Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY3553

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-06-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
AWB 04/54255, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Voortgezet verblijf / seksueel geweld / klemmende redenen / bewijseis.

In geschil is of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 3.52 Vb 2000. Eiseres stelt dat zij seksueel geweld binnen de familie heeft ondervonden. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat eiseres op grond van het tot 17 oktober 2003 gevoerde beleid niet in aanmerking komt voor de verzochte verblijfsvergunning. Niet in geschil is dat eiseres in het licht van de toen geldende beleidsregels wel heeft aangetoond dat er sprake is van ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie. Eiseres heeft echter niet aangetoond dat er daarnaast sprake is van één van de overige vier factoren van klemmende redenen van humanitaire aard. Niet in geschil is dat eiseres niet voldoet aan de bewijseis die verweerder heeft gesteld in het vanaf 17 oktober 2003 gevoerde beleid, B2/5.3.3 Vc 2000, nu zij geen verklaring van een vertrouwensarts heeft overgelegd. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid kunnen oordelen dat eiseres ook op grond van dit beleid niet in aanmerking komt voor verlening van de door haar verzochte vergunning. De ter zitting in tweede termijn door eiseres aangevoerde stelling dat het door verweerder vanaf 17 oktober 2003 gevoerde beleid, WBV 2004/26, kennelijk onredelijk is, betrekt de rechtbank niet in de beoordeling. Dat eiseres wel andere bewijsmiddelen heeft dan de in het vanaf 17 oktober 2003 geldende beleid genoemde verklaring van een vertrouwensarts, leidt niet tot de conclusie dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet met gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid hoefde te worden afgeweken van dat beleid. Verweerder heeft bij het formuleren van het nieuwe beleid namelijk expliciet bepaald dat de aangescherpte bewijslast een voorwaarde is voor toepassing van de versoepelde toelatingsvoorwaarden en nadrukkelijk aangegeven welke de minimaal vereiste bewijsmiddelen zijn. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 04 / 54255 en 04 / 54249 (beroep, gevoegde zaken)

AWB 04 / 54257 en 04 / 54253 (voorlopige voorzieningen, gevoegde zaken)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 9 juni 2006

in de zaak van:

A, gehuwd geweest met: B,

geboren op [...] 1952,

eiseres/verzoekster,

verder te noemen eiseres,

en

C,

geboren op [...] 1984,

eiser/verzoeker,

verder te noemen eiser,

beiden van Turkse nationaliteit,

tezamen te noemen eisers,

gemachtigde: mr. M. Huisman, advocaat te Rotterdam,

tegen:

de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

Ten aanzien van eiseres

1.1 Eiseres heeft op 14 april 2001 een aanvraag ingediend tot het verlengen van de geldigheidsduur van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “verblijf bij echtgenoot B”. Eiseres heeft op 16 mei 2002 een aanvraag ingediend tot het wijzigen van de beperking van de verblijfsvergunning in “voortgezet verblijf”. Verweerder heeft bij besluit van 1 oktober 2003 de geldigheidsduur van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning verlengd tot 8 januari 2002, alsmede de aanvraag tot het wijzigen van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning afgewezen.

Ten aanzien van eiser

1.2 Eiser heeft op 16 mei 2002 een aanvraag ingediend tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “gezinshereniging bij B” in het doel “gezinshereniging bij A”. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 1 oktober 2003 afgewezen.

Ten aanzien van eisers

1.3 Eisers hebben tegen de besluiten van 1 oktober 2003 op 20 oktober 2003 bezwaar gemaakt. Na gezamenlijk gehoor van eisers door een ambtelijke commissie op 21 oktober 2004 heeft verweerder de bezwaren van eisers bij afzonderlijke besluiten van 10 november 2004 ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen de besluiten op 6 december 2004 beroep ingesteld.

1.4 Eisers hebben op 6 december 2004 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoeken verweerder te verbieden hen uit te zetten voordat de rechtbank op de beroepen heeft beslist.

1.5 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.6 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 17 maart 2006. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

1.7 De rechtbank en de voorzieningenrechter hebben ter zitting, buiten procesrechtelijk bezwaar van partijen, met toepassing van artikel 8:14, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening ter behandeling gevoegd.

2. Overwegingen

Ten aanzien van eisers

2.1 In beroep toetst de rechtbank de bestreden besluiten aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiser is de zoon van eiseres uit een eerder huwelijk. Eiseres is op 28 december 1999 te Turkije gehuwd met de heer B. Zij en eiser zijn op 10 november 2000 in het bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) Nederland binnengekomen. Eiseres is op 9 januari 2001 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenoot B”, geldig met ingang van 20 november 2000 tot 28 augustus 2001. Eiser is op diezelfde datum in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “gezinshereniging bij de heer B”, met een gelijke geldigheidsduur als de verblijfsvergunning van eiseres. In juli 2000 is eiser door de heer B uit huis gezet. In februari 2002 heeft de heer B aan eiseres de verdere toegang tot de woning ontzegd. Op 3 oktober 2002 is het huwelijk tussen eiseres en de heer B door echtscheiding ontbonden.

Ten aanzien van eiseres

2.3 Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b en c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is verweerder bevoegd de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen, alsmede een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen, hetzij op aanvraag van de houder van de vergunning, hetzij ambtshalve wegens veranderde omstandigheden.

2.4 Ingevolge artikel 3.52 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan, in andere gevallen dan genoemd in de artikelen 3.50 en 3.51, de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Wet heeft gehad en van wie naar het oordeel van verweerder wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.

2.5 In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder beleidsregels over de toepassing van deze bepaling vastgesteld. In B2/5.3.3 Vc heeft verweerder bepaald dat indien de (huwelijks)relatie op grond waarvan het verblijf was toegestaan binnen drie jaar na verblijfsaanvaarding en anders dan door overlijden is verbroken, voortgezet verblijf op grond van artikel 3.52 Vb wordt toegestaan, indien er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. Klemmende redenen van humanitaire aard kunnen zijn gelegen in:

1. de situatie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst;

2. de maatschappelijke positie van vrouwen in het land van herkomst;

3. de vraag of in het land van herkomst een naar maatstaven van dat land aanvaardbaar te achten opvang aanwezig is; 4. de zorg doe de vrouw/ouder heeft voor kinderen die in Nederland zijn geboren of een opleiding volgen;

5. aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie.

Tot 17 oktober 2003 gold dat aan de laatste factor (nummer 5) in de belangenafweging een zwaar gewicht werd toegekend, wat betekende dat naast deze factor slechts aan één van de andere factoren (nrs. 1-4) moest worden getoetst. Geweld, waaronder seksueel geweld, dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie, werd tot 17 oktober 2003 aangetoond aan de hand van:

a. gegevens van de politie, bijvoorbeeld de melding van een incident of een proces-verbaal van de aangifte;

b. een verklaring van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener; de vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn;

c. gegevens over verblijf in een blijf-van-mijn-lijfhuis; of

d. andere gegevens, voorzover het gaat om objectieve gegevens uit betrouwbare bron.

Vanaf 17 oktober 2003 is de beleidsregel gewijzigd (Besluit Wijziging Vreemdelingencirculaire 2004/26). Sindsdien wordt aan de laatste factor (nummer 5) in de belangenafweging een zwaarder gewicht toegekend. Dit betekent dat naast deze factor niet aan één van de andere factoren (nummers 1 tot en met 4) hoeft te worden getoetst. De bewijseisen zijn echter aangescherpt. Geweld, waaronder seksueel geweld dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie, wordt sedertdien aangetoond aan de hand van een proces-verbaal van aangifte en een verklaring van een (vertrouwens)arts.

De nieuwe regeling is van toepassing op reeds ingediende verlengingsaanvragen en de aanvragen om wijziging van een verblijfsvergunning regulier in eerste aanleg of bezwaar (zie artikel 3.103 Vb). Verweerder benadrukt dat, zoals hij heeft aangegeven in een brief aan de Tweede Kamer der Staten Generaal van 17 oktober 2003 (kamerstuk 29 200 VI, nr. 20) waarin deze regeling werd aangekondigd, de aangescherpte bewijslast een voorwaarde is voor de toepassing van de versoepelde toelatingsvoorwaarden. Met een beroep op artikel 3.103 Vb kan, aldus verweerder in WBV 2004/26, niet worden bewerkstelligd dat, als niet wordt voldaan aan de bewijslast, toch wordt getoetst aan de versoepelde toelatingsvoorwaarden.

2.6 Eiseres heeft – kort samengevat – het volgende aangevoerd. In juli 2001 heeft haar toenmalige echtgenote haar gedwongen om tegen betaling seks te hebben met twee mannen. Eiseres is van mening dat zij, desnoods met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid, in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.52 Vb in verband met het door haar ondergane (seksuele) geweld binnen het huwelijk. Eiseres erkent dat zij niet voldoet aan de bewijseis genoemd in het beleid dat geldt vanaf 17 oktober 2003, aangezien zij geen verklaring van een (vertrouwens)arts heeft overgelegd. Subsidiair stelt eiseres dat zij voldoet aan de voorwaarden gesteld in het beleid dat tot 17 oktober 2003 door verweerder werd gevoerd. Voorts heeft eiseres aangevoerd, dat de eerder verleende verblijfsvergunning voor verblijf bij echtgenoot moet worden verlengd tot februari 2002.

2.7 Verweerder heeft zich – kort samengevat – op de volgende standpunten gesteld. Eiseres komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.52 Vb. Onder het beleid dat tot 17 oktober 2003 gold, heeft eiseres volgens verweerder wel aangetoond dat er sprake was van (seksueel) geweld binnen de familie, maar heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat ook één van de factoren 1 tot en met 4 op haar van toepassing is. Toetsend aan het beleid dat vanaf 17 oktober 2003 wordt gevoerd, stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres niet heeft aangetoond dat er sprake was van (seksueel) geweld, aangezien zij geen verklaring van een (vertrouwens)arts heeft overgelegd. Er kan niet worden afgeweken van de voorwaarde dat het ondervonden (seksueel) geweld door middel van een verklaring van een (vertrouwens)arts moet worden aangetoond.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 De grief van eiseres dat de eerder verleende vergunning voor verblijf bij echtgenote had moeten worden verlengd tot februari 2002 in plaats van tot 8 januari 2002, kan niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden, omdat niet is gebleken welk processueel belang eiseres thans nog bij die grief heeft. Meer in het bijzonder voldoet eiseres bij honorering van de grief nog immer niet aan de in artikel 3.52, eerste lid, Vb gestelde eis voor het verlenen van een vergunning onder de beperking voortgezet verblijf te weten dat sprake is van rechtmatig verblijf voor verblijf bij echtgenoot gedurende drie jaren.

2.9 Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat eiseres op grond van het tot 17 oktober 2003 gevoerde beleid niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking voortgezet verblijf. Niet in geschil dat eiseres in het licht van de toen geldende beleidsregels wel heeft aangetoond dat er sprake is van ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie. Eiseres heeft echter niet aangetoond dat er daarnaast sprake is van één van de overige vier factoren van klemmende redenen van humanitaire aard. Ten aanzien van de eerste twee in het beleid genoemde factoren, de situatie van alleenstaande vrouwen en de maatschappelijke positie van vrouwen in het land van herkomst, stelt eiseres dat algemeen bekend is dat de situatie van alleenstaande vrouwen in Turkije slecht is en dat zij na haar eerste echtscheiding heeft gezworven en dat haar zoon toen is mishandeld. Haar situatie zal thans nog slechter zijn, aangezien zij nu voor de tweede maal is gescheiden en niet kan terugvallen op een sociaal netwerk, aldus eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen eiseres heeft aangevoerd onvoldoende om te concluderen dat de situatie van alleenstaande vrouwen in Turkije dan wel de maatschappelijke positie van vrouwen in Turkije in het algemeen zo slecht is dat van eiseres niet kan worden verlangd dat zij terugkeert naar Turkije. Ook heeft eiseres onvoldoende onderbouwd dat in Turkije geen aanvaardbaar te achten opvang aanwezig is. Niet in geschil is dat de dochter van eiseres in Turkije woont. Eiseres heeft haar stelling dat de echtgenoot van die dochter haar niet op wil vangen niet met bewijsstukken onderbouwd. Bovendien kan eiseres – mede gelet op hetgeen hierna ten aanzien van eiser alsmede ten aanzien van eisers tezamen wordt overwogen – samen met eiser naar Turkije terugreizen, zodat ook eiser in de opvang van eiseres geacht kan worden te voorzien. Nu vast staat dat eiser niet in Nederland is geboren of hier te lande een opleiding volgt, voldoet eiseres ook niet aan de hiervoor genoemde vierde factor waarin klemmende redenen van humanitaire aard kunnen zijn gelegen.

2.10 Voorts is tussen partijen niet in geschil dat eiseres niet voldoet aan de bewijseis die verweerder heeft gesteld in het vanaf 17 oktober 2003 gevoerde beleid, nu eiseres geen verklaring van een vertrouwensarts heeft overgelegd.

2.11 Conclusie na het voorgaande is dat eiseres zowel onder de oude beleidsregels als onder de nieuwe beleidsregels niet heeft aangetoond te voldoen aan de voorwaarden voor verlening van een vergunning onder de beperking voortgezet verblijf.

2.12 Ter zitting in tweede termijn heeft eiseres voor het eerst aangevoerd dat het door verweerder gevoerde beleid kennelijk onredelijk is. Deze beroepsgrond betrekt de rechtbank niet in de beoordeling. Redengevend daarvoor is dat eiseres de redelijkheid van het beleid voordien nimmer ter discussie had gesteld en zich ter zitting op eerdere vragen van de rechtbank uitdrukkelijk op het standpunt had gesteld dat het beleid wel redelijk is. Een dergelijke wijziging van het standpunt op dit moment in de procedure acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde. Het feit dat eiseres eerst ter zitting begreep dat een (vertrouwens)arts slechts een verslag van een gesprek hoeft te maken en geen onderzoek hoeft te verrichten, is onvoldoende voor een ander oordeel, omdat de rechtbank een eerst thans overgelegde verklaring van een (vertrouwens)arts vanwege de zogenaamde ex-tunc-toetsing in beroep buiten beschouwing zal moeten laten.

2.13 Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet met gebruikmaking van de in artikel 4:84 Awb opgenomen inherente afwijkingsbevoegdheid hoefde te worden afgeweken van het vanaf 17 oktober 2003 gevoerde beleid dat zowel een proces-verbaal van aangifte als een verklaring van een (vertrouwens)arts dient te worden overgelegd. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar beroep op artikel 4:84 Awb slechts aangevoerd dat zij in plaats van een verklaring van een (vertrouwens)arts wel andere bewijsmiddelen heeft. Zij stelt haar relaas te hebben gedaan bij het prostitutiemaatschappelijk werk, de vrouwenopvang van het Leger des Heils en artsen/specialisten waar zij sinds het verbreken van de relatie onder behandeling is. Ook heeft zij een verklaring overgelegd van een vriendin die de mishandelingen van nabij heeft meegemaakt. Verweerder heeft bij het formuleren van het nieuwe beleid echter expliciet bepaald dat de aangescherpte bewijslast een voorwaarde is voor toepassing van de versoepelde toelatingsvoorwaarden en nadrukkelijk aangegeven welke de nieuwe bewijseisen zijn. Welke de minimaal vereiste bewijsmiddelen zijn, heeft verweerder derhalve in de beleidsregel verdisconteerd. De stelling van eiseres dat zij niet de voorgeschreven, maar wel andere bewijsmiddelen heeft, is dan ook onvoldoende voor het oordeel dat verweerder had moeten afwijken van het door hem gevoerde beleid.

Ten aanzien van eiser

2.14 Ingevolge artikel 6, eerste lid, Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije (hierna: Associatiebesluit 1/80) heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-staat behoort, behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, na een jaar legale arbeid in die Lid-staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft; (…).

2.15 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

2.16 Ingevolge artikel 17, eerste lid, Vw wordt – voor zover hier van belang – een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft: f. de vreemdeling die tijdig een aanvraag heeft ingediend tot wijziging van een verblijfsvergunning;

g. de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

2.17 Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, Vb is de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80, vrijgesteld van het vereiste van een geldige mvv op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Wet. Ingevolge het vierde lid van artikel 3.71 Vb kan verweerder het eerste lid buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

2.18 Ingevolge artikel 3.80, eerste lid, Vb is een aanvraag tijdig ingediend, indien deze is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt, dan wel, indien deze later is ontvangen, indien de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend.

2.19 Ingevolge artikel 3.81 Vb wordt een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, met dien verstande dat de artikelen 3.71, 3.77. 3.78 en 3.79 niet van toepassing zijn en de artikelen 3.86 en 3.87 van overeenkomstige toepassing zijn, indien de aanvraag tijdig is ingediend.

2.20 Ingevolge artikel 3.82, eerste lid, zijn de artikelen 3.71, 3.77, 3.78 en 3.79 niet van toepassing en zijn de artikelen 3.86 en 3.87 van overeenkomstige toepassing indien de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd naar het oordeel van verweerder is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, of als Nederlander, is geëindigd.

2.21 In de Vc heeft verweerder beleidsregels over de toepassing van deze bepalingen vastgesteld. In B1/1.2.1 Vc is –voor zover hier van belang – bepaald dat het ontbreken van een mvv niet wordt tegengeworpen aan de vreemdeling die een aanvraag indient tot wijziging van het verblijfsdoel. Van belang is wel dat de aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel tijdig, dat wil zeggen in ieder geval niet later dan zes maanden (artikel 3.82 Vb) na afloop van de geldigheidsduur van de eerdere vergunning, is ontvangen. In B1/1.2.3 Vc is onder meer opgenomen dat een aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijziging van het verblijfsdoel van een verblijfsvergunning die meer dan zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning is ontvangen, in beginsel wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een mvv, tenzij er sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe te rekenen.

2.22 In B1/2.2.1 Vc heeft verweerder onder meer opgenomen dat het de bedoeling is dat van de bevoegdheid tot toepassing van de hardheidsclausule over te gaan alleen gebruik wordt gemaakt in zeer bijzondere gevallen.

2.23 Verweerder heeft zich – kort samengevat – op de volgende standpunten gesteld. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80, aangezien hij niet een jaar legale arbeid heeft verricht. Eiser heeft niet binnen zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning om verlenging dan wel wijziging verzocht, zodat aan hem het mvv-vereiste kan worden tegengeworpen. Er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiser komt niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste of toepassing van de hardheidsclausule.

2.24 Eiser heeft hier – kort samengevat – het volgende tegen aangevoerd. Eiser stelt op grond van het Associatiebesluit 1/80 in aanmerking te komen voor voortgezet verblijf. Voorts is eiser van mening dat verweerder het mvv-vereiste ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen, nu de termijnoverschrijding voor het indienen van de aanvraag tot wijziging van de verblijfsvergunning verschoonbaar was. Subsidiair stelt eiser dat verweerder het eerste lid van artikel 3.71 Vb met gebruikmaking van de in het vierde lid van dat artikel opgenomen hardheidsclausule buiten toepassing had dienen te laten.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.25 Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80. Hiervoor is namelijk vereist dat eiser een jaar legale arbeid heeft verricht in Nederland. Het begrip legale arbeid veronderstelt dat de situatie van de Turkse werknemer op de arbeidsmarkt stabiel en niet slechts van voorlopige aard is. Eiser heeft ter zitting gesteld dat hij vanaf maart 2001 heeft gewerkt in Nederland. Vast staat dat de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “gezinshereniging bij de heer B” geldig was tot 28 augustus 2001. Mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, heeft eiser niet voldaan aan de voorwaarde dat een jaar legale arbeid in Nederland moet zijn verricht, zodat hij niet in aanmerking komt voor voortgezet verblijf op grond van artikel 6, eerste lid, van het Associatiebesluit 1/80.

2.26 Verweerder heeft voorts aan eiser het mvv-vereiste kunnen tegenwerpen. Niet in geschil is dat eiser niet binnen zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “gezinshereniging bij de heer B” de aanvraag tot het wijzigingen van het verblijfsdoel heeft ingediend. De stelling dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, treft geen doel. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat de situatie van hem en zijn moeder verwarrend, bedreigend en problematisch was, nadat hij door zijn stiefvader uit huis was gezet. Zijn stiefvader verbood hem om contact te hebben met zijn moeder en gaf aan dat hij de verlenging van de verblijfsvergunning van eiser zou regelen. Echter, vast staat dat eiser nadat hij uit de woning was vertrokken in het bezit was van zijn verblijfsvergunning, waarop de geldigheidsduur stond vermeld. Eiser heeft na het eindigen van de verblijfsvergunning geen actie ondernomen om deze te verlengen en om het verblijfsdoel te wijzigen. Hij had in deze periode wel contact met zijn moeder, die wel tijdig om verlenging en wijziging van haar verblijfsvergunning heeft gevraagd. Onder deze omstandigheden heeft verweerder kunnen oordelen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, zodat het mvv-vereiste aan eiser kon worden tegengeworpen.

2.27 Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.26 is overwogen, heeft verweerder terecht geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor de in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder f, Vw opgenomen vrijstelling van het mvv-vereiste.

2.28 Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.25 is overwogen, heeft verweerder terecht geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor de in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, Vw juncto artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, Vb opgenomen vrijstelling van het mvv-vereiste.

2.29 Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat eiser niet in aanmerking komt voor toepassing van de in artikel 3.71, vierde lid, Vb opgenomen hardheidsclausule. De stelling dat eiser niet geworteld is in Turkije, zijn school niet heeft afgemaakt en dat hij niet in staat is zich daar zelfstandig te handhaven, is onvoldoende onderbouwd. De gestelde vroegere mishandeling van eiser en zijn angst voor de daders die niet veroordeeld zijn voor de mishandeling betreffen asielgerelateerde omstandigheden en kunnen in de onderhavige procedure niet in de beoordeling worden betrokken.

Ten aanzien van eisers

2.30 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft een ieder recht op respect voor onder meer zijn familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.31 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van eisers op artikel 8 EVRM niet slaagt, aangezien zowel eiseres als eiser geen geldige verblijfstitel hebben.

2.32 Eisers stellen zich op het standpunt dat er sprake is van een ongerechtvaardigde inmenging in het recht op respect voor hun familie- en gezinsleven. Zij zijn van mening dat op verweerder een positieve verplichting rust om hen in staat te stellen hun familie- en gezinsleven in Nederland uit te oefenen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.33 Niet in geschil is dat er sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM tussen eisers. Bezien zal eerst moeten worden of de weigering om aan eisers verblijf hier te lande toe te staan inmenging in dit gezinsleven vormt. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, omdat zowel eiseres als eiser, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen titel voor verblijf in Nederland hebben.

2.34 Vervolgens dient te worden bezien of op verweerder een positieve verplichting rust om uitoefening van het familie- en gezinsleven van eisers in Nederland mogelijk te maken. Bij de vaststelling of er een positieve verplichting voor verweerder aanwezig is, dient een belangenafweging te worden gemaakt. Hierbij dienen de feiten en omstandigheden in het individuele geval in ogenschouw te worden genomen, waaronder de vraag of er ernstige belemmeringen bestaan om het gezinsleven in een ander land uit te oefenen. Uit hetgeen eisers naar voren hebben gebracht vloeit geen positieve verplichting voort om eisers hier te lande toe te laten. Met name is niet gebleken dat het voor (één van) hen niet mogelijk is om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen.

2.35 De rechtbank zal de beroepen ongegrond verklaren.

2.36 Nu in de hoofdzaken wordt beslist, zal de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.37 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart de beroepen ongegrond.

De voorzieningenrechter:

3.2 wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter tevens voorzieningenrechter, en mrs. H.P. van der Lelie en L.M. Kos, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2006, in tegenwoordigheid van mr. S.I. Geerling als griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.