Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY3783

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
09/754004-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank 's-Gravenhage, zittinghoudend in de nevenzittingsplaats Middelburg, heeft bij vonnis van 4 juli 2005 zes verdachten van deelneming aan een criminele organisatie, die vreemdelingen oplichtte, veroordeeld. Bij uitspraak van 4 juli 2006 is het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld en is aan de veroordeelden de verplichting opgelegd dit wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat terug te betalen.

Veroordeelde V moet € 37.200,-- terugbetalen aan de staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummer: 09/754004-04

Datum uitspraak: 4 juli 2006

Tegenspraak

U I T S P R A A K

van de rechtbank 's-Gravenhage, zitting houdend in de nevenzittingsplaats Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering, d.d. 29 juli 2005 van de officier van justitie in het arrondissement 's- Gravenhage om aan de veroordeelde:

[naam veroordeelde V],

geboren op [geboortedatum en -plaats],

wonende [adres],

de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 58.185,00

ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, dat deze door middel van of uit strafbare feiten heeft verkregen.

Onderzoek van de zaak

Deze uitspraak is gedaan naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 september 2005, 31 oktober 2005 en 6 juni 2006.

De rechtbank heeft naast de vordering van de officier van justitie kennis genomen van:

- het strafdossier betreffende veroordeelde in de zaak met parketnummer 09/754004-04 daaronder begrepen het vonnis van deze rechtbank van 4 juli 2005;

- de stukken van het ontnemingsdossier BEO van Politie Haaglanden/Hollands-Midden;

- de processen-verbaal van de regiezittingen van 19 september 2005 en 31 oktober 2005;

- de conclusie van antwoord van de raadsvrouw van veroordeelde, mr. H. Bos, advocaat te Amsterdam, d.d. 13 maart 2006;

- de conclusie van repliek van de officier van justitie d.d. 2 mei 2006 en

- de conclusie van dupliek van de raadsvrouw van veroordeelde d.d. 31 mei 2006.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat zal vaststellen op een bedrag van € 58.185,00 en de veroordeelde de verplichting op zal leggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 58.185,00.

Verweren veroordeelde en het standpunt van de officier van justitie daaromtrent

Naast hetgeen al verwoord is in de overgelegde conclusies voert de raadsvrouw van veroordeelde, mr. H. Bos, ter terechtzitting nog het volgende aan:

1. Veroordeelde liep aanvankelijk stage bij de stichting. Hij heeft in die periode, van 2001 tot 2002 geen inkomsten gehad. Vanaf 1 november 2002 is hij tegen betaling voor de stichting gaan werken.

2. Op de bankrekening van veroordeelde zijn stortingen gedaan. Deze kwamen niet ten goede aan veroordeelde maar waren bestemd voor het dekken van uitgaven met de creditcard die in gebruik was bij [veroordeelde F]. Met het gepresenteerde incasso-overzicht is geprobeerd de relatie in tijd en hoogte van de bedragen aan te tonen tussen de stortingen en de afschrijvingen van de creditcard. Zo is te zien dat op 28 januari 2003 voor het eerst werd gestort, waarna in mei over de voorafgaande maand april afgeschreven werd. Daarmee is het verschil in tijd tussen de storting en de afschrijving van twee maanden aangetoond.

Door het Openbaar Ministerie zijn twee afschrijvingen buiten de administratie gehouden.

In de periode dat [veroordeelde F] gedetineerd zat werden geen stortingen meer gedaan. Wel gingen de afschrijvingen over de voorgaande periode door, waardoor een negatief saldo op de bankrekening van [veroordeelde] is ontstaan.

3. Veroordeelde heeft geprobeerd aan de hand van bonnen aan te tonen dat hij de onkostenvergoeding van € 250,00 gebruikte voor onder meer taxi, lunch en benzine. Hij beschikt echter niet meer over de bonnen. Deze zijn inbeslaggenomen en niet teruggegeven.

4. Naar redelijkheid is niet te verwachten dat veroordeelde kan werken en inkomen kan verwerven. Hij is 55 jaar en lijdt aan diabetes. Hij geniet een bijstandsuitkering van

€ 800,00 per maand.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van de verweren en heeft hiertoe het volgende aangevoerd:

1. Gelet op de wijze van administreren van de stichting zegt de arbeidsovereenkomst niets over de periode waarover veroordeelde werkzaamheden deed en salaris ontving.

2. Elk verband tussen de bedragen die gestort werden op de rekening en de bedragen die afgeschreven werden ten behoeve van de creditcard ontbreekt. De stortingen begonnen al vijf maanden eerder dan de afschrijvingen.

3. De kosten die zouden zijn gemaakt worden op geen enkele wijze, door verklaringen of bonnen, onderbouwd. Alles wat op de adressen van veroordeelde in beslag genomen is, is al teruggegeven. Tijdens het onderzoek is ook nooit gezien dat veroordeelde voor het woon-werkverkeer gebruik maakte van een taxi.

4. Ondanks de misschien moeilijke persoonlijke omstandigheden is het voor veroordeelde mogelijk om te werken en inkomen te verwerven.

Beoordeling van de vordering

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank van 4 juli 2005 is [veroordeelde] voornoemd veroordeeld ter zake van:

1. Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van

misdrijven.

2a. Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

2b. Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd,

telkens in voortgezette handeling in de zin van artikel 56 lid 2 Wetboek van Strafrecht gepleegd.

5a. Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

5b.Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, als het ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

telkens in voortgezette handeling in de zin van artikel 56 lid 2 Wetboek van Strafrecht gepleegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de veroordeelde voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de hierboven bedoelde strafbare feiten.

De vordering van de officier van justitie kan derhalve worden toegewezen op de wijze als hierna zal worden aangegeven.

Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen alsmede de schatting van bedoeld voordeel op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van de uitspraak met de bewijsmiddelen vereist in een aan deze uitspraak gehechte bijlage worden opgenomen.

Motivering van de op te leggen maatregel (schatting van het voordeel en vaststelling van het te betalen bedrag)

Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van het volgende:

De stichting [naam stichting] was een organisatie die zich bezig hield met het misleiden van illegale vreemdelingen, die een verblijfsvergunning wilden verkrijgen, met het doel zoveel mogelijk geld te genereren. Het misleiden bestond uit het plegen van valsheid in geschrift en oplichting. Alle inkomsten uit de activiteiten van de stichting en haar medewerkers worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft vanaf 5 december 2001 tot en met 26 januari 2004 voor de stichting gewerkt. De rechtbank gaat bij de vaststelling van aanvang van de periode waarover veroordeelde werkzaamheden verrichtte en salaris ontving uit van de datum van oprichting van de stichting (5 december 2001), overeenkomstig de verklaring van [veroordeelde] zelf.

Veroordeelde ontving voor zijn werkzaamheden per maand minimaal € 1.250,00 en van dat bedrag zal de rechtbank ten voordele van [veroordeelde] uitgaan. Bij de berekening van het voordeel gaat de rechtbank uit van 25 maanden.

Voor medicijnen ontving veroordeelde vanaf maart 2003 tot en met 26 januari 2004 € 100,00 per week. De rechtbank gaat uit van 47 weken.

Daarnaast ontving veroordeelde als onkostenvergoeding vanaf augustus 2003 tot en met januari 2004 € 250,00 per maand. De rechtbank gaat uit van 5 maanden.

De rechtbank acht het aannemelijk dat de stortingen die [veroordeelde F] op de bankrekening van veroordeelde deed, bedoeld waren voor de creditcard die zij in gebruik had. Dat er in hoogte en tijd discrepantie is tussen stortingen en afschrijvingen ten behoeve van creditcards is niet onbegrijpelijk. De saldi van de stortingen en de afschrijvingen lopen uiteindelijk wel synchroon.

Daarnaast ziet de rechtbank in de levensstijl, de woonsituatie, de bezittingen en het ontbreken van vermogen, zoals uit het dossier naar voren komt, geen aanknopingspunten dat veroordeelde deze gestorte bedragen voor zichzelf heeft gebruikt.

Zij zal deze stortingen op zijn rekening dan ook niet als wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde aanmerken.

De rechtbank houdt geen rekening met de door veroordeelde opgevoerde kosten voor taxiritten, lunch en benzine omdat deze niet zijn onderbouwd. De door veroordeelde ontvangen onkostenvergoeding beschouwt de rechtbank als beloning voor zijn bestuurslidmaatschap van de stichting.

Dit leidt tot de volgende berekening van het netto wederrechtelijk verkregen voordeel:

Salaris 25 x € 1.250,00 = € 31.250,00

Medicijnen 47 x € 100,00 = € 4.700,00

Beloning bestuurslidmaatschap 5x € 250,00 = € 1.250,00

Netto wederechtelijk verkregen voordeel € 37.200,00

Het bovenstaande in aanmerking genomen stelt de rechtbank het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 37.200,00.

Zij zal de veroordeelde de verplichting opleggen om laatstgenoemd bedrag aan de Staat te betalen.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de veroordeelde de verplichting opleggen om een bedrag van € 37.200,00 aan de Staat te betalen.

De rechtbank acht de vordering tot laatstgenoemd bedrag voor toewijzing vatbaar.

Hetgeen meer of anders is gevorderd zal worden afgewezen.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat de veroordeelde niet in staat is aan deze betalingsverplichting te voldoen, mede gelet op het feit dat de verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 76 juncto 70 van het Wetboek van Strafrecht zestien jaar is, terwijl het OM gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling en betaling in termijnen kan toestaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij stelt als bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op: € 37.200,00.

Zij legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van: € 37.200,00 (zeven en dertig duizend en twee honderd euro).

Zij wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. R.C.M. Reinarz,

voorzitter,

mrs. M.P. Meeuwisse en F.C.J.E. van Hemert - Meeuwis, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers J. Buijze en A.S. Heberlein-Guiran en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juli 2006.