Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY3753

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
09/754142-03 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank 's-Gravenhage, zittinghoudend in de nevenzittingsplaats Middelburg, heeft bij vonnis van 4 juli 2005 zes verdachten van deelneming aan een criminele organisatie, die vreemdelingen oplichtte, veroordeeld. Bij uitspraak van 4 juli 2006 is het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld en is aan de veroordeelden de verplichting opgelegd dit wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat terug te betalen.

Veroordeelde F moet € 3.288.856,-- terugbetalen aan de staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummer: 09/754142-03

Datum uitspraak: 4 juli 2006

Tegenspraak

U I T S P R A A K

van de rechtbank 's-Gravenhage, zitting houdend in de nevenzittingsplaats Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering, d.d. 29 juli 2005 van de officier van justitie in het arrondissement 's- Gravenhage om aan de veroordeelde:

[naam veroordeelde F],

geboren op [geboortedatum en - plaats],

wonende [adres],

de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.300.856,00

ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, dat deze door middel van of uit strafbare feiten heeft verkregen.

Onderzoek van de zaak

Deze uitspraak is gedaan naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 september 2005, 31 oktober 2005 en 6 juni 2006.

De rechtbank heeft naast de vordering van de officier van justitie kennis genomen van:

- het strafdossier betreffende veroordeelde in de zaak met parketnummer 09/754142-03, daaronder begrepen het vonnis van deze rechtbank van 4 juli 2005;

-de stukken van het ontnemingsdossier BEO van de Politie Haaglanden/Hollands-Midden;

-de processen-verbaal van de regiezittingen van 19 september 2005 en 31 oktober 2005;

-de conclusie van antwoord van de raadsman van veroordeelde, mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, d.d. 13 maart 2006;

-de conclusie van repliek van de officier van justitie d.d. 4 mei 2006 en

-de conclusie van dupliek van de raadsvrouw van veroordeelde, mr. G. van der Wal, advocaat te Amsterdam, d.d. 29 mei 2006.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat zal vaststellen op een bedrag van € 3.300.856,00 en de veroordeelde de verplichting op zal leggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 3.300.856,00.

Verweren veroordeelde en het standpunt van de officier van justitie daaromtrent

Naast hetgeen al verwoord is in de overgelegde conclusies voert de raadsvrouw van veroordeelde, mr. G. van der Wal, ter terechtzitting nog het volgende aan:

Het bedrag van de ontnemingsvordering is gebaseerd op de omzet van de stichting. Er is bij de analyse om te komen tot gemiddelde bedragen van de aanvragen geen rekening gehouden met de restitutie van voorschotten aan ontevreden klanten. Een geschat bedrag dient in mindering te worden gebracht.

De BTW moet niet als voordeel worden meegerekend. Het is een transitoire post die uit de omzet moet worden geëlimineerd.

De kosten van aanbrengpremies, € 100,00 per klant, ook als deze niet in de administratie voorkomen, dienen als geschat bedrag in mindering te worden gebracht.

Aan schilderskosten dienen de wekelijkse betalingen van € 100,00 gedurende de periode juni tot en met augustus 2003 van het voordeel te worden afgetrokken.

De accountantskosten die [accountantskantoor] heeft gemaakt en die niet in de administratie zijn terug te vinden moeten worden geschat op € 20.000,00 per jaar. Mogelijk is contant betaald.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de wet van de communicerende vaten niet toepasselijk is in die zin dat de op het voordeel van de stichting in mindering gebrachte kosten niet noodzakelijkerwijs tot verhoging van het inkomen van de medeveroordeelden leiden.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van de verweren en heeft hiertoe het volgende aangevoerd:

Veroordeelde beschikte als enige over alle rekeningen van de stichting. De winst van de stichting was de winst voor veroordeelde als leidinggevende. De bedragen die andere medewerkers hebben ontvangen zijn kosten voor de stichting en dus voor veroordeelde.

Met de restitutie van voorschotten aan ontevreden klanten is al voldoende rekening gehouden bij het bepalen van de gemiddeld betaalde bedragen, zowel in hoogte als in aantal.

Alle in de boekhouding teruggevonden BTW-bedragen zijn verrekend.

De aanbrengpremies zijn in de boekhouding niet terug te vinden. Om die reden en omdat diegenen die premie zouden hebben ontvangen dit óf ontkennen óf hun namen onbekend zijn gebleven, dienen deze niet als kosten in mindering te worden gebracht.

De schilderskosten zijn over een kortere periode berekend, maar in plaats van € 100,00 zijn

€ 200,00 per week als kosten in mindering gebracht, zodat dit per saldo voordeliger is voor veroordeelde.

De kasbetalingen voor accountantskosten zijn al betrokken in de berekening.

Beoordeling van de vordering

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank van 4 juli 2005 is [veroordeelde] voornoemd veroordeeld ter zake van:

1.Tezamen en in vereniging met een ander respectievelijk anderen als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

2a.Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

2b.Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd,

telkens in voortgezette handeling in de zin van artikel 56 lid 2 Wetboek van Strafrecht gepleegd

4. Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

7. Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

8. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

9. In het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals of vervalst is, meermalen gepleegd.

10. Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

11. Opzettelijk een in artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde verplichting niet, niet juist en niet volledig nakomen, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

12. Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid Wet arbeid vreemdelingen viermalen begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

13b.Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat er te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het feit opdracht heeft gegeven.

14.Handelen in strijd met artikel 31, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de veroordeelde voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de hierboven bedoelde strafbare feiten.

De vordering van de officier van justitie kan derhalve worden toegewezen op de wijze als hierna zal worden aangegeven.

Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen alsmede de schatting van bedoeld voordeel op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van de uitspraak met de bewijsmiddelen vereist in een aan deze uitspraak gehechte bijlage worden opgenomen.

Motivering van de op te leggen maatregel (schatting van het voordeel en vaststelling van het te betalen bedrag)

Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van het volgende:

De stichting [naam stichting] was een organisatie die zich bezig hield met het misleiden van illegale vreemdelingen, die een verblijfsvergunning wilden verkrijgen, met het doel zoveel mogelijk geld te genereren. Het misleiden bestond uit het plegen van valsheid in geschrift en oplichting. Alle inkomsten uit deze activiteiten van de stichting en haar medewerkers worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde.

Immers, veroordeelde heeft vanaf 1 oktober 2002 tot en met 26 januari 2004 leiding gegeven aan de stichting. Zij had bij uitsluiting zeggenschap over onder meer de werknemers, de betalingen aan die werknemers, de inkomsten en de uitgaven.

De omzet van de stichting wordt, na aftrek van kosten en betalingen aan alle overige medewerkers, als wederrechtelijk verkregen voordeel aan veroordeelde toegerekend. De omzet van de stichting wordt overeenkomstig de voordeelsberekening geschat op 3229 (aantal dossiers) x € 1.570,56 (gemiddelde inkomsten per dossier) is € 5.071.134,00. Gesteld is dat een deel van de dossiers hoorde bij klanten van advocaat [veroordeelde D], maar zoals in het strafvonnis al is gesteld, liepen de activiteiten van [veroordeelde D] en [naam stichting] volledig door elkaar. Wel zal de rechtbank op het omzetbedrag in mindering brengen hetgeen de stichting aan [veroordeelde D] en aan de overige werknemers heeft betaald, een en ander conform het in die zaken vastgestelde voordeel, voorzover deze het voordeel van [veroordeelde] heeft verminderd.

Gesteld is ook dat inleggelden in zeker 9 gevallen zijn terugbetaald. De rechtbank acht dit mogelijk, maar zal die bedragen niet in mindering brengen omdat deze factor wordt geacht te zijn verrekend in het bedrag van de gemiddelde inkomsten per zaak. Het standaardbedrag was immers € 2.300,00. BTW wordt niet in mindering gebracht aangezien niet aaannemelijk is geworden dat deze is afgedragen.

De rechtbank stelt vast dat ook de schilders-, schoonmaak-, beveiligings- en accountantskosten bij het opstellen van de berekening reeds op dat voordeel in mindering zijn gebracht.

De stortingen door veroordeelde op de bankrekening van [veroordeelde V], in totaal

€ 20.985,60, zijn betalingen ten behoeve van het gebruik van de creditcard van veroordeelde. Dit zijn dus geen kosten die het voordeel van [veroordeelde] zouden verminderen. Daarnaast is aan [veroordeelde K] € 8.000,00 minder betaald dan in de berekening is verwerkt, zodat ook dit bedrag als voordeel van veroordeelde moet worden aangemerkt.

De rechtbank acht aannemelijk dat aan diverse personen aanbrengpremies zijn betaald. Zij zal daarvoor in het voordeel van veroordeelde een geschat bedrag van € 20.000,00 op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering brengen.

Dit leidt tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel:

Voordeel stichting = voordeel veroordeelde = € 3.300,856,00

Verschil betalingen aan [veroordeelde K]= € 8.000,00

Bruto wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.308.856,00

Bij de berekening van het netto wederrechtelijk verkregen voordeel houdt de rechtbank rekening met de volgende kosten:

Geschat totaal aanbrengpremies € 20.000,00 -/-

Netto wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.288.856,00

Het bovenstaande in aanmerking genomen stelt de rechtbank het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 3.288.856,00.

Zij zal de veroordeelde de verplichting opleggen om laatstgenoemd bedrag aan de Staat te betalen.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de veroordeelde de verplichting opleggen om een bedrag van € 3.288.856,00 aan de Staat te betalen.

De rechtbank acht de vordering tot laatstgenoemd bedrag voor toewijzing vatbaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij stelt als bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op: € 3.288.856,00.

Zij legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van: € 3.288.856,00.

Zij wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. R.C.M. Reinarz,

voorzitter,

mrs. M.P. Meeuwisse en F.C.J.E. van Hemert - Meeuwis, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers J. Buijze en A.S. Heberlein-Guiran en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juli 2006.

De griffier J. Buijze is buiten staat deze uitspraak te tekenen.