Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY1699

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2006
Datum publicatie
06-07-2006
Zaaknummer
09/757380-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank moet als vaststaand worden aangenomen dat verdachte degene is geweest die op de avond van 10 februari 2006 vanaf het AJAX-home naar Den Haag is vertrokken met een tas met daarin twee zelfgemaakte molotovcocktails. Aangekomen in Den Haag heeft hij, na het aantrekken van plastic handschoenen, de tas met molotov-cocktails meegenomen uit zijn auto en is hij met de deels bewapende groep AJAX-supporters opgelopen naar het ADO-honk. In het ADO-honk zijn er meerdere molotov-cocktails gegooid waardoor er brand is ontstaan. Verdachte wordt vrijgesproken van het telastgelegde: het tot ontploffing brengen van de vuurwerkbom, poging tot moord, poging tot doodslag, voorbereidingshandelingen voor zware mishandeling, deelneming aan een criminele organisatie. Bewezenverklaarde feiten: medeplegen van opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen voor goederen te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is; medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd; het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen; het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/757380-06

's-Gravenhage, 6 juli 2006.

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichtingen Midden Holland,

locatie Haarlem te Haarlem.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 21 juni 2006 en 22 juni 2006.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er hebben zich elf benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr. R.E.I. Steen heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij gewijzigde telastlegging onder 1.primair, 2.primair, 3.primair eerste en tweede cumulatief/alternatief, 4. primair en 5. telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft bovendien geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen ADO Den Haag NV (€ 307,61), [benadeelde partij 2] (€ 6.500,-), [benadeelde partij 3] (€ 2.819,95), [benadeelde partij 4] (€ 7.394,-), [benadeelde partij 5] (€ 3.000,-), [benadeelde partij 6] ( € 4.910,-), [benadeelde partij 7] (€ 2.850,-), [benadeelde partij 8] (€ 2.500,-) en [benadeelde partij 9] (€ 2.575,-) en tot gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde partij 10] (tot een bedrag van € 3.194,-) en [benadeelde partij 11] (tot een bedrag van € 4.045,-) en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen [benadeelde partij 10] en [benadeelde partij 11] voor het overige. Voorts verzoekt de officier van justitie om te bepalen dat bij betaling door één van de medeverdachten, verdachte niet meer tot betaling gehouden is. Tot slot vordert de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Geldigheid van de dagvaarding.

Ambtshalve overweegt de rechtbank dat de dagvaarding innerlijk tegenstrijdig is voorzover daarin onder 2 subsidiair het treffen van voorbereidingshandelingen voor doodslag is telastgelegd. Daarmee voldoet de dagvaarding op dit punt niet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank verklaart de dagvaarding daarom nietig voor zover daarin voorbereidingshandelingen voor doodslag zijn telastgelegd.

De rechtbank overweegt voorts ambtshalve dat de telastlegging onder 3 subsidiair, daar waar het gaat om het in de derde alinea genoemde treffen van voorbereidingshandelingen voor het plegen van ‘misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld’, niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, aangezien het door de gekozen formulering voor verdachte onduidelijk blijft op welke misdrijven wordt gedoeld. De rechtbank verklaart de dagvaarding ten aanzien van de geciteerde zinsnede nietig.

Vrijspraak.

Ontploffing (vuurwerkbom)

Ten aanzien van het onder 1 primair, onder b) telastgelegde ‘teweegbrengen van een ontploffing’ is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende (technisch) bewijs bevat voor de stelling dat het in de telastlegging genoemde tot ontploffing brengen van een vuurwerkbom gemeen gevaar voor goederen of personen zou kunnen opleveren. De door sommige medeverdachten genoemde drukgolf is voor het aannemen van gemeen gevaar voor goederen of personen ten aanzien van deze vuurwerkbom onvoldoende. Van dit onderdeel van de telastlegging dient verdachte te worden vrijgesproken.

Poging moord/doodslag

Nu niet is gebleken van voorbedachten rade, moet verdachte van de onder 2 primair telastgelegde poging tot moord worden vrijgesproken, alsmede van de onder 2 subsidiair telastgelegde voorbereidingshandelingen voor moord. Voorts is niet gebleken dat verdachte een mes of ander scherp of puntig voorwerp heeft meegenomen naar Den Haag, of ervan op de hoogte was dat één van zijn medeverdachten een dergelijk voorwerp bij zich had. Uit diverse verklaringen blijkt wel dat een groot deel van de groep AJAX-supporters die op 10 februari 2006 naar het ADO-honk optrok, stokken, andere slagwerktuigen en paraplu’s bij zich droeg. De rechtbank acht dit echter onvoldoende voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op het steken met een scherp of puntig voorwerp, laat staan een mes, waarmee de verwondingen van slachtoffer [slachtoffer 2] kunnen worden verklaard. Het feit dat achteraf drie messen zijn aangetroffen in een auto respectievelijk op de route die de groep heeft afgelegd,

maakt dit niet anders. De rechtbank merkt in dit verband op dat de door de officier van justitie aangehaalde Beverwijk-zaak, waarbij een dodelijk slachtoffer is gevallen, een eenmalige gebeurtenis betrof. Naar aanleiding van die zaak kan niet gezegd worden dat het steken met messen of andere puntige voorwerpen bij supportersgeweld een zodanig algemeen verschijnsel is geworden dat het oordeel moet zijn dat deze verdachte, toen hij met zijn medeverdachten op stap ging, welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er die avond gestoken zou worden.

Nu bij verdachte het opzet op de poging tot doodslag heeft ontbroken, dient hij daarvan te worden vrijgesproken.

Voorbereidingshandelingen zware mishandeling

Ten aanzien van de onder 2 subsidiair telastgelegde voorbereidingshandelingen voor zware mishandeling overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft weliswaar voorwaardelijk opzet gehad op het medeplegen van de onder feit 3 telastgelegde pogingen tot zware mishandeling, maar dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor het aannemen van strafbaarheid ex artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht. Hiervoor is de zwaardere opzetvariant ‘oogmerk’ benodigd. Nu niet is komen vast te staan dat verdachte dit oogmerk had, dient hij van de subsidiair telastgelegde voorbereidingshandelingen voor zware mishandeling eveneens te worden vrijgesproken.

Deelneming aan een criminele organisatie

Aan verdachte is telastgelegd dat hij – kort gezegd - heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, zoals strafbaar gesteld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Op grond van de inhoud van het dossier is duidelijk geworden dat de actie van 10 februari 2006 een georganiseerd karakter had. Uit diverse verklaringen van medeverdachten is gebleken dat in de week voorafgaande aan 10 februari (onder andere tijdens de wedstrijd AJAX-Willem II) al is gesproken over “naar Den Haag” gaan, waarmee kennelijk werd gedoeld op een treffen met ADO-supporters. Niet helemaal duidelijk is geworden welke personen daarover met elkaar hebben gesproken. In het dossier bevinden zich verklaringen van verdachten dat zij met sms-berichten zijn opgeroepen om op genoemde datum naar het AJAX-home te komen, waar op die dag een cocktailparty werd georganiseerd. Er is verklaard dat tijdens deze bijeenkomst routebeschrijvingen naar het ADO-stadion voorhanden waren, evenals stokken, knuppels etc. Op enig moment zijn ook poten van tafels en stoelen in het AJAX-home gesloopt. Er is geroepen “we gaan” en een grote groep verliet vervolgens het pand. Buiten – zo volgt uit diverse verklaringen – stonden mensen die anderen de auto’s wezen, waarin zij naar Den Haag konden meerijden. Er is gebeld naar een medeverdachte in Den Haag om te informeren of het rustig was in Den Haag. Bij het ADO-stadion aangekomen is de groep op georganiseerde wijze uit de auto’s gestapt en opgelopen naar het ADO-honk, waarbij is geroepen dat men bij elkaar moest blijven.

Het begrip organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr wordt blijkens eerdere rechtspraak omschreven als iedere samenwerking van feitelijke aard tussen twee of meer personen, met een zekere structuur en een zekere duurzaamheid. Het samenwerkingsverband moet een gemeenschappelijk doel hebben en haar deelnemers moeten in dat samenwerkingsverband actief zijn ter verwezenlijking van dat doel. Van een criminele organisatie is eerst sprake wanneer de doelstelling van de organisatie (mede) is het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband dat het doel had strafbare feiten te plegen. Het feit dat de actie op 10 februari 2006 was georganiseerd betekent nog niet dat die actie het uitvloeisel is geweest van de activiteiten van een organisatie in vorenbedoelde zin. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van het bestaan van een dergelijke organisatie onder meer gewezen op afspraken over kleding, het achterlaten en/of uitzetten van mobiele telefoons, het niet noemen van namen bij aanhouding en het schonen van een website achteraf, doch die afspraken hebben merendeels betrekking op de actie van 10 februari 2006 en zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het bestaan van een dergelijke organisatie te kunnen aannemen. Ook voor het overige bevat dit dossier onvoldoende om bewezen te achten dat al langer een groepje personen gestructureerd bezig is geweest met het organiseren van supportersgeweld. De enkele vermelding in het dossier dat sommige verdachten eerder zouden zijn aangehouden in verband met supportersgeweld maakt het voorgaande niet anders, omdat het dossier geen duidelijkheid verschaft omtrent de wijze van organisatie van dat eerdere geweld, noch over de wijze waarop die eerder aangehouden verdachten bij dat geweld betrokken zouden zijn. Ook het feit dat eerder een reis naar Londen is georganiseerd, waaraan een deel van de verdachten in deze zaak heeft deelgenomen, maakt het voorgaande niet anders. Uit het dossier blijkt niet, althans onvoldoende dat bij die gelegenheid sprake is geweest van supportersgeweld of de intentie daartoe.

Anders gezegd, op basis van dit dossier is niet komen vast te staan dat de actie op 10 februari 2006 is voortgevloeid uit iets anders dan een particulier- of incidenteel groepsinitiatief.

Verdachte dient dan ook vrijgesproken te worden van dit onderdeel van de telastlegging.

Bespreking van de verweren en van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.

Brandstichting

Op grond van verklaringen van medeverdachten moet naar het oordeel van de rechtbank als vaststaand worden aangenomen dat verdachte degene is geweest die op de avond van 10 februari 2006 vanaf het AJAX-home naar Den Haag is vertrokken met een tas met daarin twee zelfgemaakte molotovcocktails. Aangekomen in Den Haag heeft verdachte, na het aantrekken van plastic handschoenen, de tas met molotov-cocktails meegenomen uit zijn auto en is hij met de deels bewapende groep AJAX-supporters opgelopen naar het ADO-honk. In het ADO-honk zijn er meerdere molotov-cocktails gegooid waardoor er brand is ontstaan, zo blijkt uit de verklaringen van aangevers. Op de terugreis naar Amsterdam heeft verdachte, zo blijkt uit het dossier, aan zijn medepassagiers verteld dat hij twee molotovcocktails heeft gegooid, waarvan er één is ontvlamd in het honk. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in het ADO-honk. Verdachte is het ADO-honk, waar hij de molotov-cocktail heeft gegooid, binnengegaan met in ieder geval één medeverdachte die van de aanwezigheid van de molotov-cocktail op de hoogte was. Aan de vereisten voor medeplegen is hiermee voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat er als gevolg van deze brandstichting gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten was, nu de brand heeft gewoed in een kleine ruimte waar veel mensen en roerende zaken aanwezig waren, de uitgang van deze ruimte geblokkeerd werd door aanstormende AJAX-aanhangers en het zicht door rookontwikkeling uiterst beperkt was.

Poging zware mishandeling

Vast is komen te staan dat verdachte welbewust naar het ADO-honk is meegelopen met een groep AJAX-supporters die uit was op wraak en voor een groot deel was bewapend met onder andere stokken, knuppels, paraplu’s en andere slagwerktuigen. Door onder deze omstandigheden de confrontatie te zoeken heeft verdachte welbewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat er met eerdergenoemde voorwerpen gevochten zou gaan worden, als gevolg waarvan personen zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen.

Door onder voormelde omstandigheden samen met zijn bewapende medeverdachten het ADO-honk te betreden terwijl de daar aanwezige ADO-aanhangers met diverse voorwerpen werden geslagen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders. Dat niet is gebleken dat verdachte zelf iemand heeft geslagen, doet hieraan niet af.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van verdachte de telastgelegde poging tot zware mishandeling in vereniging gepleegd wettig en overtuigend is bewezen.

Openlijk geweld tegen personen en goederen

De rechtbank stelt voorop dat het ADO-honk, blijkens onder andere de verklaring van [A], een voor het publiek toegankelijke plaats is. Uit de verklaringen van [[A] en [B] blijkt bovendien dat zij het geweld, al dan niet deels, hebben waargenomen. Aan het in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht vereiste openlijke karakter van het geweld is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldaan.

Vast staat voorts, dat verdachte mede naar Den Haag is gegaan om te vechten met een rivaliserende supportersgroep. Verdachte is met de zichtbaar bewapende groep AJAX-supporters meegelopen naar het ADO-honk. Verdachte heeft zich, eenmaal bij het ADO-honk aangekomen, niet losgemaakt uit de deels bewapende groep die aldaar duidelijk de confrontatie zocht. Door zijn voortgezette aanwezigheid heeft verdachte blijk gegeven van zijn intentie die was gericht op het plegen van geweld; hij heeft door zijn aanwezigheid de groep getalsmatig versterkt en bijgedragen aan de sfeer van ontremming die het openlijk geweld tegen personen en goederen heeft mogelijk gemaakt. Gezien het voorgaande heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een voldoende significante bijdrage geleverd aan het openlijk in vereniging gepleegde geweld. Dit geldt temeer nu verdachte degene is geweest die de molotov-cocktails in het ADO-honk heeft gegooid.

De rechtbank acht het telastgelegde openlijk geweld tegen auto’s niet bewezen, nu het dossier op dit punt onvoldoende bewijs bevat.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 3 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief en onder 4 primair telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Alvorens iets te zeggen over de ernst van de gepleegde feiten, zal de rechtbank in algemene zin iets opmerken over de wijze van telastlegging.

Het Openbaar Ministerie heeft aan alle verdachten dezelfde, uitgebreide telastleggingen uitgebracht, met uitzondering van twee diefstallen die in dit verband onbesproken blijven. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat niet alle verdachten over dezelfde kam geschoren kunnen worden, ook al is dat gelet op de wijze van telastleggen kennelijk wel de visie van het Openbaar Ministerie, dat (met uitzondering van de poging moord) heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van bijna alle feiten. Uit de brede waaier van verwijten die het Openbaar Ministerie aan verdachten heeft voorgehouden heeft de rechtbank moeten kiezen. Per verdachte heeft de rechtbank moeten beoordelen of alle gemaakte verwijten bewezen kunnen worden. De conclusie is dat dat niet het geval is. In algemene zin gesproken komt het er op neer dat naar het oordeel van de rechtbank bijvoorbeeld niet gezegd kan worden dat alle verdachten door op 10 februari 2006 mee te gaan naar Den Haag zonder meer mede verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor het feit dat er iemand is gestoken, of dat er brand is gesticht in het ADO-honk.

Eén en ander betekent dat een groot deel van de verdachten van een aanzienlijk deel van de telastlegging dient te worden vrijgesproken, en – in zijn algemeenheid gesproken - kan dat in voor de verdachte gunstige zin zijn weerslag hebben op de op te leggen straf.

Tegenover de vrijspraak van een deel van de telastlegging staat echter de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Het georganiseerde karakter van de gebeurtenissen vormt in dat verband een strafverzwarende factor. Wie de behandeling ter terechtzitting heeft bijgewoond, heeft kennis kunnen nemen van de schriftelijke slachtofferverklaringen van degenen die op 10 februari 2006 nietsvermoedend in het ADO-honk een kaartje legden of wat aan het tafeltennissen waren. Na een ontploffing voor de deur stormde een aantal mensen het honk binnen en werden de aanwezigen afgetuigd met knuppels en allerlei andere slagvoorwerpen, werden rookpotten ontstoken en werd er brand gesticht. Binnen enkele seconden ontstond een chaos van rook, vuur en geweld, waarbij uiteindelijk ook nog een slachtoffer is gestoken. De rechtbank kan zich de gevoelens van doodsangst die sommige slachtoffers hebben gehad goed voorstellen. Wie onder de geschetste omstandigheden een kast in vlucht, wetende dat er binnen brand woedt, en dan de rook onder de deur door ziet komen, denkt dat zijn laatste uur geslagen heeft. Ook de aanblik van andere slachtoffers, liggend op de grond, onder het bloed, is een traumatische ervaring.

De feiten kunnen moeilijk anders worden gekwalificeerd dan als een tot op de primitiefste menselijke gevoelens teruggaande agressieve – en gelet op het enorme overwicht aan AJAX-supporters – laffe daad. De vraag waartoe dit alles heeft moeten dienen, roept slechts een ijzige stilte op.

Verdachte heeft aan dit alles meegedaan zoals in het voorgaande reeds is omschreven.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank voorts gelet op het feit dat is gebleken dat verdachte één van de meest gevaarzettende uitvoeringshandelingen heeft verricht, namelijk het gooien van molotov-cocktails die kennelijk door hem zelf voor dat doel voorafgaand waren vervaardigd.

Tevens is gelet op het op naam van verdachte staande uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 5 april 2006 en op de inhoud van het reclasseringsrapport van de stichting reclassering Nederland, regio Utrecht-Arnhem, van 16 juni 2006.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

Ter terechtzitting hebben zich elf benadeelde partijen gevoegd ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding. De benadeelde partijen worden, met uitzondering van ADO Den Haag NV, vertegenwoordigd door mr. Westendorp en hebben domicilie gekozen op zijn kantoor.

Deze vorderingen zien op materiële en immateriële schade en betreffen de hiernagenoemde bedragen:

- ADO Den Haag NV : € 307,16 (materiële schade);

- [benadeelde partij 4] : € 7.394,- (immateriële en materiële schade);

- [benadeelde partij 11] : € 4.195,- (immateriële en materiële schade);

- [benadeelde partij 6] : € 4.910,- (immateriële en materiële schade);

- [benadeelde partij 7] : € 2.850,- (immateriële en materiële schade);

- [benadeelde partij 5] : € 3.000,- (immateriële en materiële schade);

- [benadeelde partij 9] : € 2.575,- (immateriële en materiële schade);

- [benadeelde partij 10] : € 3.214,- (immateriële en materiële schade);

- [benadeelde partij 3] : € 2.819,95 (immateriële en materiële schade);

- [benadeelde partij 8] : € 2.500,- (immateriële schade);

- [benadeelde partij 2] : € 6.500,- (immateriële schade).

De vordering van ADO Den Haag NV, is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd. Deze vordering is naar het oordeel van de rechtbank eenvoudig van aard en vindt rechtstreeks haar grondslag in het onder 4 primair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal ADO Den Haag NV derhalve ontvankelijk verklaren in haar vordering en deze volledig toewijzen.

[Benadeelde partij 4] maakt in zijn hoedanigheid van beheerder van het ADO-honk aanspraak op vergoeding van materiële en immateriële schade. Ten aanzien van de gestelde materiële schade is de vordering onderbouwd met een globaal overzicht van de aan het interieur van het ADO-honk toegebrachte schade. Deze vordering is naar het oordeel van de rechtbank deels eenvoudig van aard, terwijl die vordering rechtstreeks haar grondslag vindt in het onder 1 primair en 4 primair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit. Uit de stukken van het geding kan worden opgemaakt dat [benadeelde partij 4] beheerder is van het ADO-honk alsmede dat door de bestorming van het ADO-honk door verdachte en zijn medeverdachten aanzienlijke schade is toegebracht aan het interieur daarvan. [Benadeelde partij 4] was ten tijde van de bestorming van het ADO-honk in het pand aanwezig en is samen met anderen gevlucht in een kast achter de bar. Deze kast heeft hij nadien moeten verlaten omdat de kast vol met rook kwam te staan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [benadeelde partij 4] psychische schade heeft ondervonden. De gevorderde immateriële schadevergoeding vindt rechtstreeks haar grondslag in de onder 1 primair en 3 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief aan verdachte telastgelegde en bewezen verklaarde feiten. [benadeelde partij 4] is derhalve deels ontvankelijk in zijn vordering. De vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,- bij wege van voorschot wegens geleden materiële schade en een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade. Voor het overige dient de vordering van [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De vorderingen van [benadeelde partij 11], [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 7], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 9], [benadeelde partij 10], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 2] bestaan uit geleden materiële en immateriële schade. De door deze partijen gevorderde materiële schade is op geen enkele wijze onderbouwd. Dit gedeelte van de vorderingen is naar het oordeel van de rechtbank niet van zodanige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Voor zover het vergoeden van schade aan auto’s wordt gevorderd, worden benadeelde partijen [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 11] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, nu het telastgelegde openlijk geweld tegen de auto’s niet is bewezen.

Met betrekking tot de door genoemde benadeelde partijen gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat deze rechtstreeks haar grondslag vindt in de onder 1 primair en 3 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief aan verdachte telastgelegde en bewezen verklaarde feiten. Voornoemde benadeelde partijen waren op 10 februari 2006 aanwezig in het ADO-honk toen zij plotseling weden opgeschrikt door de bestorming van het ADO-honk door verdachte en zijn medeverdachten. Bij deze bestorming is brand gesticht en zijn [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 11], [benadeelde partij 7], [benadeelde partij 10] en [benadeelde partij 3] geslagen met knuppels. [benadeelde partij 2] is door een 6-tal mannen omringd en met knuppels en stokken geslagen. Als gevolg van de hierdoor opgelopen verwondingen moest hij naar het ziekenhuis worden afgevoerd. [Benadeelde partij 5], [benadeelde partij 9] en [benadeelde partij 8] zijn niet geslagen en hebben hun toevlucht gezocht in kasten in het ADO-honk. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat voormelde benadeelde partijen psychische schade hebben ondervonden.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat [benadeelde partij 11], [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 7], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 9], [benadeelde partij 10], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 2] deels ontvankelijk zijn in hun vorderingen. De vorderingen van [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 9] en [benadeelde partij 8] worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,- per persoon aan immateriële schade.

De vorderingen van [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 11], [benadeelde partij 7], [benadeelde partij 10] en [benadeelde partij 3] zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 1.500,- per persoon aan immateriële schade. Aan hen wordt een hogere vergoeding aan immateriële schade toegekend omdat zij met knuppels zijn geslagen.

De vordering van [benadeelde partij 2] is toewijsbaar tot een bedrag van € 2.000,- omdat hij door meerdere mensen is omringd en daarbij met knuppels en stokken is geslagen. Voor het overige dienen de vorderingen van voormelde benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het vorenstaande brengt mee dat verdacht dient te worden veroordeeld in de kosten die alle benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Voor zover de vorderingen worden toegewezen, geschiedt dit hoofdelijk.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 primair, 3 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief en 4 primair bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 307,61 ten behoeve van het slachtoffer ADO Den Haag NV, een bedrag van € 2.000,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 4], een bedrag van € 1.500,- per persoon ten behoeve van de slachtoffers genaamd [slachtoffer 6], [slachtoffer 11], [slachtoffer 7], [slachtoffer 10] en [slachtoffer 3], een bedrag van € 1.000,- per persoon ten behoeve van de slachtoffers genaamd [slachtoffer 5], [slachtoffer 9] en [slachtoffer 8] en een bedrag van € 2.000,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2].

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45, 47, 57, 141, 157 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van de onder 2 subsidiair telastgelegde voorbereidingshandelingen voor doodslag en de onder 3 subsidiair telastgelegde voorbereidingshandelingen voor het plegen van ‘misdrijven waarop naar wettelijk omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld’.

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2.primair, 2.subsidiair en 5 telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1.primair, 3.primair eerste en tweede cumulatief/alternatief en onder 4.primair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

feit 1.primair:

medeplegen van opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen voor goederen te duchten is

en

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

feit 3.primair, eerste cumulatief/alternatief:

medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 3.primair, tweede cumulatief/alternatief:

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

feit 4.primair:

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren;

in verzekering gesteld op : 3 april 2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 6 april 2006,

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 1 jaar niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd bij alle officiële wedstrijden van AJAX niet binnen een straal van twee kilometer van het speelveld of het stadion mag komen gedurende een periode van twee uur vóór de wedstrijd tot twee uur na de wedstrijd;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ADO Den Haag NV toe en veroordeelt verdachte daartoe:

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan ADO Den Haag NV [adres] een bedrag van € 307,61, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 307,61 ten behoeve van het slachtoffer ADO Den Haag NV;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de tien overige benadeelde partijen gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte daartoe:

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 4] (domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr A.H. Westendorp), een bedrag van € 2.000,-, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 2.000,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 6] (domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr A.H. Westendorp), een bedrag van € 1.500,-, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.500,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 5] (domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr A.H. Westendorp), een bedrag van € 1.000,-, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.000,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 9] (domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr A.H. Westendorp), een bedrag van € 1.000,-, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.000,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 8] (domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr A.H. Westendorp), een bedrag van € 1.000,-, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.000,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 11] (domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr A.H. Westendorp), een bedrag van € 1.500,-, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.500,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 11];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 7] (domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr A.H. Westendorp), een bedrag van € 1.500,-, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.500,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 10] (domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr A.H. Westendorp), een bedrag van € 1.500,-, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.500,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer[slachtoffer 10];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 3] (domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr A.H. Westendorp), een bedrag van € 1.500,-, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.500,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 2] (domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr A.H. Westendorp), een bedrag van € 2.000,-, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 2.000,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 9], [benadeelde partij 8], [benadeelde partij 11], [benadeelde partij 7], [benadeelde partij 10], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] voor het overige niet ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat zij deze vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Van der Burg, voorzitter,

Höppener en Pereira Horta, rechters,

in tegenwoordigheid van Wagter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juli 2006.