Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY3630

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
09/754007-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank 's-Gravenhage, zittinghoudend in de nevenzittingsplaats Middelburg, heeft bij vonnis van 4 juli 2005 zes verdachten van deelneming aan een criminele organisatie, die vreemdelingen oplichtte, veroordeeld. Bij uitspraak van 4 juli 2006 is het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld en is aan de veroordeelden de verplichting opgelegd dit wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat terug te betalen.

Veroordeelde BD moet € 14.100,-- terugbetalen aan de staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummers: 09/754007-04

Datum uitspraak: 4 juli 2006

Tegenspraak

U I T S P R A A K

van de rechtbank ’s-Gravenhage, zitting houdend in de nevenzittingsplaats Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering, d.d. 29 juli 2005 van de officier van justitie in het arrondissement s- Gravenhage om aan de veroordeelde:

[naam veroordeelde BD],

geboren op [geboortedatum en -plaats],

wonende [adres],

de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 14.100,00

ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, dat deze door middel van of uit strafbare feiten heeft verkregen.

Onderzoek van de zaak

Deze uitspraak is gedaan naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 september 2005, 31 oktober 2005 en 6 juni 2006.

De rechtbank heeft naast de vordering van de officier van justitie kennis genomen van:

- het strafdossier betreffende veroordeelde in de zaak met parketnummer 09/754007-04, daaronder begrepen het vonnis van deze rechtbank van 4 juli 2005;

-de stukken van het ontnemingsdossier BEO van de Politie Haaglanden/Hollands-Midden;

- de processen-verbaal van de regiezittingen van 19 september 2005 en 31 oktober 2005;

-de conclusie van antwoord van de raadsman van veroordeelde, mr. M.D. Winter, advocaat te ’s-Gravenhage, d.d. 22 mei 2006;

-de conclusie van repliek van de officier van justitie d.d. 29 mei 2006.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat zal vaststellen op een bedrag van € 14.100,00 en de veroordeelde de verplichting op zal leggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 14.100,00.

Verweren veroordeelde en het standpunt van de officier van justitie daaromtrent

Naast hetgeen al verwoord is in de overgelegde conclusies voert de raadsman van veroordeelde, mr. M.D. Winter, ter terechtzitting nog het volgende aan:

De bron en hoogte van de vergoeding en de duur van de werkzaamheden door veroordeelde zijn onvoldoende vast te stellen. Veroordeelde kreeg voor zijn werkzaamheden wekelijks niet € 300,00, maar € 250,00 betaald. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [veroordeelde K]. Bovendien was veroordeelde werkzaam voor de verkiezingscampagne van [veroordeelde F] en werd hij uit een ander potje betaald.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer en heeft hiertoe het volgende aangevoerd:

Veroordeelde kreeg betaald voor zijn werkzaamheden als chauffeur binnen de stichting en voor zijn werkzaamheden op het kantoor zelf. Dat het geld van [veroordeelde F] privé, het geld van de stichting en waarschijnlijk ook het geld van de [naam politieke partij] (de politieke partij van [veroordeelde F]) niet strikt gescheiden was doet daaraan niet af. Voor de hoogte van de vergoeding is uitgegaan van de bedragen die veroordeelde zelf heeft genoemd in de politieverhoren.

Beoordeling van de vordering

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank van 4 juli 2005 is [veroordeelde] voornoemd onder meer veroordeeld ter zake van:

1.Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van

misdrijven.

2a.Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

2b.Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd,

telkens in voortgezette handeling in de zin van artikel 56 lid 2 Wetboek van Strafrecht gepleegd.

4.Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

6. Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

7. Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

8. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de veroordeelde voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de hierboven bedoelde strafbare feiten.

De vordering van de officier van justitie kan derhalve worden toegewezen op de wijze als hierna zal worden aangegeven.

Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen alsmede de schatting van bedoeld voordeel op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van de uitspraak met de bewijsmiddelen vereist in een aan deze uitspraak gehechte bijlage worden opgenomen.

Motivering van de op te leggen maatregel (schatting van het voordeel en vaststelling van het te betalen bedrag)

Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van het volgende:

De stichting [naam stichting] was een organisatie die zich bezig hield met het misleiden van illegale vreemdelingen, die een verblijfsvergunning wilden verkrijgen, met het doel zoveel mogelijk geld te genereren. Het misleiden bestond uit het plegen van valsheid in geschrift en oplichting. Alle inkomsten uit deze activiteiten van de stichting en haar medewerkers worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft voor deze stichting gewerkt vanaf maart 2003 tot en met 26 januari 2004. Hij werkte als chauffeur en verrichtte daarnaast diverse werkzaamheden op kantoor.

De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat de geldstromen van de organisaties waar [veroordeelde F] bij betrokken was niet goed te scheiden zijn. De vraag of veroordeelde uit een andere pot werd betaald is derhalve niet van belang. [veroordeelde F] enige kenbare inkomstenbron was immers [naam stichting].

Veroordeelde ontving voor die werkzaamheden per week € 300,00, zoals hij zelf heeft verklaard. Bij de berekening van het voordeel gaat de rechtbank uit van 47 weken.

Dit leidt tot de volgende berekening van het netto wederrechtelijk verkregen voordeel:

Salaris47 x € 300,00 = € 14.100,00

Netto wederechtelijk verkregen voordeel € 14.100,00

=========

Bij de berekening van het netto wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank geen rekening gehouden met kosten omdat daarvan niet is gebleken.

Het bovenstaande in aanmerking genomen stelt de rechtbank het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 14.100,00.

Zij zal de veroordeelde de verplichting opleggen om laatstgenoemd bedrag aan de Staat te betalen.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de veroordeelde de verplichting opleggen om een bedrag van € 14.100,00 aan de Staat te betalen.

De rechtbank acht de vordering tot laatstgenoemd bedrag voor toewijzing vatbaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij stelt als bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op: € 14.100,00.

Zij legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van: € 14.100,00 (veertien duizend en één honderd euro).

Deze uitspraak is gedaan door

mr. R.C.M. Reinarz, voorzitter,

mrs. M.P. Meeuwisse en F.C.J.E. van Hemert - Meeuwis, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers J. Buijze en A.S. Heberlein-Guiran en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juli 2006.