Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY4648

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/4572
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2007:BB6503, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Verordening rioolrechten 2005 van de gemeente Jacobswoude voorziet, gelet op de considerans, de nadere invulling van het belastingsubject en het tarief, in de heffing van een rioolaansluitingsretributie. Hieraan doet niet af dat de woordkeus in het artikel over het belastbaar feit en de belastingplicht de indruk wekt dat voor de heffing van het rioolrecht wordt aangeknoopt bij de afvoer van afvalwater. De omstandigheden dat eiser tegen zijn wil ermee heeft ingestemd dat de percelen S. 1 en S. 29 op de riolering werden aangesloten, dat de kosten van die aansluiting geheel of gedeeltelijk op eiser zijn verhaald, dat vanuit het perceel S. 1 uitsluitend in de maanden april tot en met september en vanuit het perceel S. 29 in het geheel geen afvalwater is afgevoerd, dat de riolering zich (mede) in aan eiser toebehorende grond bevindt, dat verweerder eiser niet vooraf heeft geïnformeerd over de heffing van het rioolrecht en dat eiser niet op de hoogte was van de publicatie van de Verordening, nemen niet weg dat het belastbaar feit zich met betrekking tot de percelen S. 1 en S. 29 heeft voorgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 1186
FutD 2006-1444
Milieurecht Totaal 2006/3130
Belastingblad 2006/1087
V-N 2007/11.2.5

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/4572

Uitspraakdatum: 13 april 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Jacobswoude, verweerder.

De bestreden besluiten

De besluiten van verweerder van 8 juni 2005 en 9 juni 2005 op de bezwaren van eiser tegen de aan eiser opgelegde aanslagen in het rioolrecht voor het jaar 2005 ter zake van de afvoer van afvalwater vanuit het perceel [S 1] (hierna: de [S 1]), onderscheidenlijk vanuit het perceel [S 29] (hierna: de aanslag [S 29]).

Zitting:

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2006.

Eiser is met berichtgeving niet verschenen. Namens verweerder is verschenen M.C. van Dam en A. Zwarst. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst ten einde eiser in de gelegen te stellen schriftelijk te reageren op het standpunt van verweerder dat blijkens het schermafdruk van Oaseo van 19 januari 2006 het waterverbruik van het perceel [S 29], 102 m³ bedraagt en dat gelet daarop van het perceel afvalwater wordt afgevoerd. Bij schrijven van 31 januari 2006 heeft eiser gereageerd. Partijen hebben ermee ingestemd om een nadere zitting achterwege te laten.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 8 juni 2005 inzake de [S 1], ongegrond;

- verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 9 juni 2005 inzake de aanslag [S 29], gegrond;

- vernietigt het besluit van 9 juni 2005 inzake de aanslag [S 29] en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit treedt;

- vermindert de aanslag [S 29] tot € 184,40;

- gelast dat de gemeente het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

2. Gronden

2.1. Eiser is eigenaar van twee percelen, plaatselijk bekend [S 1] en [S 29] te [woonplaats]. Op elk van beide percelen is een stacaravan geplaatst. Op 31 maart 2005 heeft verweerder aan eiser de aanslag [S 1] en de aanslag [S 29] opgelegd. Eiser heeft tegen beide aanslagen bezwaar gemaakt. Bij afzonderlijke uitspraken op het bezwaar heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard, waarna eiser op 4 juli 2005 tegen de uitspraken op het bezwaar beroep bij de rechtbank heeft ingesteld.

2.2. In geschil is de vraag of de aanslagen rioolrecht 2005 terecht zijn opgelegd, welke vraag eiser ontkennend beantwoordt en verweerder bevestigend.

2.3. Eiser heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het onredelijk is dat verweerder de percelen in de heffing van het rioolrecht betrekt. De gemeente heeft eiser gedwongen mee te werken aan de aanleg van de riolering en heeft bovendien de aanlegkosten van de riolering volledig op hem verhaald. De leidingen van de riolering bevinden zich op zijn eigen perceel. Verweerder heeft nagelaten hem vooraf te waarschuwen dat hij in de rioolrechten zou worden betrokken. Daar komt nog bij dat eiser niet op de hoogte was van de publicatie van de verordening rioolrechten. Verweerder heeft eiser geheel ten onrechte voor een heel jaar aangeslagen omdat de aansluitingen op de riolering eerst halverwege maart 2005 tot stand zijn gekomen. Tot slot heeft eiser gesteld dat vanuit het perceel [S 1] slechts 6 maanden per jaar (van 1 april tot en met 20 september) op de riolering wordt geloosd en dat vanuit het perceel [S 29] direct noch indirect wordt geloosd omdat dit perceel het hele jaar leeg staat.

2.4. Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken. In het verweerschrift concludeert verweerder tot vermindering van de aanslag [S 29] met 1/12 gedeelte omdat het desbetreffende perceel eerst op 11 januari 2005 op de riolering is aangesloten.

2.5. Ingevolge artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn. Op grond van deze bepaling kan een retributie worden geheven ter zake van de aansluiting van een zaak op de gemeentelijke riolering (hierna: de rioolaansluitingsretributie).

Artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, Gemeentewet bepaalt dat rechten kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Op grond van deze bepaling kan een retributie worden geheven ter zake van de afvoer van afvalwater op de gemeentelijke riolering (hierna: de rioolafvoerretributie).

2.6. Blijkens de considerans van de Verordening op de heffing en invordering van rioolrechten 2005 van de gemeente Jacobswoude (hierna: de Verordening), die op 23 december 2004 door de raad is vastgesteld en is bekendgemaakt op een met artikel 139 van de Gemeentewet overeenstemmende wijze, berust de daarin vastgestelde rioolrecht op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet.

2.7. Artikel 2 van de Verordening luidt als volgt:

'Artikel 2. Belastbaar feit en belastingplicht.'

1. Onder de naam 'rioolrechten' wordt geheven een recht van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

2. Met betrekking tot het recht als bedoeld in het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt:

a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het eigendom al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.

b. ingeval een gedeelte van een eigendom - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 3 - ten gebruike is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan.

2.8. Voor de beantwoording van de in geschil zijnde vraag is van belang of het van eiser geheven rioolrecht een rioolaansluitingsretributie dan wel een rioolafvoerretributie is. Bij de rioolaansluitingsretributie speelt het feitelijk gebruik dat de belastingplichtige van (de aansluiting op) de riolering maakt geen rol; deze retributie wordt geheven terzake van het genot dat de eigenaar of de gebruiker van een eigendom ontleent aan de aanwezigheid van een aansluiting op de gemeentelijke riolering doordat die aansluiting de gebruikswaarde van het eigendom verhoogt (vergelijk Hoge Raad 5 maart 1980, nr. 19441, BNB 1980/103). De zo-even bedoelde verhoging van de gebruikerswaarde doet zich ook voor ingeval vanuit het eigendom geen afvalwater op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. Het belastbare feit van de rioolafvoerretributie daarentegen is de door de gemeente verleende dienst, bestaande uit de afvoer van afvalwater via de gemeentelijke riolering. Vindt feitelijk geen afvoer van afvalwater plaats, dan kan geen rioolafvoerretributie worden geheven.

2.9. De rechtbank is van oordeel dat de Verordening voorziet in de heffing van een rioolaansluitingsretributie. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. De considerans van de Verordening noemt als rechtsgrond van het rioolrecht artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet. De woordkeus in artikel 2, eerste lid, van de Verordening wekt weliswaar de indruk dat voor de heffing van het rioolrecht wordt aangeknoopt bij de afvoer van afvalwater, doch de nadere invulling van het belastingsubject in artikel 2, tweede lid, van de Verordening, alsmede de maatstaf van heffing en het tarief, met name het tarief voor woningen, nemen deze indruk weg en bevestigen dat het onderhavige rioolrecht, althans voor zover het eigendommen betreft die als woning wordt gebruikt, naar zijn aard een rioolaansluitingsretributie is.

2.10 Verweerder heeft verklaard en de rechtbank acht op grond van hetgeen verweerder in het geding heeft gebracht aannemelijk dat [S 1] het gehele jaar 2005 en het perceel [S 29] in dat jaar vanaf 11 januari 2005 waren aangesloten op de gemeentelijke riolering. Derhalve is eiser op grond van het bepaalde in artikel 2 van de Verordening voor het perceel [S 1] het hele jaar 2005 en voor het perceel [S 29] vanaf 11 januari 2005 belastingplichtig.

2.11. Hetgeen eiser heeft aangevoerd brengt de rechtbank niet tot een andere oordeel. De door eiser gestelde omstandigheden dat hij tegen zijn wil ermee heeft ingestemd dat de percelen [S 1] en [S 29] op de riolering werden aangesloten, dat de kosten van die aansluiting geheel of gedeeltelijk op eiser zijn verhaald, dat vanuit het perceel [S 1] uitsluitend in de maanden april tot en met september en vanuit het perceel [S 29] in het geheel geen afvalwater is afgevoerd, dat de riolering zich (mede) in aan eiser toebehorende grond bevindt, dat verweerder hem niet vooraf heeft geïnformeerd over de heffing van het rioolrecht en dat eiser niet op de hoogte was van de publicatie van de Verordening nemen niet weg dat het in artikel 2 van de Verordening genoemde belastbaar feit zich met betrekking tot de percelen [S 1] en [S 29] heeft voorgedaan.

2.12. Met betrekking tot het perceel [S 29] is de in artikel 9, derde lid, van de Verordening geregelde ontheffing naar tijdsgelang van toepassing. Derhalve dient de aanslag [S 29], overeenkomstig de onder 2.4 genoemde conclusie van verweerder, te worden verminderd tot 11/12 van het vastgestelde bedrag.

2.13. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de [S 1] ongegrond en is het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag [S 29] gegrond.

2.14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 13 april 2006 door mr. G.J. van Leijenhorst in tegenwoordigheid van S. Kedar, griffier. De beslissing is dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.