Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY5641

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2006
Datum publicatie
04-08-2006
Zaaknummer
248625
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding - verdeling - partijen zijn het er over eens dat de eigen woning en de hypothecaire geldlening aan de man dienen te worden toebedeeld - in geschil is welke waarde aan de woning dient te worden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Scheiding

6x

rekestnummer : FA RK 05-4712

zaaknummer : 248625

datum beschikking : 6 maart 2006

BESCHIKKING op het op 17 augustus 2005 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende te 's-Gravenhage,

procureur: mr. P.S. Kamminga.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te 's-Gravenhage,

procureur: mr. R.W.S. Nijman.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- de brief d.d. 20 januari 2006 van de zijde van de vrouw.

Op 30 januari 2006 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, vergezeld van mr. M. van Solingen, kantoorgenoot van mr. Kamminga, en de vrouw, vergezeld van mr. Nijman.

VERZOEK EN VERWEER

Het verzoek van de man strekt tot echtscheiding, met een nevenvoorziening tot verdeling ten overstaan van een notaris van de huwelijksgemeenschap, met benoeming van onzijdige personen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw heeft ingestemd met de door de man verzochte echtscheiding. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde verdeling ten overstaan van een notaris. De vrouw geeft de voorkeur aan vaststelling van de verdeling door de rechtbank.

Tevens heeft de vrouw zelfstandig verzocht:

- echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ad € 800,-- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen,

- bepaling dat eventuele kosten van tenuitvoerlegging van de alimentatiebeslissing, voor zover door de man veroorzaakt, voor rekening van de man komen,

- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheiding,

- verklaring voor recht dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is,

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap,

-veroordeling van de man tot afgifte van de aan de vrouw toegescheiden goederen, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

- zo nodig verdeling ten overstaan van een notaris van de huwelijksgemeenschap, met benoeming van onzijdige personen,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer, dat naar de rechtbank begrijpt uitsluitend is gericht tegen de door de vrouw gevorderde nevenvoorzieningen. De man stelt dat partijen inmiddels overeenstemming hebben bereikt ter zake van de partneralimentatie, de pensioenverevening en de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap. De man stelt voorts dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw de echtelijke woning uiterlijk op 14 februari 2006 zal verlaten.

BEOORDELING

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Blijkens authentiek bewijsstuk zijn de echtgenoten op [datum] 1963 in de gemeente 's-Gravenhage met elkaar gehuwd.

Echtscheiding

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat de daarop steunende niet weersproken verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.

Partneralimentatie

De man heeft in zijn verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat de alimentatieverplichting en de verplichting tot pensioenverevening worden afgekocht middels een eenmalige betaling door de man aan de vrouw van € 4.900,--. Gebleken is dat deze weergave van de tussen partijen gemaakte afspraken in zoverre nuancering behoeft, dat partijen

- naar verklaring van de man ter terechtzitting - in oktober 2005 hebben afgesproken dat hij, in verband met zijn naderende pensionering op 2 mei 2006, tot 1 mei 2006 een bedrag van € 700,-- bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw zou betalen en dat derhalve met betaling van € 4.900,-- ineens de partneralimentatie zou zijn afgekocht. De man, die thans nog immer maandelijks het bij de beschikking voorlopige voorzieningen van 23 juni 2005 vastgesteld bedrag van ? 548,-- aan partner-alimentatie aan de vrouw betaalt, heeft daarom voorgesteld dat hij tot 1 mei 2006 € 700,-- partner-alimentatie zal betalen, met nabetaling over de reeds verstreken periode van het verschil tussen € 548,-- en € 700,-- per maand.

De vrouw is hiermee akkoord gegaan.

De rechtbank zal derhalve het verzoek van de vrouw om vaststelling van partneralimentatie toewijzen tot een bedrag van € 700,-- per maand en wel voor de periode tot 1 mei 2006 en daarbij verstaan dat de man over de verstreken periode tot nabetaling in vorenbedoelde zin zal overgaan. Het verzoek zal voor het overige worden afgewezen.

Pensioenverevening

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om te verklaren voor recht dat zij aanspraak maakt op pensioenverevening overeenkomstig het bepaalde in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding bij gebrek aan belang afwijzen, aangezien uit genoemde wet reeds voortvloeit dat de vrouw recht heeft op pensioenverevening overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens die wet.

Voortgezet gebruik van de echtelijke woning

De man heeft tegen het door de vrouw verzochte voortgezette gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] gedurende 6 maanden na inschrijving van de echtscheiding verweer gevoerd. De man heeft in dit verband aangevoerd dat partijen zijn overeengekomen dat de woning aan de man zal worden toegescheiden en dat de vrouw had toegezegd dat zij de echtelijke woning op 14 februari 2006 zou verlaten en dat zij voorlopig haar intrek zou nemen bij een zoon van partijen. Zolang echter de vrouw in de woning verblijft zit hij opgezadeld met dubbele woonlasten, aldus de man.

De vrouw heeft de door de man bedoelde afspraak betwist. Zij heeft verklaard dat zij niet reeds op

14 februari 2006 bij de zoon kan intrekken, omdat de zoon pas op 11 februari 2006 de sleutel van zijn huis krijgt en eerst nog het nodige (schilder)werk daarin moet verrichten. Voorts heeft de vrouw verklaard dat zij een hoge bloeddruk heeft en dat zij in verband daarmee zeker tot 1 april 2006 gelegenheid behoeft om de echtelijke woning te ontruimen.

De rechtbank zal, nu de vrouw de door de man gestelde afspraak heeft betwist en de man daarvan geen bewijs heeft aangeboden, doch de vrouw ter terechtzitting heeft verklaard dat zij bereid en in staat is om de echtelijke woning voor 1 april 2006 te ontruimen, bepalen dat de vrouw gerechtigd is tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning tot 1 april 2006.

Verdeling

reeds verdeeld

De man heeft in zijn verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw gesteld dat de inboedel van partijen in gezamenlijk overleg reeds is gescheiden en verdeeld en dat partijen daarvan geen vastlegging verlangen. De vrouw heeft dit niet weersproken.

te verdelen

Partijen zijn het er over eens dat de volgende tot de gemeenschap behorende vermogensbestanddelen dienen te worden verdeeld:

1. de echtelijke woning aan de [adres];

2. de aan de echtelijke woning verbonden hypothecaire geldlening;

3. de woning aan de [adres 2];

4. de aan die woning verbonden hypothecaire geldlening;

5. de Aegon levensverzekering met polisnummer [polisnummer];

6. het zich bij de [bank] bank in depot bevindende bedrag ad € 3.600,-- ([........]);

7. de door de man gekochte aandelenportefeuille;

8. de schuld die in verband met de aankoop van aandelen is ontstaan;

9. de gezamenlijke girorekening met nummer [nummer] met bijbehorend saldo;

10. de auto [merk auto], met de daarmee samenhangende polissen en verplichtingen;

11. de auto [merk auto], met de daarmee samenhangende polissen en verplichtingen.

Ad 1 en 2

Partijen zijn het er over eens dat de echtelijke woning aan de [adres] en de hypothecaire geldlening dienen te worden toebedeeld aan de man. Partijen zijn het er tevens over eens dat de hoogte van de hypothecaire geldlening € 172.400,-- bedraagt. Tussen partijen is echter in geschil welke waarde aan de woning dient te worden toegekend.

De vrouw stelt dat partijen de waarde van de woning in onderling overleg hebben vastgesteld op een bedrag van € 350.000,-- kosten koper, hetgeen volgens de vrouw betekent dat de man de kosten verbonden aan de toedeling aan hem voor zijn rekening dient te nemen. Zij is evenwel bereid, nu de CV-ketel kapot is, om de kosten van een nieuwe CV-ketel ad € 1.600,-- met de man te delen.

De man stelt dat partijen de waarde van de woning inderdaad op € 350.000,-- hebben vastgesteld, maar dat niet is afgesproken dat de bijkomende kosten voor zijn rekening zouden komen. De man stelt dat de boete voor het afsluiten van een nieuwe hypotheek en de notariskosten tezamen ongeveer € 7.000,-- bedragen. De man stelt voorts dat een 98%-rendementsketel € 4.000,-- kost. De man stelt zich op het standpunt dat deze kosten dienen te worden gedeeld.

De vrouw heeft ter terechtzitting een taxatierapport getoond van 9 oktober 2003, opgesteld door [A] van [makelaarskantoor A] Makelaars, waarin de waarde van de echtelijke woning op basis van een schatting is bepaald op € 389.000,--.

De man heeft ter terechtzitting een taxatierapport getoond van 29 juni 2005 van makelaarskantoor [makelaarskantoor B], waarbij de waarde van de woning op een bedrag van € 350.000,-- is getaxeerd, alsmede een taxatierapport van 30 juni 2005 van [makelaarskantoor A] Makelaars, waarin de waarde is getaxeerd op een bedrag van € 355.000,--.

Nu het gebruikelijk is dat bij verkoop van een woning de koper de daaraan verbonden kosten voor zijn rekening neemt en de vrouw, met verwijzing naar voormelde taxatierapporten, onweersproken heeft gesteld dat partijen de woning voor een bedrag van € 350.000,-- kosten koper aan derden hadden kunnen verkopen, zodat zij, toen de man aanbood om zelf de woning tegen een waarde van € 350.000,-- over te nemen, er niet zonder reden vanuit mocht gaan dat dit € 350.000,-- kosten koper betrof, is de rechtbank van oordeel dat de door de man bedoelde kosten - met uitzondering van de kosten van een nieuwe CV-ketel - voor zijn rekening dienen te komen.

Aangezien de vrouw bereid is om de kosten van de vervanging van de kapotte CV-ketel gezamenlijk te dragen en de man niet heeft betwist dat een gelijkwaardige CV-ketel inclusief installatie € 1.600,-- kost, zal de rechtbank bij de vaststelling van de overwaarde van de woning een bedrag van € 1.600,-- aftrekken voor vervanging van de CV-ketel.

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande de overwaarde van de woning vast op een bedrag van € 176.000,-- (€ 350.000,-- minus 172.400,-- minus € 1.600,--).

De man zal derhalve uit hoofde van overbedeling een bedrag van € 88.000,-- aan de vrouw dienen te vergoeden.

Ad 3 en 4

Partijen zijn het er over eens dat de woning aan de [adres 2] zal worden verkocht voor € 115.000,-- (transport op 15 februari 2006) en dat, na aflossing van de hypothecaire geldlening en voldoening van kosten, de overwaarde zal worden gedeeld.

Ad 5

Partijen hebben ter terechtzitting verklaard dat de Aegon levensverzekering met polisnummer [polisnummer] reeds is gesplitst. Aan ieder van partijen zal het afgesplitste gedeelte van de polis worden toebedeeld.

Ad 6

Partijen zijn het erover eens dat het zich bij de [bank] bank in depot bevindende bedrag ad € 3.600,-- dient te worden gedeeld.

Ad 7 en 8

Partijen zijn het erover eens dat zowel de aandelenportefeuille als de schuld die in verband met de aankoop van aandelen is ontstaan aan de man dienen te worden toebedeeld.

Ad 9

Partijen zijn het erover eens dat de gezamenlijke girorekening met nummer [nummer] (inclusief het saldo) aan de man dient te worden toebedeeld. De man heeft deze rekening reeds enige tijd in gebruik. De vrouw heeft ter terechtzitting verklaard dat zij nog steeds over een pasje van deze rekening beschikt en dat zij, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat de man haar te weinig alimentatie had betaald, recent daarvan een geldbedrag heeft opgenomen. Zij heeft het door haar opgenomen bedrag inmiddels aan de man terugbetaald. Afgesproken is dat de man deze girorekening op - uitsluitend - zijn naam doet stellen en dat de vrouw daaraan zal meewerken.

Ad 10 en 11

Partijen zijn het ten slotte erover eens dat de auto [merk auto] en de daarmee samen-hangende polissen en verplichtingen aan de man dienen te worden toebedeeld en de auto [merk auto] en de met die auto samenhangende polissen en verplichtingen aan de vrouw.

De rechtbank zal conform het verzoek van partijen beslissen als hierna is vermeld.

Nu, zoals hiervoor reeds is overwogen, partijen hun inboedelgoederen reeds hebben verdeeld en voorts ter terechtzitting gebleken is dat de man reeds over de auto [merk auto] beschikt en de vrouw over de auto [merk auto] en partijen het eens zijn over de verdeling van de hiervoor vermelde overige vermogensbestanddelen, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot afgifte van de aan haar toegescheiden goederen afwijzen bij gebrek aan belang.

BESLISSING

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de man], en [de vrouw], gehuwd op [datum] 1963 in de gemeente 's-Gravenhage;

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand doch niet langer dan tot 1 mei 2006 tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 700,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woonruimte te [postcode]

's-Gravenhage, [adres], en het gebruik van de zaken, die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, na de inschrijving van deze beschikking voort te zetten tot 1 april 2006, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de vrouw wordt bewoond en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap welke door de scheiding wordt ontbonden, als volgt vast:

1. aan de man worden toebedeeld:

1.1 de echtelijke woning aan de [adres];

1.2 de aan die echtelijke woning verbonden hypothecaire geldlening;

1.3 de helft van de overwaarde die resteert na verkoop van de woning aan de [adres 2], na aflossing van de aan die woning verbonden hypothecaire geldlening en voldoening van kosten;

1.4 het gesplitste deel van de polis Aegon levensverzekering met nummer [polisnummer];

1.5 de helft van een bedrag ad € 3.600,--, zijnde € 1.800,--, dat zich bij de [bank] bank in depot bevindt ([........]);

1.6 de door de man gekochte aandelenportefeuille;

1.7 de schuld die in verband met de aankoop van aandelen is ontstaan;

1.8 de girorekening met nummer [nummer] en het daarop staande (positieve of negatieve) saldo;

1.9 de auto [merk auto], met de daarmee samenhangende polissen en verplichtingen;

2. aan de vrouw worden toebedeeld:

2.1 de helft van de overwaarde die resteert na verkoop van de woning an de [adres 2], na aflossing van de aan die woning verbonden hypothecaire geldlening en voldoening van kosten;

2.2 het gesplitste deel van de polis Aegon levensverzekering met nummer [polisnummer];

2.3 de helft van een bedrag ad € 3.600,--, zijnde € 1.800,--, dat zich bij de [bank] bank in depot bevindt ([........]);

2.4 de auto [merk auto], met de daarmee samenhangende polissen en verplichtingen;

en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man aan de vrouw, uit hoofde van overbedeling in verband met de hierbij vastgestelde verdeling, aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 88.000,--;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kok, bijgestaan door mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 maart 2006.