. De echtelijke woning

Nu de man geen verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van de vrouw te bepalen dat hij huurder zal zijn van de echtelijke woning, kan dit verzoek als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen: [de man], en [de vrouw], geregistreerd op [datum] 2004 in de gemeente [woonplaats];

bepaalt dat de minderjarige [A], geboren op [geboortedatum] 1992 te [gemeente],

de gewone verblijfplaats zal hebben bij de man, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woonruimte te [adres], en verklaart deze voorziening uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Alt-van Endt, tevens kinderrechter, bijgestaan door

mr. S. Havekes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 maart 2006.