Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY4845

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-06-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/8501 PARKBL
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft op zaterdag 10 september 2005 zijn auto geparkeerd. Bij terugkomst bleek de auto niet meer te starten. Eiser kon pas op maandag 12 september 2005 naar zijn garage, maar die hadden eerst op dinsdag 13 september 2005 tijd om de auto op te halen. Naheffingsaanslagen zijn opgelegd op 10, 12 en 13 september 2005. Verweerder hecht geloof aan de gestelde feiten en heeft de naheffingsaanslag van 10 september 2005 laten vervallen. De rechtbank is van oordeel dat ook de aanslag van 12 september 2006 op grond van overmacht dient te vervallen. Eiser is zodra dat kon naar zijn garage gegaan om de auto weg te laten halen. Dit mocht ook van hem verlangd worden. Op die maandag om 10.55 uur is de naheffingsaanslag opgelegd. Dit alles overziend oordeelt de rechtbank dat er (ook) op maandag 12 september 2005 op het tijdstip van het opleggen van deze naheffingsaanslag nog sprake was van een geval van overmacht.

De pas later op de middag opgelegde naheffingsaanslag van 13 september 2005 blijft gehandhaafd. Dat de auto pas toen werd opgehaald komt voor rekening en risico van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2006/1147
FutD 2006-1421
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/8501 PARKBL

Uitspraakdatum: 15 juni 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonend [Z], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 27 oktober 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslagen parkeerbelasting (aanslagnummer [aanslag 1] en [aanslag 2]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2006.

Namens verweerder is verschenen mr. L.S. Veenstra.

Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 24 april 2006 aan het adres [a-straat] te [woonplaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu voormelde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TPG Post is gebleken dat de brief op 26 april 2006 op het voormelde adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen de naheffingsaanslag met nummer [aanslag 1] gegrond;

- vernietigt in zoverre de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag met nummer [aanslag 1];

- gelast dat de gemeente [woonplaats] het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

2. Gronden

2.1. Op 12 september 2005, respectievelijk 13 september 2005 stond de auto van eiser geparkeerd op de [b-straat] te [woonplaats]. Dit is een locatie die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [Z] is aangewezen als door parkeerapparatuur gereguleerde parkeerplaats, dat wil zeggen een plaats waar, voor zover hier van belang, uitsluitend tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd.

2.2. Tijdens controle op die data, omstreeks 10.55 uur, respectievelijk 14.17 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat er geen geldige parkeerkaart in de auto aanwezig was en dat evenmin een parkeervergunning achter de voorruit was geplaatst. Naar aanleiding daarvan zijn de hierboven genoemde naheffingsaanslagen opgelegd.

2.3. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslagen terecht aan eiser zijn opgelegd. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en voert ter onderbouwing van zijn standpunt - samengevat - aan dat hij op zaterdag 10 september 2005, nadat hij een parkeerkaartje achter de voorruit had geplaatst, heeft geparkeerd om boodschappen te doen. Bij terugkomst bleek de auto niet meer te starten. Eiser kon pas op maandag 12 september 2005 zijn garage bellen, maar die hadden eerst op dinsdag 13 september 2005 tijd om de auto op te halen. Eiser beroept zich op overmacht en meent dat hij niet meerdere keren kan worden bekeurd voor één overtreding.

2.4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de twee naheffingsaanslagen die zijn gehandhaafd terecht zijn opgelegd. Verweerder meent dat eiser op maandag 12 september 2005 de Dienst Stadsbeheer van de situatie op de hoogte had dienen te stellen, zodat de auto gedurende de tijd dat deze daar noodgedwongen geparkeerd stond van naheffingsaanslagen gevrijwaard kon blijven. Eiser heeft dit nagelaten en daardoor bewust het risico genomen dat er naheffingsaanslagen opgelegd zouden worden. Dit risico moet voor rekening van eiser komen.

2.5. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van eiser ten tijde van het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslagen stond geparkeerd op een in het aanwijzingsbesluit aangewezen plaats en tijdstip, zonder dat daarvoor parkeerbelasting was voldaan, zodat, gelet op het bepaalde in de hier van toepassing zijn de Verordening parkeerbelastingen 1992, in zoverre terecht parkeerbelasting is nageheven. De vraag die partijen verdeeld houdt is of eiser een beroep op overmacht toekomt.

De rechtbank acht bij het beantwoorden van die vraag het navolgende van belang.

Verweerder heeft naar aanleiding van de door eiser gestelde feiten en omstandigheden bij brief van 26 oktober 2005 besloten de op zaterdag 10 september 2005 opgelegde naheffingsaanslag te laten vervallen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt hierin besloten dat verweerder geloof hecht aan het defect van eisers auto en de daarin gelegen onmogelijkheid om de auto te verplaatsen en dat er (die dag) voorts kennelijk geen andere wijze was om te voorkomen dat een naheffingsaanslag zou worden opgelegd.

Met betrekking tot de naheffingsaanslagen voor de andere twee dagen stelt verweerder zich op het standpunt dat indien eiser op maandag 12 september 2005 vóór 09.00 uur telefonisch contact had opgenomen met de Dienst Stadsbeheer en deze dienst van de situatie op de hoogte had gesteld, de auto gedurende de tijd dat deze daar noodgedwongen geparkeerd stond van naheffingsaanslagen gevrijwaard zou zijn gebleven. Eiser heeft dit echter nagelaten. Eiser heeft onweersproken gesteld dat hij op maandag 12 september 2005 gelijk naar zijn garage is gegaan teneinde de auto op te laten halen. Eiser heeft derhalve zodra dat mogelijk was actie ondernomen om aan het geparkeerd staan van de auto een einde te maken. Dit mocht ook van hem verlangd worden. Op die maandag om 10.55 uur is de naheffingsaanslag met nummer [aanslag 1] opgelegd. Dit alles overziend oordeelt de rechtbank dat er (ook) op maandag 12 september 2005 op het tijdstip van het opleggen van de naheffingsaanslag nog sprake was van een geval van overmacht en dat de betreffende naheffingsaanslag dient te worden vernietigt.

De rechtbank overweegt daarbij nog dat, daargelaten of verweerders stelling dat eiser contact had moeten opnemen met de Dienst Stadsbeheer juist is, niet valt in te zien waarom een telefoontje naar deze Dienst eiser in de gegeven situatie wel zou hebben gevrijwaard van een naheffingsaanslag en dit zonder een dergelijk telefoontje niet het geval is, nu dit telefoontje aan de (overmachts) situatie op zich niets afdoet. Hetgeen verweerder heeft gesteld met betrekking tot het laten liggen van de eerste naheffingsaanslag maakt dit niet anders.

Gelet op het vorenoverwogene is het tegen de naheffingsaanslag van 12 september 2005 (nummer [aanslag 1]) ingestelde beroep gegrond verklaard.

2.6. Met betrekking tot de naheffingsaanslag van 13 september 2005 is de rechtbank van oordeel dat deze terecht is opgelegd. Eisers auto is kennelijk eerst laat in de middag door zijn garage opgehaald. Eiser had ervoor moeten zorgen dat de auto zo spoedig mogelijk werd opgehaald. Door dit na te laten heeft eiser het risico genomen dat er (ook) dinsdag 13 september 2005 een naheffingsaanslag opgelegd zou worden. Mede gelet op het tijdstip van de naheffingsaanslag, 14.17 uur, dient dit risico voor rekening van eiser te komen.

Eisers stelling dat niet meerdere malen een naheffingsaanslag kan worden opgelegd voor één overtreding slaagt niet. Uit artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet volgt immers dat ten aanzien van hetzelfde voertuig per aaneengesloten periode eenmaal per kalenderdag een naheffingsaanslag, met de daarbij behorende kosten, kan worden opgelegd.

Het beroep is in zoverre ongegrond verklaard.

2.7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.A. Dirks, in tegenwoordigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier.