Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY4054

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2006
Datum publicatie
20-07-2006
Zaaknummer
AWB 05-38917
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag vergoeding buitengewone kosten / geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb en artikel 3a Wet COA.

Eiseres heeft een aanvraag ingediend tot het vergoeden van buitengewone kosten. In zijn brief van 20 juli 2005 heeft verweerder aan eiseres onder 1, 2 en 3 meegedeeld welke drie voorwaarden in de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997) van belang zijn voordat eiseres een aanvraag indient tot het vergoeden van buitengewone kosten. Vervolgens is in de brief de keuzemogelijkheid aangekruist dat de aanvraag van eiseres niet voldoet aan de voorwaarden die het COA heeft gesteld en zoals bij 1, 2 en 3 vermeld, zonder dat is aangeven wat daarvan de consequentie is voor de aanvraag. De aanvraag is in elk geval niet afgewezen, niet gehonoreerd en evenmin niet in behandeling genomen wegens het ontbreken van juiste informatie, nu deze keuzemogelijkheden in de brief níet zijn aangekruist. Ook is niet gebleken dat eiseres in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. Dat de aanvraag van eiseres niet is afgewezen blijkt te meer, nu in de brief geen reden van de afwijzing is vermeld, hoewel de brief daartoe een aantal aankruismogelijkheden biedt. Omdat de brief geen afwijzing, inwilliging of buitenbehandelingstelling van de aanvraag inhoudt, en evenmin blijkt van enig ander rechtsgevolg in het kader van het onthouden dan wel het beëindigen van verstrekkingen, is geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb en artikel 3a, eerste lid, Wet COA waartegen eiseres op grond van artikel 8:1 Awb beroep kan instellen bij de rechtbank. Nu de brief van verweerder van 20 juli 2005 niet meer inhoudt dan de mededeling dat eiseres niet voldoet aan drie voorwaarden voor het indienen van een aanvraag, zonder dat verweerder daaraan consequenties heeft verbonden, kan de brief evenmin worden aangemerkt als een met een besluit gelijk te stellen handeling in het kader van het beëindigen van verstrekkingen als bedoeld in artikel 3a, tweede lid, Wet COA. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 05 / 38917

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 juli 2006

In de zaak van:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1934, van Afghaanse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. E.P.W. Zwart, advocaat te Beverwijk,

tegen:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA),

gevestigd te Rijswijk,

verweerder,

gemachtigde: mr. I.A. van der Valk, werkzaam bij het COA.

1. Procesverloop

1.1 Verweerder heeft bij brief van 20 juli 2005 aan eiseres meegedeeld dat haar aanvraag voor het vergoeden van buitengewone kosten krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA) niet voldoet aan de voorwaarden die het COA heeft gesteld. Eiseres heeft tegen die mededeling op 29 augustus 2005 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 12 april 2006. Partijen zijn, met bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge het tweede lid van artikel 1:3 Awb wordt onder beschikking verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

2.2 Ingevolge artikel 3a, eerste lid, Wet COA zijn in afwijking van artikel 72, derde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 Vw van toepassing op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA. Ingevolge het tweede lid van artikel 3a Wet COA worden in afwijking van artikel 72, derde lid, Vw handelingen van het orgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig die worden verricht in het kader van de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA, voor de toepassing van deze wet met een beschikking gelijkgesteld. De afdeling 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 Vw zijn op die beschikking van toepassing.

2.3 Het voorgaande brengt mee dat een belanghebbende rechtstreeks beroep kan instellen tegen een besluit, of met een besluit gelijk te stellen handeling, van het COA in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA.

2.4 In zijn brief van 20 juli 2005 heeft verweerder aan eiseres onder 1, 2 en 3 meegedeeld welke drie voorwaarden in de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997) van belang zijn voordat eiseres een aanvraag indient tot het vergoeden van buitengewone kosten. Vervolgens is in de brief de keuzemogelijkheid aangekruist dat de aanvraag van eiseres niet voldoet aan de voorwaarden die het COA heeft gesteld en zoals bij 1, 2 en 3 vermeld, zonder dat is aangeven wat daarvan de consequentie is voor de aanvraag. De aanvraag is in elk geval niet afgewezen, niet gehonoreerd en evenmin niet in behandeling genomen wegens het ontbreken van juiste informatie, nu deze keuzemogelijkheden in de brief níet zijn aangekruist. Ook is niet gebleken dat eiseres in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. Dat de aanvraag van eiseres niet is afgewezen blijkt te meer, nu in de brief geen reden van de afwijzing is vermeld, hoewel de brief daartoe een aantal aankruismogelijkheden biedt. Omdat de brief geen afwijzing, inwilliging of buitenbehandelingstelling van de aanvraag inhoudt, en evenmin blijkt van enig ander rechtsgevolg in het kader van het onthouden dan wel het beëindigen van verstrekkingen, is geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb en artikel 3a, eerste lid, Wet COA waartegen eiseres op grond van artikel 8:1 Awb beroep kan instellen bij de rechtbank.

2.5 Nu de brief van verweerder van 20 juli 2005 niet meer inhoudt dan de mededeling dat eiseres niet voldoet aan drie voorwaarden voor het indienen van een aanvraag, zonder dat verweerder daaraan consequenties heeft verbonden, kan de brief evenmin worden aangemerkt als een met een besluit gelijk te stellen handeling in het kader van het beëindigen van verstrekkingen als bedoeld in artikel 3a, tweede lid, Wet COA.

2.6 De rechtbank zal het beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

2.7 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, rechter, en op 6 juli 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Kluit als griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.