Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY3563

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-05-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
AWB 06/19317, 06/19316
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag na studie / geloofwaardigheid identiteit en nationaliteit / ontbreken documenten / toerekenbaarheid.

Verweerder heeft het ontbreken van documenten in redelijkheid niet aan verzoeker kunnen toerekenen. Verzoeker is door Nederland in het kader van een Dublin-claim geaccepteerd naar aanleiding van een eerder door Nederland aan verzoeker afgegeven visum. Niet valt in te zien waarom verweerder op basis van dezelfde identiteits- en nationaliteitsgegevens inzake verzoeker jegens de Britse autoriteiten wel van deze gegevens uitgaat, maar jegens verzoeker niet. Daarbij komt dat verzoeker reeds eerder met een machtiging voor voorlopig verblijf Nederland is ingereisd en derhalve in het geautomatiseerde gegevensbestand van verweerder staat geregistreerd. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet kan en mag verlangen dat verzoeker, die in eerste instantie in augustus 2003 voor studie naar Nederland is gekomen, zijn reisdocumenten bijna drie jaar bewaart. Verweerder heeft die omstandigheid dan ook niet in het nadeel van verzoeker bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de verklaringen van verzoeker over zijn identiteit en land van herkomst en asielrelaas kunnen betrekken. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06/19317 (voorlopige voorziening)

AWB 06/19316 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 mei 2006

in de zaak van:

A,

geboren op [...] 1976, van Kameroense nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: mr. J. E. Engelhart, rechtshulpverlener bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Haarlem,

tegen:

de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Th. Berg, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 9 maart 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 19 april 2006 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 19 april 2006 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep de werking van het besluit niet opschort. Verzoeker heeft op 19 april 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 4 mei 2006. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 De volgende feiten zijn van belang. Verweerder is naar zijn zeggen in augustus 2003 Nederland voor de eerste keer ingereisd. Hij was destijds in het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van studie. Verzoeker heeft verklaard dat hij vervolgens op 1 september 2004 vanuit Nederland naar Engeland is gegaan. Op 11 januari 2006 heeft hij, na aanhouding als illegaal vreemdeling in het Verenigd Koninkrijk, een asielverzoek ingediend. De Britse autoriteiten hebben de Nederlandse autoriteiten verzocht om in het kader van de Overeenkomst van Dublin zich verantwoordelijk te stellen voor de inhoudelijke beoordeling van het asielverzoek. De Nederlandse autoriteiten hebben aan dit verzoek voldaan.

2.5 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag - samengevat - het volgende aangevoerd. Hij is lid van de Southern Cameroons National Council (SCNC). De aanleiding van zijn vlucht uit Kameroen was zijn ontsnapping aan de gendarmerie op een vergadering van de SCNC op 20 september 2002. Er was een arrestatiebevel tegen aanwezigen uitgevaardigd, maar niet iedereen kon tegelijkertijd worden meegenomen. Verzoeker was ook lid van de Observatoire nationale d’election (ONEL). Verder heeft verzoeker verklaard dat hij in 1997 en in 1999 bij demonstraties door de Kameroense autoriteiten werd gearresteerd en waarbij hij werd geslagen en korte tijd vastgehouden.

2.6 Verweerder heeft de aanvraag mede op grond van artikel 31, tweede lid, onder f, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen. Verzoeker heeft toerekenbaar geen documenten ter ondersteuning van zijn nationaliteit, identiteit en reisroute overgelegd. Verweerder acht het asielrelaas ongeloofwaardig. Verzoeker heeft zijn gestelde vrees voor vervolging van de zijde van de Kameroense autoriteiten vanwege zijn betrokkenheid als een organizing secretary bij een vergadering van de SCNC niet aannemelijk gemaakt. Het arrestatiebevel is in kopie overgelegd en de overige documenten die verzoeker ter ondersteuning van zijn asielrelaas heeft overlegd zijn niet afkomstig uit een objectieve bron. Er zijn verder onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat verzoeker zich als tegenstander van de Kameroense autoriteiten heeft gemanifesteerd en deswege in de negatieve belangstelling staat. Verweerder concludeert dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder a, Vw of andere gronden van dit artikel.

2.7 Verzoeker heeft in beroep – samengevat en voorzover relevant – het volgende aangevoerd. Verweerder heeft ten onrechte tegengeworpen dat verzoeker geen identiteits- en nationaliteitsdocumenten heeft overgelegd. Nederland heeft de claim geaccordeerd, daarmee is de identiteit en nationaliteit erkend. Verzoeker wist voorts niet van te voren dat hij zijn reisdocumenten lang nodig zou hebben. Hij heeft destijds gebruik gemaakt van de mogelijkheid hier te lande te studeren en heeft zodoende ook bescherming gekregen. Het enige wat hij zocht was veiligheid. Verweerder heeft hem eveneens ten onrechte tegengeworpen dat hij geen origineel arrestatiebevel heeft overgelegd. De gemachtigde van verzoeker heeft desgevraagd een email ontvangen van een advocaat genaamd Joseph Mbi Tanyi. Deze advocaat schrijft dat in de wetgeving van Kameroen staat vermeld dat er een kopie van het arrestatiebevel getoond moet worden aan de verdachte. Als de verdachte niet traceerbaar is dan wordt er een kopie van een arrestatiebevel achtergelaten. Verzoeker is van mening dat zijn asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig is bevonden. Er zijn documenten overgelegd en hij heeft consequent verklaard. Het risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is aanwezig. Volgens het meest recente ambtsbericht van mei 2004 zijn SCNC-leden gearresteerd en is er een onduidelijk aantal politieke gevangenen in Kameroen. Ook zijn de omstandigheden in de gevangenissen slecht en vindt er marteling en geweld plaats. Op pagina 25 van het ambtsbericht staat beschreven dat er vaak geen vergunningen worden verleend voor bijeenkomsten van organisaties die kritisch staan ten opzichte van de overheid.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.8 Ingevolge artikel 29, eerste lid, Vw kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onder meer worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is en b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.9 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.10 Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.11 Verweerder heeft in C1/3.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) beleidsregels neergelegd over zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van verklaringen van asielzoekers. In C1/3.2.3 Vc heeft verweerder het volgende toetsingskader opgenomen:

Voor de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas is van belang of afbreuk wordt gedaan aan die geloofwaardigheid doordat sprake is van een van de omstandigheden als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw. Indien zulks niet aan de orde is, wordt het relaas in beginsel geloofwaardig bevonden indien de vreemdeling op alle vragen zo volledig mogelijk heeft geantwoord én het relaas innerlijk consistent én niet onaannemelijk is én strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Indien wel sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw mogen in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Kortom, van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.12 Verzoeker heeft geen reis- of identiteitspapieren overgelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder het ontbreken van deze documenten in redelijkheid niet aan verzoeker heeft kunnen toerekenen en acht daartoe het volgende redengevend. Naar aanleiding van het visum dat de Nederlandse autoriteiten aan verzoeker hebben afgegeven in het kader van zijn reguliere aanvraag – en die geleid heeft tot een verblijfsvergunning met ingang van augustus 2003 – is door Nederland de zogenoemde “Dublin-claim” van het Verenigd Koninkrijk geaccepteerd. Hiermee heeft Nederland de identiteit en nationaliteit van verzoeker erkend. Niet valt in te zien waarom verweerder, op basis van dezelfde identiteits- en nationaliteitsgegevens inzake verzoeker, jegens de Britse autoriteiten wel van deze gegevens uitgaat, maar jegens verzoeker niet. Daarbij komt dat verzoeker reeds eerder met een machtiging tot voorlopig verblijf Nederland is ingereisd en derhalve in het geautomatiseerde gegevensbestand van verweerder staat geregistreerd. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet kan en mag verlangen dat verzoeker, die in eerste instantie in augustus 2003 voor studie naar Nederland is gekomen, zijn reisdocumenten bijna drie jaar bewaart. Verweerder heeft die omstandigheid dan ook niet in het nadeel van verzoeker bij het onderzoek van de geloofwaardigheid van de verklaringen van verzoeker over zijn identiteit en land van herkomst en het asielrelaas kunnen betrekken.

2.13 Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte bepaald dat sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder f, Vw. Hieruit volgt dat verweerder die omstandigheden bij het onderzoek naar de aanvraag en de waardering van de geloofwaardigheid van de verklaringen niet ten nadele van eiser heeft kunnen betrekken. Verweerder is derhalve bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van een onjuist toetsingskader uitgegaan. Het juiste toetsingskader moet zijn dat blijkens het gestelde in C1/1.2, C1/3.2.2 en C1/3.3.4 Vc de Minister het relaas en de daarin gestelde feiten voor waar pleegt aan te nemen, indien de vreemdeling alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet-onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is.

2.14 Ter beoordeling staat thans de vraag of verweerder, met toepassing van de hiervoor weergegeven toetsingsmaatstaf, het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Verzoeker heeft ter ondersteuning van de stelling dat hij door de Kameroense autoriteiten wordt gezocht een kopie van een op zijn naam gesteld arrestatiebevel overgelegd. Voorts heeft verzoeker een verklaring van een Kameroense advocaat overgelegd die aangeeft dat ingevolge de Kameroense wet nimmer het origineel aan de desbetreffende persoon wordt afgegeven, maar te allen tijde een kopie. Tot slot heeft verzoeker zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij geen enkele band heeft met deze advocaat. Deze informatie is door verweerder ter zitting niet weersproken.

2.15 Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder, met inachtneming van de juiste toetsingsmaatstaf, ofwel van de juistheid van het arrestatiebevel had dienen uit te gaan, ofwel niet heeft kunnen afzien van het doen van nader onderzoek naar het arrestatiebevel omdat het hier slechts een kopie betreft. In het verlengde daarvan is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet van de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas heeft kunnen uitgaan.

2.16 De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb. De overige gronden behoeven geen bespreking meer.

2.17 De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.18 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.19 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,-- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,-- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1) en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan verzoekers te voldoen.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 9 maart 2006 met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening ad € 644,-- en in verband met het beroep ad € 322,-- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan verzoekers te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.P. van der Lelie, voorzieningenrechter, en op 18 mei 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van L.M. Driessen, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.