Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY5399

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-07-2006
Datum publicatie
02-08-2006
Zaaknummer
AWB 05/35721
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:AZ9651, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezinsvorming / middelenvereiste / Richtlijn 2003/86 niet toepasbaar / WBV 2005/5 wel toepasbaar.

De minister heeft de aanvraag om gezinsvorming afgewezen vanwege het niet voldoen aan het middelenvereiste. Richtlijn 2003/86 is niet rechtspreeks van toepassing vanwege de Nederlandse nationaliteit van referente. In WBV 2005/5 is echter bepaald dat de Richtlijn overeenkomstig wordt toegepast op gezinshereniging met Nederlanders. Het betoog van verweerder dat deze passage een vergissing is, wordt niet gevolgd. De norm dat voor gezinsvoming moet worden beschikt over 120 % van het minimumloon is niet in strijd geacht met artikel 7, eerste lid onder c van de Richtlijn waarin het begrip 'stelsel van sociale bijstand' wordt toegelicht. Er is geen aanleiding om dit begrip beperkt te zien tot uitsluitend de bijstand; het betrekken van andere inkomensafhankelijke regelingen is niet in strijd met de Richtlijn. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vreemdelingenbesluit 2000 3.22
Vreemdelingenbesluit 2000 3.74
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, meervoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

__________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 05/35721

V-nummer 270.696.2192

Inzake : [eiser], eiser,

gemachtigde mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde mr. M.M. van Asperen, advocaat te ‘s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1971, bezit de Angolese nationaliteit. Op 1 december 2004 heeft hij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel: gezinsvorming met zijn partner [partner van eiser] (referente). Bij besluit van 11 mei 2005, verzonden 12 mei 2005, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 9 juni 2005, door verweerder ontvangen op 10 juni 2005, bezwaar gemaakt. Op 7 juli 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op 4 augustus 2005 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft op 21 februari 2006 een verweerschrift ingediend, nader aangevuld op 3 april 2006.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 28 april 2006. Ter zitting is eiser verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 72, tweede lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een mvv, voor de toepassing van afdeling 2 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000, bevattende bepalingen over bezwaar en beroep inzake reguliere verblijfsvergunningen, gelijkgesteld met een beschikking gegeven krachtens de Vw 2000.

1.2. De aanvraag om afgifte van een mvv wordt ingevolge B 1/1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld met het oog op het verlenen van een verblijfsvergunning (regulier) in Nederland.

1.3. Ingevolge artikel 14, tweede lid van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

1.4. Op 22 september 2003 is Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie inzake het recht op gezinshereniging vastgesteld, Pb EU, 3 oktober 2003, L251/12 (de Richtlijn). De Richtlijn is in werking getreden op 3 oktober 2003. De implementatietermijn liep af op 3 oktober 2005.

1.5. Artikel 7, eerste lid onder c van de Richtlijn luidt als volgt:

‘Bij de indiening van het verzoek tot gezinshereniging kan de betrokken lidstraat de persoon die het verzoek heeft ingediend, verzoeken het bewijs te leveren dat de gezinshereniger beschikt over: stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen daartoe de aard en de regelmaat van deze inkomsten en kunnen rekening houden met de nationale minimumlonen en pensioenen, evenals met het aantal gezinsleden’.

1.6. Verweerder heeft ter implementatie van de Richtlijn de terzake bestaande regelgeving aangepast. Dit is geschied bij het Besluit van 29 september 2004 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de implementatie van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (Pb EG L251) en enkele andere onderwerpen betreffende gezinshereniging, gezinsvorming en openbare orde (Stb.2004, 496) en bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2005/5.

1.7. Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, onder a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan de in artikel 14, tweede lid van de Vw 2000 bedoelde beperking verband houden met gezinshereniging of gezinsvorming.

1.8. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdende met gezinshereniging of gezinsvorming kan ingevolge artikel 3.13 van het Vb 2000 worden verleend, indien is voldaan aan alle in de artikelen 3.14 tot en met 3.22 van het Vb 2000 genoemde voorwaarden.

1.9. Ingevolge artikel 3.22, tweede lid en artikel 3.74, aanhef en onder d van het Vb 2000 en het daarop gebaseerde beleid van paragraaf B2/2.11 van de Vc 2000 wordt ingeval van gezinsvorming de verblijfsvergunning verleend indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat tenminste gelijk is aan 120 procent van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, en artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet (het zogenoemde middelenvereiste).

2.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor een mvv in aanmerking komt, aangezien niet is voldaan aan de voorwaarden voor verlening van een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met gezinsvorming. Niet is voldaan aan het middelenvereiste.

2.2. In het verweerschrift van 21 februari 2006 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen beroep kan worden gedaan op de Richtlijn omdat ten tijde van het bestreden besluit de implementatietermijn nog niet was verstreken. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de Richtlijn niet van toepassing is op (gezinshereniging met) Nederlanders als onderdanen van de EU.

2.3. In de aanvulling op het verweerschrift van 3 april 2006 heeft verweerder onder meer aangevoerd dat referente ook niet voldoet aan de norm van 100% van de bijstandsuitkering voor echtparen en gezinnen.

3. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde mvv omdat zijn partner duurzaam over middelen van bestaan beschikt. Haar inkomsten voldoen weliswaar niet aan de norm van het beleid zoals dat per 1 december 2004 geldt, maar volgens eiser is die regelgeving niet in overeenstemming met de Richtlijn. Met name wijst eiser op artikel 7 van de Richtlijn. Daarin is bepaald dat bij de indiening van een aanvraag om gezinsvorming dient te worden beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om de gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Volgens eiser is hieruit af te leiden dat verweerder geen ruimte heeft om hogere inkomenseisen te stellen dan de bijstandsnorm. Ten slotte beroept eiser zich op de hoorplicht.

4.1. De rechtbank overweegt het volgende.

4.2.1. Ter beoordeling staat of het beleid van verweerder strijdig is met de Richtlijn. Eerst dient te worden beoordeeld of eiser zich met succes op de Richtlijn kan beroepen. De Richtlijn heeft blijkens artikel 1 van de Richtlijn tot doel de voorwaarden te bepalen voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging voor onderdanen van derde landen die wettig op het grondgebied van de lidstaten verblijven. Uit artikel 2 onder d van de Richtlijn volgt dat onder ‘gezinshereniging’ ook ‘gezinsvorming’ wordt begrepen. Ingevolge artikel 2 onder a van de Richtlijn wordt onder ‘onderdanen van een derde land’ verstaan: een ieder die geen burger is van de Unie in de zin van artikel 17, eerste lid van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (het Verdrag). In artikel 3, onder 3 van de Richtlijn is bepaald dat de Richtlijn niet van toepassing is op gezinsleden van een burger van de Unie. Ingevolge artikel 17, eerste lid van het Verdrag - voor zover hier van belang - is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit burger van de Unie.

4.2.2. Vaststaat dat de partner van eiser ten tijde van het bestreden besluit de Nederlandse nationaliteit bezat. Gelet op artikel 17, eerste lid van het Verdrag is de partner van eiser op grond van haar Nederlandse nationaliteit een burger van de Unie. Daaruit volgt dat eiser een gezinslid is van een burger van de Unie als bedoeld in artikel 3, onder 3 van de Richtlijn. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de Richtlijn niet rechtstreeks van toepassing is op eiser als gezinslid van een burger van de Unie.

4.3.1. De rechtbank overweegt dat in WBV 2005/5, waarmee verweerder uitvoering heeft gegeven aan de Richtlijn, in de inleiding staat vermeld: “De Richtlijn ziet weliswaar ook niet op gezinshereniging met Nederlanders, maar wordt wel op overeenkomstige wijze toegepast”. De stelling van verweerder dat deze zin op een vergissing berust, is naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd. Niet valt in te zien dat een dergelijke verstrekkende opmerking onbedoeld zou zijn opgenomen in de regelgeving. In elk geval betreft het vigerende regelgeving die door verweerder niet is gewijzigd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat eiser aanspraken aan de Richtlijn krachtens de Vc 2000 kan ontlenen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om te beoordelen of het beleid van verweerder inzake gezinshereniging met Nederlanders wordt toegepast in overeenstemming met de Richtlijn.

4.3.2. Eiser stelt dat het onder punt 1.9. genoemde beleid - kortweg de 120 % norm - in strijd is met artikel 7, eerste lid onder c van de Richtlijn.

4.3.3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de in artikel 7 van de Richtlijn genoemde term ‘stelsel van sociale bijstand’ moet worden begrepen binnen de Europeesrechtelijke context en dat voor de uitleg daarvan moet worden aangesloten bij de term ‘sociale bijstand’ zoals dat op grond van EG-Verordening 1408/71 is uitgewerkt. De rechtbank overweegt dat eiser dit standpunt niet heeft onderbouwd. De genoemde EG verordening heeft betrekking op een ander onderwerp, te weten sociale zekerheidsregelingen voor loontrekkenden die zich binnen de EG verplaatsen. De verordening geeft zelf ook geen definitie van het begrip ‘sociale bijstand’. Er zijn geen aanknopingspunten dat voor de reikwijdte van het begrip ‘stelsel van sociale bijstand’ in de Richtlijn beoogd is aansluiting te zoeken bij deze verordening. De rechtbank volgt eiser derhalve niet in zijn standpunt.

4.3.4. Evenmin heeft de rechtbank steun gevonden voor het standpunt van eiser dat voor de invulling van het begrip ‘stelsel van sociale bijstand‘ slechts aansluiting kan worden gezocht bij de bijstandsnormen en dat andere inkomensafhankelijke regelingen daarbij niet mogen worden betrokken. Volgens eiser geeft de tekst van artikel 7 slechts de mogelijkheid om rekening te houden met de nationale minimumlonen en pensioenen. De rechtbank overweegt dat juist de tekst van artikel 7 een aanknopingspunt geeft voor een ruimere opvatting van het begrip sociale bijstand: er staat immers ‘stelsel van sociale bijstand’. Daaruit kan worden afgeleid dat niet uitsluitend de normen uit de Wet werk en bijstand worden bedoeld. Afgezien daarvan heeft verweerder voor de onderbouwing van de 120 % norm verwezen naar de Nota van toelichting bij het Besluit van 29 september 2004. Daarin is uiteengezet hoe deze norm is bepaald. Hierin is op pagina 12 en 13 overwogen:

“Voorheen werd bij de beoordeling va de hoogte van het inkomen aangesloten bij de bijstandsnorm voor echtparen en gezinnen in de Algemene bijstandswet (Abw). Dat bedrag is gelijk aan het netto minimumloon met inbegrip van de nettovakantieaanspraak zoals dat was gedefinieerd in de Algemene bijstandswet. De achterliggende gedachte was dat een bijstandsuitkering bij een inkomen van dat niveau niet mogelijk is. Dat gaat er echter aan voorbij dat een dergelijk inkomen wel een beroep mogelijk maakt op diverse andere inkomensafhankelijke regelingen die uit de algemene middelen worden gefinancierd en deel uitmaken van het gehele Nederlandse stelsel van sociale bijstand. Daarbij wordt onder meer gewezen op individuele en categoriale bijzondere bijstand, op kwijtscheldingen van heffingen door gemeenten en waterschappen en op inkomensondersteunende maatregelen die de gemeenten op eigen initiatief hebben ontwikkeld in het kader van het gemeentelijke minimabeleid. Het stelsel voor sociale bijstand in de desbetreffende lidstaat, waarnaar artikel 7, eerste lid onder van de richtlijn verwijst, betreft een aspect van gemeenschapsrecht waarbij niet doorslaggevend is hoe een bepaalde prestatie naar het nationale recht wordt gekwalificeerd. Dat stelsel is niet beperkt tot alleen de (meest) algemene regeling, maar omvat ook de meer bijzondere prestaties. Het gaat daarbij om uit de algemene middelen gefinancierde regelingen op grond waarvan uitkeringen worden gedaan of voorzieningen worden verstrekt teneinde in de noodzakelijke behoeften van de begunstigde te voorzien….”

“Een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm waarmee wèl de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden voldaan, waarborgt dus niet dat de betrokkenen geen beroep doen of kunnen doen op uit de algemeen gefinancierde inkomensafhankelijke regelingen. Daarom wordt een inkomen bij gezinsvorming voortaan als voldoende aangemerkt, als dat inkomen ten minste gelijk is aan 120% WML. Op dat inkomensniveau worden de meeste aanvullende inkomensafhankelijke regelingen afgebouwd”.

De rechtbank is van oordeel dat mede gelet op deze toelichting er geen aanleiding is om te oordelen dat het beleid van WBV 2005/5 van verweerder niet in overeenstemming is met artikel 7, eerste lid onder c van de Richtlijn.

4.3.5. Nu niet bestreden is dat referente in dit geval niet voldoet aan het middelenvereiste, zoals dat op grond van het beleid van WBV 2005/5 geldt, heeft verweerder op goede gronden vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde mvv.

5.1 Naar aanleiding van de grief van eiser dat hij niet op zijn bezwaarschrift is gehoord, overweegt de rechtbank het volgende. 5.2 De vraag of in bezwaar al dan niet een hoorplicht bestaat wordt beheerst door hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge artikel 7:2 van de Awb geldt als uitgangspunt dat men op zijn bezwaar wordt gehoord. Van het horen kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb onder meer worden afgezien, indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar ingeval uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over deze conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing.

5.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Hetgeen eiser in bezwaar naar voren heeft gebracht rechtvaardigt niet de conclusie dat reeds aanstonds buiten twijfel is dat het bezwaar ongegrond is. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser zijn stelling inzake de Richtlijn in bezwaar reeds naar voren heeft gebracht. Gelet op de aard en de complexiteit van deze materie is de stelling dat het bezwaar kennelijk ongegrond is niet gerechtvaardigd. Verweerder heeft er derhalve ten onrechte van afgezien eiser op zijn bezwaar te horen. Het beroep is in zoverre gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank is evenwel van oordeel dat er in het huidige stadium van de procedure, waarbij partijen schriftelijk en ter zitting hun standpunt omtrent het geschil uiteen hebben gezet, reden is om met toepassing van artikel 8:73, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.

6. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd vanwege strijd met artikel 7:3 van de Awb. De rechtbank zal echter overeenkomstig artikel 8:73, derde lid van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

7. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,--onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,-- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. E.M.M. Engbers, voorzitter en mr. D.H. Hamburger en mr. E.A. Poppe-Gielesen, rechters, en uitgesproken in het openbaar op

17 juli 2006, in tegenwoordigheid van mr. I.M.L.J. Spierings, griffier.

de griffier, de voorzitter,

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

afschrift verzonden op: