Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY0411

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-06-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
AWB 06/24599
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Grensdetentie / AC / nader onderzoek / artikel 1F VSV / onderzoek ziet op eisers vader en niet op eiser zelf.

Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en heeft op 15 mei 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Eiser is op 16 (eerste gehoor) en 18 mei 2006 (nader gehoor) in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag in het kader van de aanmeldcentrumprocedure toe te lichten. Eiser heeft een universitaire opleiding tandheelkunde gevolgd in Bagdad en heeft nog nooit gewerkt. Eiser is in het gezelschap van zijn vader Nederland ingereisd. Zijn vader heeft ook een asielaanvraag ingediend. In het kader van die aanvraag onderzoekt verweerder of aan eisers vader, als directeur van een Iraakse veiligheidsdienst, artikel 1F VSV kan worden tegengeworpen. Bij brief van 19 mei 2006 heeft verweerder aan de Stichting Rechtsbijstand Asiel meegedeeld dat eiser op grond van paragraaf C3/12.3.3.1, onder d, Vc 2000 in het grenshospitium wordt geplaatst en dat redengevend daarvoor is dat nader onderzoek nodig is, waarbij wordt verwezen naar het onderzoek dat tezelfdertijd zal worden ingesteld naar de asielaanvraag van eisers vader. In gedingstuk B27 heeft verweerder gerelateerd dat de overplaatsing naar het grenshospitium verband houdt met 1F-onderzoek. Tussen partijen is niet in geschil dat het mogelijk tegenwerpen aan eisers vader van ernstige misdrijven, niet van invloed kan zijn op de aanspraken van eiser op toelating als meerderjarige zoon als asielzoeker, omdat eiser niet afhankelijk is van zijn vader in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000. Ook al zou de vader artikel 1F VSV kunnen worden tegengeworpen, dan kan eiser om die reden geen asiel worden geweigerd. Het argument in de brief van 19 mei 2006 en gedingstuk B27 voor het nader onderzoek kan daarom de voortzetting van de vrijheidsontneming niet rechtvaardigen. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en opheffing van de maatregel bevelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06 / 24599

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 juni 2006

in de zaak van:

A, (eigen opgave), door verweerder en eisers gemachtigde ook geschreven als: A (A)

geboren op [...] 1982, van Iraakse nationaliteit, verblijvende in

het Grenshospitium, locatie Tafelbergweg te Amsterdam

eiser,

raadsman: mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen:

de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. F. Boone, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft op 14 mei 2006 aan eiser op grond van artikel 3 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de toegang tot Nederland geweigerd.

1.2 De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft aan eiser is op 15 mei 2006 op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

1.3 De maatregel is aanvankelijk ten uitvoer gelegd in het Aanmeldcentrum (AC) te Schiphol.

1.4 Eiser heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel op 19 mei 2006 beroep ingesteld.

1.5 Op 20 mei 2006 heeft verweerder het Grenshospitium (GH) aangewezen als ruimte of plaats in de zin van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw.

1.6 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 29 mei 2006. Het geschil is gelijktijdig behandeld met een beroep van eisers vader ook tegen een vrijheidsontnemende maatregel (zaaknummer 06/24609). Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw het beroep gegrond en beveelt zij, voor zover thans van belang, de opheffing van de maatregel.

2.2 Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

2.3 In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) zijn beleidsregels neergelegd voor oplegging dan wel voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel aan vreemdelingen die een asielaanvraag willen indienen. In C3/12.3.3.1, onder d, Vc heeft verweerder bepaald dat na aanmelding in het aanmeldcentrum Schiphol de IND beziet of een maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw kan worden voortgezet op basis van het criterium - voor zover hier van belang -: ten aanzien van de asielzoeker zijn asielrelaas is nader onderzoek of analyse noodzakelijk teneinde te bepalen of het asielverzoek dient te worden afgewezen. Voortzetting op deze grond vindt plaats wanneer verder onderzoek naar het asielrelaas is geïndiceerd en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan onderzoek van documenten.

2.4 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

Eiser heeft op 15 mei 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Eiser is op 16 (eerste gehoor) en 18 mei 2006 (nader gehoord) in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag in het kader van de aanmeldcentrumprocedure toe te lichten. Eiser heeft een universitaire opleiding tandheelkunde gevolgd in Bagdad en heeft nog nooit gewerkt.

Eiser is in het gezelschap van zijn vader Nederland ingereisd. Zijn vader heeft ook een asielaanvraag ingediend. In het kader van die aanvraag onderzoekt verweerder of aan eisers vader, als directeur van een Iraakse veiligheidsdienst, artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.

Bij brief van 19 mei 2006 heeft verweerder aan de Stichting Rechtsbijstand Asiel meegedeeld dat eiser op grond van C3/12.3.3.1, onder d, Vc in het GH wordt geplaatst (gedingstuk B25) en dat redengevend daarvoor is dat nader onderzoek nodig is, waarbij wordt verwezen naar het onderzoek dat tezelfdertijd zal worden ingesteld naar de asielaanvraag van eisers vader. In gedingstuk B27 heeft verweerder gerelateerd dat de overplaatsing naar het GH verband houdt met onderzoek 1F.

2.5 Eiser heeft aangevoerd dat nader onderzoek niet noodzakelijk was en dat op de asielaanvraag van eiser in de aanmeldcentrumprocedure beslist had kunnen worden. Indien nog nader onderzoek nodig is, dient dat in een niet gesloten opvangcentrum plaats te vinden. Aan eiser is en kan geen artikel-1F-Vluchtelingenverdrag-verwijt worden gemaakt.

2.6 Verweerder heeft ter zitting erkend dat aan de zoon van eiser in het kader van de asielaanvraag geen 1F-verwijt is gemaakt en ook niet kan worden gemaakt en dat de asielaanvraag van eiser los staat van de aanvraag van eisers vader waar nader onderzoek is ingesteld als bedoeld in C3/12.3.3.1, onder h, Vc. De enige reden om niet op de aanvraag van de zoon te beslissen en hem gedetineerd te houden, is verweerders wens om de behandeling van de asielaanvraag van de vader en de zoon niet uit elkaar te laten lopen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 Tussen partijen is niet in geschil dat het mogelijk tegenwerpen aan eisers vader van ernstige misdrijven, niet van invloed kan zijn op de aanspraken van eiser op toelating als meerderjarige zoon als asielzoeker, omdat eiser niet afhankelijk is van zijn vader in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, Vw. Ook al zou de vader artikel 1F Vluchtelingenverdrag kunnen worden tegengeworpen, dan kan eiser om die reden geen asiel worden geweigerd.

2.8 Het argument in de brief van 19 mei 2006 en gedingstuk B27 voor het nader onderzoek kan daarom de voortzetting van de vrijheidsontneming niet rechtvaardigen.

2.9 Verweerder heeft ter zitting desgevraagd niet kunnen aangeven welk ander onderzoek nodig is dat binnen zes weken kan worden afgerond.

2.10 Gelet op het voorgaande kan de motivering het besluit tot voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel in het licht van de beleidsregel niet dragen.

2.11 De rechtbank ziet, bij gebreke van een andere motivering, geen grond voor het oordeel dat de maatregel overigens in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2.12 Het beroep zal gegrond worden verklaard wegens schending van artikel 3:46 en 4:84 Awb. De maatregel zal moeten worden opgeheven.

2.13 De rechtbank ziet aanleiding verweerder in de proceskosten te veroordelen ad € 322,--, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond en beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw;

3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro) onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, en op 8 juni 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van deze uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.