Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY5100

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
27-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/24667
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medische behandeling / voortgezet verblijf.

Eiser heeft een aanvraag ingediend om verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel het ondergaan van medische behandeling. Op het moment dat deze aanvraag wordt ingewilligd, voldoet eiser aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel voorgezet verblijf. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder hem een verblijfsvergunning onder laatstgenoemde beperking had moeten verlenen. Verweerder heeft onder verwijzing naar artikel 3.100 Vb aangevoerd, dat eiser ter verkrijging van een verblijfsvergunning onder die beperking, een aanvraag (had) moet(en) indienen. Eiser heeft, onder verwijzing naar de Toelichting bij artikel 3.100 Vb, primair betwist dat er sprake is van een wijziging van het verblijfsdoel. De rechtbank overweegt dat, waar in de Toelichting bij artikel 3.100 Vb de verplichting is opgenomen een verwant verblijfsdoel in de beoordeling te betrekken, het kennelijk gaat om situaties waarin inwilliging van de aanvraag op basis van het verzochte verblijfsdoel net niet of niet meer mogelijk is, terwijl het verwante verblijfsdoel wel voor inwilliging in aanmerking komt. Die situatie doet zich hier niet voor, aangezien eiser de vergunning heeft verkregen waarom hij heeft verzocht. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt nog aangevoerd dat er voor de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel voorgezet verblijf geen nadere gegevens of bescheiden hoefden te worden verstrekt, noch dat er door verweerder nader onderzoek had hoeven te worden verricht. Uit de toelichting blijkt echter niet dat dit criterium doorslaggevend is voor beantwoording van de vraag of er al dan niet sprake is van wijziging van een verblijfsdoel. Ook met het subsidiaire argument van eiser in deze procedure, kan hij niet bereiken wat hij daarmee beoogt. Weliswaar is eisers aanvraag eerst circa vier jaar na de aanvraag ingewilligd, heeft verweerder daarmee wettelijke beslistermijnen overschreden en heeft eiser mogelijk door onzekerheid over zijn rechtspositie niet eerder om verlening van een vergunning voor het verblijfsdoel voortgezet verblijf gevraagd, maar de rechtbank kan binnen de kaders van het beroep in deze zaak niet anders concluderen dan dat verweerder, door het alsnog aan eiser verlenen van rechtmatig verblijf voor hetzelfde verblijfsdoel over de gehele periode sinds het verlopen van de eerder verleende vergunning, geheel tegemoet is gekomen aan de aanvraag van eiser. Tegen die achtergrond is er geen grondslag verweerder in onderhavige zaak op te dragen een vergunning onder een andere beperking te verlenen dan wel anderszins nadeelscompensatie aan eiser te bieden. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 05 / 24667

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 juli 2006

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1975, van Armeense nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem,

tegen:

de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. C. de Jongh, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 21 augustus 2001 een aanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 19 juni 2002 afgewezen.

1.2 Eiser heeft tegen het besluit op 1 juli 2002 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 26 november 2003 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 5 december 2003 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 3 februari 2005 (kenmerk AWB 03/63311) heeft deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Amsterdam, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift.

1.3 Bij besluit van 10 mei 2005 heeft verweerder het bezwaar alsnog gegrond verklaard en de geldigheidsduur van de aan eiser eerder verleende verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel medische behandeling verlengd van 28 september 2001 tot 28 september 2006. Eiser heeft tegen dit besluit op 31 mei 2005 beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 25 april 2006. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

Eiser is bij besluit van 24 januari 2001 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf voor het ondergaan van een medische behandeling. De vergunning was geldig met ingang van 28 september 1999 tot 28 september 2000. In hetzelfde besluit is de geldigheidsduur verlengd tot 28 september 2001. Na 1 april 2001 is de vergunning aangemerkt als een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel: medische behandeling.

De aanvraag van 21 augustus 2001 bevatte uitsluitend het verzoek om de geldigheidsduur van de eerder verleende vergunning te verlengen.

Bij het thans bestreden besluit is eisers verzoek tot verlenging van de geldigheidsduur alsnog ingewilligd en is de geldigheidsduur zodanig verlengd, dat de vergunning nog steeds geldig is.

2.3 Voor het eerst in de beroepsfase heeft eiser er op gewezen dat hij vanaf 28 september 2002 – ook – voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning onder een andere beperking, te weten de beperking “voorgezet verblijf” die is geregeld in artikel 3.51, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

2.4 Ingevolge artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder b, Vb kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling, die drie jaren in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling, voor zover die medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister gedurende ten minste nog één jaar in Nederland noodzakelijk zal zijn.

2.5 In artikel 3.100 Vb is het volgende bepaald:

“Indien de vreemdeling, hangende de besluitvorming op een eerdere aanvraag, wijziging van het gevraagde verblijfsdoel wenst, dient hij een nieuwe aanvraag in.”

2.6 In de Nota van Toelichting (Staatsblad 2000, 497) bij artikel 3.100 Vb staat op pagina 170 het volgende vermeld: Met de aanvraag stelt de vreemdeling het kader voor de besluitvorming. Op de aanvraag moet worden beschikt zoals zij is ingediend en er mag niet iets anders worden toegewezen dan of afgewezen dan is aangevraagd. De vreemdeling ondertekent de aanvraag en verschaft de voor de beoordeling daarvan benodigde gegevens. Een wijziging van het verblijfsdoel is, ongeacht of de wens daartoe door de aanvrager wordt bekendgemaakt voordat de primaire beschikking of de beschikking op bezwaar is genomen, een wijziging van de aanvraag die wordt behandeld als een nieuwe aanvraag. Het betreft een aanvraag tot het geven van een andere beschikking dan de beschikking waarom de vreemdeling aanvankelijk had gevraagd. Ook de gegevens en bescheiden die de vreemdeling aanvankelijk heeft verschaft ter onderbouwing van de aanvraag verschillen indien het verblijfsdoel wordt gewijzigd. Veelal zal eveneens een nieuw onderzoek noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de vraag of het nieuwe verblijfsdoel kan leiden tot de verlening van een verblijfsvergunning regulier. Derhalve wordt in het onderhavige artikel de indiening van een wijziging van de aanvraag gelijk gesteld met een nieuwe aanvraag, die derhalve bij de korpschef moet worden ingediend. Indien de wijziging dermate gering is, dat redelijkerwijs niet meer van een wijziging kan worden gesproken, hoeft geen nieuwe aanvraag te worden ingediend. Daarbij wordt met name gedacht aan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning bij een partner, met wie de vreemdeling nog tijdens de behandeling van die aanvraag in het huwelijk treedt, zodat hij vervolgens in het bezit wenst te worden gesteld van een verblijfsvergunning bij zijn echtgenoot

2.7 Eiser verzoekt te bepalen dat hij met ingang van 28 september 2001 in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel medische behandeling en met ingang van 28 september 2002 voor het verblijfsdoel voorgezet verblijf. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel voortgezet verblijf had moeten verlenen, omdat eiser per 28 september 2002 aan de voorwaarden daarvoor voldoet. Onder verwijzing naar de Nota van Toelichting bij artikel 3.100 Vb heeft eiser betoogd dat het een dermate geringe wijziging van het verblijfsdoel betreft, dat redelijkerwijs niet van een wijziging kan worden gesproken en dat hij derhalve geen nieuwe aanvraag hoefde in te dienen.

Subsidiair is eiser van oordeel dat, voor zover er wel sprake is van wijziging van het verblijfsdoel in de zin van artikel 3.100 Vb, verweerder in dit bijzondere geval een uitzondering had moeten maken. Vanwege onrechtmatige besluitvorming door verweerder is eerst bij het thans bestreden besluit gebleken dat eiser al op 28 september 2002 in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel voortgezet verblijf. Ter compensatie van dit nadeel had verweerder aan eiser, zonder dat deze daartoe een aanvraag had ingediend, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel voortgezet verblijf dienen te verstrekken.

2.8 Verweerder heeft betoogd dat eiser een aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel medische behandeling heeft ingediend en dat hij heeft gekregen waarom hij heeft verzocht. Onder verwijzing naar artikel 3.100 Vb heeft verweerder aangevoerd dat eiser, ter verkrijging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel voortgezet verblijf, een nieuwe aanvraag had moeten indienen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.9 De rechtbank constateert dat eiser in dit geval heeft gekregen wat hij heeft gevraagd, te weten de (aansluitende) verlenging van de geldigheidsduur van de eerder verleende vergunning. Eiser heeft in de voorbereiding naar het thans genomen besluit op geen enkel moment aangegeven dat verweerder – ook – de inwilligbaarheid van het zijns inziens verwante verblijfsdoel had moeten onderzoeken. In het licht van de toelichting op 3.100 Vb is er reeds daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder voorbij het verblijfsdoel medische behandeling had moeten kijken. Waar in die toelichting de verplichting is opgenomen een verwant verblijfsdoel in de beoordeling te betrekken, gaat het kennelijk om situaties waarin inwilliging van de aanvraag op basis van het verzochte verblijfsdoel net niet of niet meer mogelijk is, terwijl het verwante verblijfsdoel wel voor inwilliging in aanmerking komt. Die situatie doet zich hier niet voor.

2.10 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt, dat in zijn geval geen sprake is van wijziging van het verblijfsdoel in de zin van artikel 3.100 Vb, aangevoerd dat er voor de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel voortgezet verblijf geen nadere gegevens of bescheiden hoefden te worden verstrekt, noch dat er door verweerder nader onderzoek had hoeven te worden verricht. In de Nota van Toelichting wordt bij de rechtvaardiging van de eis van een afzonderlijke aanvraag voor een ander verblijfsdoel weliswaar verwezen naar de noodzaak van nieuw onderzoek, maar uit die toelichting blijkt niet dat dit criterium doorslaggevend is voor beantwoording van de vraag of er al dan niet sprake is van een wijziging van het verblijfsdoel. Wat daar overigens ook van zij, gelet op het onder 2.9 overwogene bestond er voor verweerder in dit geval geen aanleiding andere of verwante verblijfsdoelen in de beoordeling te betrekken.

2.11 Eiser heeft voorts betoogd dat er in zijn geval sprake is van een soortgelijke situatie, als die waarin verweerder naar aanleiding van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier met als doel medische behandeling in geval van een medische noodsituatie een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb verleent. In die gevallen, zo betoogt eiser terecht, hoeft daarvoor niet een nieuwe aanvraag te worden ingediend. Deze grief slaagt echter evenmin. Immers, in die gevallen wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor verlening van de vergunning onder de beperking waaronder de verblijfsvergunning is aangevraagd, maar wel aan de voorwaarden van een andere, verwante, beperking. Eiser voldoet nu juist wél aan de voorwaarden voor verlening van de vergunning onder de beperking waarop de gevraagde verlenging ziet. Verweerder hoefde daarom niet voorbij te gaan aan hetgeen was gevraagd en een andere beperking in de beschouwing te betrekken.

2.12 Nu eiser heeft gekregen wat hij heeft gevraagd, komt de rechtbank aan toetsing van de besluitvorming in het licht van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat eist dat verweerder streeft naar actieve rechtsverwerkelijking niet meer toe. Om die zelfde reden kan eiser ook met het subsidiaire argument in deze procedure niet bereiken wat hij daarmee kennelijk beoogt. Weliswaar is eisers aanvraag eerst circa 4 jaar na de aanvraag ingewilligd, heeft verweerder daarmee wettelijke beslistermijnen overschreden en heeft eiser mogelijk mede door onzekerheid over zijn rechtspositie niet eerder om verlening van een vergunning voor het verblijfsdoel voorgezet verblijf gevraagd, maar de rechtbank kan binnen de kaders van het beroep in deze zaak niet anders concluderen dan dat verweerder door het alsnog aan eiser verlenen van rechtmatig verblijf voor hetzelfde verblijfsdoel over de gehele periode sinds het verlopen van de eerder verleende vergunning, geheel tegemoet is gekomen aan de aanvraag van eiser. Tegen die achtergrond is er geen grondslag verweerder in onderhavige zaak op te dragen alsnog een vergunning onder een andere beperking te verlenen dan wel anderszins nadeelscompensatie aan eiser te bieden.

2.13 Indien eiser in het bezit wil worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking voortgezet verblijf, zal hij een nieuwe aanvraag moeten indienen.

2.14 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.15 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, en op 4 juli 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S. Tax, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.