Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY5599

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-03-2006
Datum publicatie
07-08-2006
Zaaknummer
AWB 04/4133 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

weigering verlenging standplaatsvergunning;

Standplaatsenbeleid Gemeente Zoetermeer, (...) Verweerder heeft de vergunning geweigerd omdat het innemen van permanente standplaatsen in zijn algemeenheid niet verenigbaar is met de gewijzigde inzichten van verweerder ten aanzien van de inrichting van het Stadshart.

Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/4133 VEROR

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[naam], wonende te [woonplaats], eiser,

en

college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 4 februari 2004 heeft verweerder het verzoek van eiser om verlenging van een standplaatsvergunning op het Promenadeplein afgewezen.

Bij separaat besluit van 4 februari 2004 heeft verweerder eiser tot en met 31 oktober 2004 vergunning verleend voor het op de vrijdag, zaterdag en op een "koopzondag" innemen van een standplaats op het Promenadeplein te Zoetermeer.

Tegen deze besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar. Daarbij heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen er toe strekkende dat hij gedurende de beroepsprocedure de huidige standplaats mag blijven innemen. Bij uitspraak van 8 juni 2005 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 21 oktober 2004 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Het beroep is behandeld ter zitting op 3 februari 2006. Eiser, in persoon verschenen, is bijgestaan door mr. R.H. van Dijke, advocaat te Apeldoorn. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]

Motivering

Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, dient het beroep mede gericht te worden geacht tegen het (reële) besluit van 21 oktober 2004.

Wat betreft eisers beroep tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar, ziet de rechtbank termen dit niet-ontvankelijk te verklaren, nu gebleken noch gesteld is dat eiser daarbij nog een (proces)belang heeft.

Eiser heeft sinds 1996 een vaste standplaats op het Promenadeplein te Zoetermeer waarin hij kunstvoorwerpen, sieraden en kleine cadeauartikelen te koop aanbiedt.

In de Algemene Plaatselijke Verordening van Zoetermeer (hierna: APV) zijn de gronden opgenomen voor de weigering van een standplaatsvergunning. De gemeenteraad van Zoetermeer heeft bij besluit van 26 maart 2001 een herinrichtingsplan vastgesteld met betrekking tot het stadshart van de gemeente. Doel van het plan is het creëren van een winkelgebied met een hoogwaardige uitstraling en een open ruimtelijk gebied. Het herinrichtingsplan heeft er toe geleid dat in 2003 het beleid inzake de toewijzing van standplaatsen in het stadshart is herzien. Het nieuwe standplaatsenbeleid, neergelegd in de zogeheten Nota Standplaatsenbeleid, is op 22 april 2003 door de raad van de gemeente Zoetermeer vastgesteld onder intrekking van het bij besluit van 25 januari 1999 vastgestelde oude beleid. Dit raadsbesluit is op 9 mei 2003 gepubliceerd in het streekblad en geplaatst op de website van de gemeente Zoetermeer alsmede (met bijbehorende beleidsnota’s) tot eind 2003 mei ter inzage gelegd in het Stadhuis.

Op grond van het nieuwe standplaatsenbeleid worden in het stadshart niet langer vergunningen voor vaste standplaatsen verleend. In de Nota Standplaatsenbeleid is opgemerkt dat voor het stadshart een bijzonder regime geldt in verband met de bijzondere functie van de openbare ruimte als visitekaartje van de stad en de bijzondere kwaliteitseisen die dit met zich brengt. Voorts is daarin opgenomen dat bij een levendig en attractief stadshart een hoogwaardig ingerichte openbare ruimte hoort die het kader moet vormen voor steeds afwisselende activiteiten. Volgens het nieuwe beleid worden in het stadshart (Promenadeplein, Stadhuisplein en het Noordwaarts) daarom slechts vergunningen verleend voor incidentele standplaatsen.

Bij besluit van verweerder van 8 juli 2004 is de Nota Standplaatsenbeleid als beleidsregel van verweerder vastgesteld. De openbare bekendmaking van het besluit heeft plaatsgevonden in het streekblad van 23 juli 2004 terwijl de terinzagelegging voor een ieder heeft plaatsgevonden in het Stadhuis tot eind augustus 2004.

Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd artikel 5.2.3., eerste lid, van de APV in samenhang met artikel 5.2.3., zesde lid, onder c, van de APV.

In genoemd artikel 5.2.3., eerste lid, wordt bepaald dat het verboden is zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats:

a. met een voertuig, een kraam, een tafel of enig andere middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden;

b. anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.

Artikel 5.2.3., zesde lid, onder c, bepaalt dat een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving.

Verweerder heeft de vergunning geweigerd omdat het innemen van permanente standplaatsen in zijn algemeenheid niet verenigbaar is met de gewijzigde inzichten van verweerder ten aanzien van de inrichting van het Stadshart.

In beroep heeft eiser betoogd dat verweerder, door het partijdige advies commissie bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Zoetermeer over te nemen, niet zonder vooringenomenheid op het bezwaar heeft beslist en aldus heeft gehandeld in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb. Eiser wijst er op dat deze tijdens de bezwaarprocedure niet onafhankelijk heeft opgetreden doordat zij verweerder er op heeft gewezen dat het zelf nog geen beleidsregels had vastgesteld en vervolgens te adviseren zulks alsnog te doen. De commissie heeft volgens eiser slechts tot taak verweerder onpartijdig en onafhankelijk op basis van de voorliggende stukken inhoudelijk over het geschil te adviseren.

Dit betoog, tevens aldus op te vatten dat verweerders besluitvorming strijdig is met artikel 7:13 van de Awb, dient naar het oordeel van de rechtbank evenwel te falen reeds omdat daarvoor in de gedingstukken geen feitelijke grondslag aanwezig is. Uit het verslag van de op 24 juni 2004 gehouden hoorzitting komt naar voren dat het in de eerste plaats op instigatie van de gemachtigde van verweerder, [gemachtigde 2], is geweest dat verweerder voorafgaand aan het nemen van een beslissing op het bezwaar alsnog het besluit heeft genomen om het beleid van de raad formeel tot de zijne te maken. Door de gemachtigde [2] is zulks ter zitting uitdrukkelijk bevestigd.

De rechtbank overweegt voorts dat het beleid om in het stadshart geen vaste standplaatsen meer toe te staan in verband met de wens om een open ruimtelijk beeld te creëren niet als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd en dat verweerder dit beleid in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. In het bijzonder gelet op het door artikel 5.2.3., zesde lid, onder c, van de APV gediende belang is geen sprake van een strijdigheid met de APV.

Verweerder heeft als uitvloeisel van dit beleid het bestreden besluit genomen. Gelet op artikel 4:84 van de Awb bestaat er voor verweerder in beginsel een gehoudenheid overeenkomstig het beleid te beslissen. Slechts indien toepassing van het beleid voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot het met het beleid te dienen doel, kan verweerder hiervan afwijken.

De rechtbank is daarvan evenwel niet gebleken. Vooropgesteld dient te worden dat, zoals reeds door de voorzieningenrechter is overwogen, de omstandigheid dat eiser reeds 1996 een vaste standplaats op het Promenadeplein heeft niet als een bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt. Eiser is immers telkens (slechts) voor een jaar een standplaatsvergunning verleend. Reeds in het tijdelijke karakter van de vergunning ligt besloten dat de vergunninghouder er rekening mee dient te houden dat in de toekomst geen vergunning meer zal worden verleend. Eisers betoog dat het besluit strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel dient dan ook te falen.

Van belang is voorts dat uit de stukken blijkt dat eiser reeds in 2001 er van op de hoogte is gesteld dat het stadshart zal worden heringericht als gevolg waarvan zijn standplaats op het Promenadeplein zal moeten verdwijnen. Een en ander is aan eiser in een gesprek op 16 maart 2001 en bij brieven van 7 november 2001 en 2 juli 2002 medegedeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser voldoende gelegenheid geboden om zich op eventuele, voor hem ongunstige, veranderingen in te stellen. Dat in het verleden nimmer aanleiding is geweest om een standplaatsvergunning aan eiser te weigeren in verband met het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving kan aan het vorenstaande niet afdoen. Aan verweerder kan nu eenmaal niet het recht worden ontzegd zijn beleid terzake te wijzigen.

De rechtbank heeft bij haar oordeelsvorming tevens laten wegen dat verweerder aan eiser niet alleen een alternatief heeft aangeboden (de huur van een kiosk aan het Noordwaarts) maar aan eiser - ter overbrugging, totdat de kiosk gereed zou komen - tevens een tijdelijke standplaatsvergunning op het Promenadeplein heeft verleend. Deze vergunning is meerdere malen verlengd, laatstelijk tot en met 13 augustus 2005. Eiser heeft uiteindelijk, praktisch gesproken, tot en met deze datum derhalve zijn vaste standplaats op het Promenadeplein behouden. In beroep stelt eiser nog niet te begrijpen waarom verweerder een beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb niet honoreert totdat een winkelproject in centrum west, waarvoor eiser interesse heeft getoond, in de loop van 2005 is gerealiseerd. Met de verlenging van de tijdelijke vergunning op het Promenadeplein tot en met 13 augustus 2005, is, zo stelt de rechtbank vast, verweerder juist in dit opzicht volledig aan eiser tegemoetgekomen.

Eiser heeft aangevoerd dat de aangeboden locatie van de kiosk geen redelijk alternatief is omdat de kiosk "uit de loop" van het winkelend publiek ligt waardoor zijn omzet zal afnemen. Verweerder heeft op zijn beurt aangegeven dat de kiosk de nodige aanloop zal krijgen van personen die hun fiets in de fietsenstalling achterlaten welke zich bevindt in de directe nabijheid van de kiosk. In het kader van de herinrichting van het stadshart worden fietsen uit het stadshart geweerd; fietsen mogen uitsluitend in een fietsenstalling worden geparkeerd. Verweerder heeft voorts toegelicht dat de route van het aankomende publiek, juist om er voor te zorgen dat de kiosk in de loop van het publiek ligt, zó gemaakt is dat het publiek langs dezelfde route de stalling in- en uitloopt en daarbij vanzelf langs de aan eiser aangeboden kiosk loopt. Voorts heeft verweerder toegelicht dat juist nabij de locatie van de kiosk een doorsteek zal worden gemaakt naar het woonhart. Aldus heeft verweerder beoogd de kiosk langs de looproute van het (winkelend) publiek te plaatsen.

Uit het bovenstaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder zich heeft ingespannen om eiser een geschikte locatie aan te bieden waarbij het ook oog heeft gehad voor commerciële aspecten. Van verweerder kan, anders dan eiser heeft betoogd, niet worden gevergd vooraf tevens een (onafhankelijk) onderzoek te verrichten naar de commerciële potentie van de kiosk. Ook vanuit deze invalshoek bezien kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden gesteld dat de belangenafweging onevenredig zwaar voor eiser heeft uitgepakt in verhouding tot het met het beleid te dienen doel.

Eisers betoog dat hij op de locatie van de kiosk met een omzetdaling zou worden geconfronteerd van ruim € 127.000,-- treft geen doel, reeds omdat eiser terzake geen nadere (cijfermatige) onderbouwing heeft overgelegd. Eiser heeft, ter ondersteuning van zijn betoog dat de kiosk aan het Noordwaarts niet levensvatbaar zou zijn, ook verwezen naar een dreigend faillissement van het bedrijf van een exploitant van een van de kiosken (eveneens voormalig vaste standplaatshouder op het Promenadeplein) aan het Noordwaarts. De rechtbank hecht daaraan evenwel geen betekenis, reeds omdat bedoelde exploitant niet dezelfde producten of artikelen verkoopt als eiser zodat het bedrijfsresultaat van bedoelde exploitant niet maatgevend is voor eiser. De rechtbank heeft bij haar oordeelsvorming in aanmerking genomen dat het te ver zou voeren om te stellen dat verweerder de belangen van eiser alleen dán voldoende in acht zou nemen indien verweerder eiser een locatie zou aanbieden met minimaal dezelfde (commerciële) potentie als de locatie van eisers vaste standplaats op het Promenadeplein, al aangenomen dat zulks vooraf zou kunnen worden bepaald.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit.

De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2004 ongegrond is.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2004 ongegrond.

Verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.F. de Lemos Benvindo en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N.W.A. Verrijt.