Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY5336

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2006
Datum publicatie
31-07-2006
Zaaknummer
AWB 04/5287 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag uitkering krachtens Wet Werk en Bijstand is op goede gronden als onvolledig aangemerkt en buiten behandeling gelaten;

veertien dagen is redelijke termijn om stukken in te dienen om aanvraag van de uitkering aan te vullen;

beroep is ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/5287 WWB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Op 14 april 2004 heeft eiser zich gemeld op het CWI voor het - mede ten behoeve van zijn echtgenote [naam echtgenote] - indienen van een aanvraag ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).

Bij besluit van 3 juni 2004 heeft verweerder eisers aanvraag niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 8 november 2004 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 10 december 2004 heeft eiser tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 5 januari 2005 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 9 december 2005 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. L.B. de Jong, advocaat te Den Haag. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde]

Motivering

Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (WWB) in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Tot 1 januari 2005 was er geen sprake van een besluit van verweerder als bedoeld in artikel 2 van de Invoeringsregeling WWB. Nu het bestreden besluit dateert van vóór 1 januari 2005 dient ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Invoeringswet WWB (IWWB) wat betreft artikel 17 van de WWB, met toepassing van artikel 65 van de Abw te worden beslist.

In artikel 65, eerste lid, van de Abw, voor zover hier van belang, is bepaald dat de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, is onder meer sprake van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag, indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt die een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk maken. Daarbij gaat het gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Vooropgesteld wordt dat verweerders bevoegdheid een aanvraag buiten behandeling te laten, een discretionaire is. Dat betekent dat de rechtbank een uit hoofde van die bevoegdheid genomen besluit marginaal toetst. Bij die toetsing dient de rechtbank te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser bij brief van 14 mei 2004 heeft verzocht om voor 28 mei 2004 zijn als ongenoegzaam aangemerkte aanvraag aan te vullen met de volgende stukken:

- alle [naam bank] bankafschriften (rekening [0000.00.000]) over de eerste drie maanden van 2004;

- alle afschriften over dezelfde periode van alle bank/giro/spaarrekeningen van eiser, zijn partner en kinderen jonger dan 18 jaar;

- winst- en verliesrekening van eisers bedrijf over het lopende jaar en de voorafgaande jaren;

- balans en eindresultaat van het bedrijf over de voorafgaande jaren;

- liquidatiebalans en eindresultaat over het lopende jaar;

- verkoopovereenkomst van het bedrijf;

- de opzegging van het btw-nummer;

- aangifte inkomsten-, omzet- en vermogensbelasting van het lopende jaar en de voorafgaande jaren;

- de beëindiging van het huurcontract, GEB of eventuele verkoop van het pand van exploitatie;

- alle afschriften van eisers zakelijke rekeningen;

- huurcontract;

- betalingsbewijs van de huur;

- inboedelverzekering (voor zover afgesloten)

- inschrijfbewijs van de ziektekostenverzekeraar van eisers partner

- inkomsten/studiefinanciering van inwonende kinderen.

Daarbij heeft verweerder aangegeven dat indien de gevraagde gegevens en bescheiden niet, niet tijdig of onvolledig worden verstrekt eisers aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder opgevraagde gegevens en bescheiden noodzakelijk waren voor de beoordeling van eisers bijstandsaanvraag. Voorafgaand aan de bijstandsaanvraag is eiser geruime tijd zelfstandig ondernemer geweest. Om voor bijstand in aanmerking te kunnen komen, diende verweerder in ieder geval vast te kunnen stellen of eiser daadwerkelijk zijn activiteiten als zelfstandige had beëindigd en of de opbrengst van de verkoop van zijn bedrijf het vrij te laten vermogen niet te boven ging. Daarnaast diende verweerder zich een beeld te kunnen vormen van eisers inkomenspositie en leefomstandigheden.

Niet in geding is dat eiser niet volledig aan verweerders verzoek is tegemoetgekomen. De vraag die beantwoord dient te worden is of verweerder in eisers geval de aanvraag redelijkerwijs buiten behandeling heeft kunnen laten.

Eiser heeft daartoe aangevoerd dat verweerder hem, door hem slechts gedurende veertien dagen in de gelegenheid te stellen zijn bijstandsaanvraag aan te vullen, heeft benadeeld. Verweerder had hem een ruimere dan wel een nieuwe termijn moeten gunnen. De geboden termijn was te kort om tijdig en volledig aan het verzoek te kunnen voldoen. Eiser is pas voor het eerst bij brief van 14 mei 2004 om aanvullende informatie met betrekking tot zijn onderneming gevraagd. Het is voor een zelfstandige echter niet altijd mogelijk financiële ondernemingsgegevens ín zo'n korte tijd boven tafel te krijgen. Doorgaans is - en dat is in eisers geval niet anders - de financiële administratie uitbesteed aan derden. Bovendien had verweerder na raadpleging van het overgelegde rapport van de fiscus kunnen weten dat eiser nog niet over alle gegevens beschikte.

Verweerder heeft eisers standpunt in het verweerschrift en ter zitting gemotiveerd bestreden.

Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat de ter aanvulling van de aanvraag geboden termijn van veertien dagen niet onredelijk kort is geweest. Niet gezegd kan worden dat verweerder eiser om documenten heeft verzocht waarover eiser niet redelijkerwijs de beschikking kon krijgen. De verzochte stukken hadden vrijwel allemaal betrekking op eisers persoonlijke en zakelijke administratie. Met uitzondering wellicht van de meest recente fiscale stukken, kon eiser worden geacht redelijkerwijs binnen de hem toegestane termijn van veertien dagen daarover te (kunnen) beschikken.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder eiser ambtshalve een langere dan de geboden termijn had moeten bieden. Vast staat dat eiser niet binnen de termijn heeft aangegeven dat hij redelijkerwijs niet over een aantal van de verzochte stukken kon beschikken. In zijn positie had dat echter wel op zijn weg gelegen, en had hij verweerder om enig respijt moeten vragen. Hoewel verweerder eiser gezien het rapport van 3 juni 2004 mondeling nadrukkelijk op die mogelijkheid heeft gewezen, heeft eiser daarvan geen gebruik gemaakt. Hierbij wordt nog in aanmerking genomen dat eiser zelfs op de hoorzitting in bezwaar nog in de gelegenheid is gesteld de verzochte stukken alsnog over te leggen. Ook van deze mogelijkheid heeft hij geen gebruik gemaakt.

Eisers grief dat verweerder hem pas bij de brief van 14 mei 2004 voor het eerst naar documenten met betrekking tot zijn bedrijf heeft gevraagd, treft evenmin doel. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, was eiser immers van meet af aan gehouden uit eigen beweging verweerder alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs kon weten dat deze van belang kon zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. Gesteld noch gebleken is dat eiser hiervan niet op de hoogte was.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden eisers aanvraag als onvolledig heeft aangemerkt en deze in redelijkheid buiten behandeling heeft kunnen laten. Gesteld noch gebleken is van omstandigheden op grond waarvan verweerder hiervan had moeten afzien.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond;

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. drs. M.Th. Boerlage in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.