Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY0295

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-04-2006
Datum publicatie
07-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/49013
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Guinee / traumatabeleid / substantiële niet-strafrechtelijke detentie / motivering.

Niet ter discussie staat dat eiser niet-strafrechtelijk gedetineerd heeft gezeten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet onder het traumatabeleid valt, aangezien de detentie geen substantiële niet-strafrechtelijke detentie was. Daartoe heeft verweerder overwogen dat uit de verklaringen van eiser dat hij geen littekens of blijvend letsel heeft opgelopen tijdens zijn arrestatie, dat hij nimmer is ondervraagd, noch mishandeld, noch in staat van beschuldiging gesteld, geen traumatiserende omstandigheden zijn af te leiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee in redelijkheid onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning asiel op de c-grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt dat alle gestelde traumatiserende omstandigheden zijn meegewogen. Zo blijkt uit het bestreden besluit niet op welke wijze de minderjarigheid van eiser ten tijde van zijn detentie, de wekenlange geïsoleerde opsluiting in een cel zonder daglicht, alsmede het getuige zijn bij de mishandeling van zijn vader voorafgaand aan zijn detentie, zijn meegewogen bij de toepassing van het traumatabeleid. Voorts overweegt de rechtbank dat het gegeven dat eiser nimmer is ondervraagd, noch in staat van beschuldiging is gesteld, veeleer voortvloeit uit het feit dat de detentie niet-strafrechtelijk was, dan dat hieruit zou blijken dat de detentie niet traumatiserend zou zijn. De rechtbank volgt de stelling van verweerder ter zitting dat het trauma gerelateerd moet worden aan de gebruiken in een bepaald land evenmin. Niet valt in te zien dat een detentie, mishandeling, verkrachting of andere traumatiserende gebeurtenis voor de ene persoon minder traumatiserend zou zijn dan voor de andere, enkel omdat degelijke gebeurtenissen vaker voorkomen in een land. De rechtbank kan wel inzien dat een detentie in het ene land sneller traumatiserend kan zijn dan in het andere, indien de detenties in meer of mindere erbarmelijke omstandigheden plaatsvinden. Nu verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt dat alle gestelde traumatiserende gebeurtenissen bij zijn beoordeling zijn betrokken, heeft verweerder in strijd gehandeld met het motiveringsvereiste, zoals neergelegd in artikel 3:46 Awb. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 05/49013

Datum uitspraak: 6 april 2006

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

A,

geboren op [...] 1985,

v-nummer 200.746.1460,

van Guinese nationaliteit,

eiser,

gemachtigde G.J. van der Graaf,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.F. Ticheler,

ambtenaar in dienst van de IND.

Het procesverloop

Op 13 december 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij besluit van 18 juli 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij dat besluit heeft verweerder ambtshalve besloten eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV).

Op 18 juli 2003 heeft verweerder dit besluit ingetrokken.

Bij besluit van 10 februari 2004 heeft verweerder de aanvraag wederom afgewezen. Uit het besluit blijkt dat eiser reeds in het bezit is van een AMV-vergunning.

Het door eiser, tegen de afwijzende beslissing op zijn asielaanvraag, ingestelde beroep is door deze rechtbank en nevenzittingsplaats op 30 juni 2005 gegrond verklaard. Daarbij is het besluit van 10 februari 2004 vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft verweerder opnieuw op de aanvraag beslist en deze wederom afgewezen.

Op 1 november 2005 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 22 maart 2006. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Gezien de gronden van het beroep heeft de rechtsstrijd betrekking op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgronden.

3. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvraag, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard. Op 23 september 2000 is het dorp B waar eiser woonde aangevallen door soldaten. Eiser is samen met zijn familie meegenomen naar de gevangenis van Kindia, alwaar zij van elkaar zijn gescheiden. Tijdens de arrestatie is de vader van eiser mishandeld. Eiser heeft enkele weken zonder vorm van proces, geïsoleerd in een cel zonder daglicht gevangen gezeten. Met behulp van een militaire bewaker die zijn vader kende, is eiser vrijgekomen en direct naar de haven van Conakry vertrokken. Op 2 december 2000 is eiser in Nederland aangekomen.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Naar het oordeel van verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. Hiertoe stelt verweerder dat niet valt in te zien dat eiser vervolgd en gedetineerd is op grond van zijn etnische afkomst, noch doordat zijn vader een hoofdman is, aangezien eiser behoort tot de grootste etnische groep in Guinee. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt wat zijn etnische afkomst met de rebellen te maken zou hebben. Dat de broer van eiser lange tijd niet-strafrechtelijk gedetineerd heeft gezeten, behoeft niet in de procedure van eiser te worden betrokken. Voorts heeft eiser geen reëel en voorzienbaar risico op een schending van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aannemelijk gemaakt. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, nu niet is gebleken van dusdanige traumatiserende gebeurtenissen dat van hem niet verlangd kan worden terug te keren naar het land van herkomst.

5. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin is wel degelijk gegrond. Immers eiser en zijn familie hebben reeds aan vervolging blootgestaan. Zij zijn gearresteerd en gedetineerd geweest zonder vorm van strafrechtelijk proces. Ook uit het feit dat eisers broer lange tijd niet-strafrechtelijk gedetineerd heeft gezeten, blijkt de negatieve aandacht van de autoriteiten voor eiser en zijn familie. Nu er direct voorafgaande aan zijn vlucht sprake was van vervolging en eiser zich daaraan door ontsnapping heeft onttrokken, is het aannemelijk dat de negatieve aandacht van de autoriteiten bij terugkeer nog aanwezig zal zijn.

Tevens heeft verweerder ten onrechte de omstandigheden waaronder eiser gedetineerd heeft gezeten niet in de beoordeling van een mogelijk 3 EVRM-risico betrokken. Eiser meent dat de detentie, gelet op het feit dat hij als minderjarige geïsoleerd gevangen werd gehouden in een cel zonder daglicht en zonder enige aanklacht of informatie, in strijd moet worden geacht met artikel 3 van het EVRM. Nu eiser reeds een schending van artikel 3 van het EVRM heeft moeten verduren, is zijn vrees op een nieuwe behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar het land van herkomst gegrond.

Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder hem op grond van het traumatabeleid een verblijfsvergunning asiel had moeten verlenen, aangezien eiser substantieel niet-strafrechtelijk gedetineerd heeft gezeten en hij getuige was van de mishandeling van zijn vader. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de mishandeling van eisers vader niet onder het traumatabeleid kan vallen. Voorts heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat er geen sprake is van substantiële niet-strafrechtelijke detentie. Aangezien verweerders beleid geen uitsluitsel biedt over de vraag wanneer een detentie substantieel is, dient verweerder dit per concreet geval te motiveren.

6. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder in het bestreden besluit het relaas van eiser geloofwaardig heeft geacht en het -voor waar aangenomen- relaas op de zwaarwegendheid heeft getoetst. De stelling van verweerder in het verweerschrift dat verweerder het relaas ongeloofwaardig heeft bevonden, nu hij de door eiser getrokken conclusies uit het -voor waar aangenomen- relaas niet onderschrijft, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank vindt deze stelling geen steun in het bestreden besluit, noch in de jurisprudentie. De rechtbank overweegt voorts als volgt.

7. Op grond van artikel 29 van de Vw 2000 kan, voor zover van belang, een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:.

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

8. Met betrekking tot het beroep op de a-grond van artikel 29 van de Vw 2000 overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 1 A, aanhef en onder 2, van het Vluchtelingenverdrag geldt als verdragsvluchteling “elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren.”

9. Niet in geschil is dat eiser nimmer politiek actief is geweest, noch dat hij of zijn familie om die reden zouden zijn vervolgd. Eiser stelt te vrezen voor vervolging op grond van zijn etnische -Peulse- afkomst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde vrees voor vervolging op grond van eisers etnische afkomst niet aannemelijk is. Immers eiser heeft verklaard de reden van zijn detentie niet te weten, noch of de functie van zijn vader daarbij enige rol heeft gespeeld. Voorts heeft eiser in het nader gehoor verklaard nimmer problemen te hebben gehad op grond van zijn etnische afkomst. Dat de soldaten bij de arrestatie riepen dat zij, als Peul, de rebellen hielpen, leidt niet tot vluchtelingenschap. Hierbij overweegt de rechtbank dat blijkens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Guinee van 3 oktober 2003 de Peulse bevolkingsgroep de meerderheid vormt in Guinee. Het zijn van Peul in Guinee kan in het onderhavige geval, naar het oordeel van de rechtbank, niet tot vluchtelingenschap leiden. Nu eiser voor het overige geen aanknopingspunten met een van de andere vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag heeft aangedragen, kan een beroep op de a-grond niet slagen.

10. Naar aanleiding van het beroep op de b-grond van artikel 29 van de Vw 2000 overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 3 van het EVRM mag niemand onderworpen worden aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt, dat op de staten die partij zijn bij het EVRM, de verantwoordelijkheid rust een uit te zetten vreemdeling te behoeden voor een behandeling die in strijd is met deze bepaling. Uitzetting dient niet plaats te vinden indien de vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt onderworpen te worden aan een dergelijke behandeling (uitspraken van het EHRM van 30 oktober 1991 en 15 november 1996 inzake respectievelijk Vilvarajah, RV 1991 nr. 19, en Chahal, NJ 1997 nr. 301). De loutere mogelijkheid van een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM is in het algemeen niet voldoende om voornoemd reëel risico aan te kunnen nemen.

11. Eiser leidt zijn vrees voor een behandeling in strijd met het artikel 3 van het EVRM af uit het feit dat hij ten tijde van zijn detentie in de negatieve aandacht van de autoriteiten stond, welke negatieve aandacht bij terugkeer naar het land van herkomst nog aanwezig zal zijn, aangezien hij uit zijn detentie is ontsnapt en niet is vrijgelaten. De rechtbank overweegt dat, mede gezien hetgeen hieboven is overwogen, eiser niet duidelijk heeft gemaakt om welke redenen hij is opgepakt. Nu eiser dit niet duidelijk heeft gemaakt, kan niet de conclusie worden getrokken dat eiser bij terugkeer wederom gearresteerd zal worden niet aannemelijk. Het enkele feit dat eiser is ontsnapt aan zijn detentie, levert dan ook te weinig aanknopingspunten op om een schending van 3 EVRM reëel en voorzienbaar te achten. Nu eiser voor het overige geen concrete op zijn persoon toegespitste aanknopingspunten heeft aangevoerd, heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, mogen stellen dat het niet aannemelijk is dat juist eiser een schending van artikel 3 van het EVRM te wachten staat bij terugkeer naar het land van herkomst. Derhalve kan een beroep op de b-grond niet slagen.

12. Met betrekking tot het beroep op de c-grond van artikel 29 van de Vw 2000 overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de vreemdeling van wie naar het oordeel van de Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

De wijze waarop de minister van deze bevoegdheid gebruik maakt, is neergelegd in paragraaf C1/4.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

13. In hoofdstuk C1/4.4.2.1 en 4.4.2.2 van de Vc 2000, waarin het traumatabeleid is vastgesteld, wordt een limitatieve opsomming gegeven van gebeurtenissen die aanleiding kunnen geven tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid. In die limitatieve opsomming wordt onder meer het getuige zijn van marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van naaste familieleden of huisgenoten en substantiële niet-strafrechtelijke detentie vermeld.

14. Niet ter discussie staat dat eiser niet-strafrechtelijk gedetineerd heeft gezeten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet onder het traumatabeleid valt, aangezien de detentie geen substantiële niet-strafrechtelijke detentie was. Daartoe heeft verweerder overwogen dat uit de verklaringen van eiser dat hij geen littekens of blijvend letsel heeft opgelopen tijdens zijn arrestatie, dat hij nimmer is ondervraagd, noch mishandeld, noch in staat van beschuldiging gesteld, geen traumatiserende omstandigheden zijn af te leiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee in redelijkheid onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning asiel op de c-grond. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt dat alle gestelde traumatiserende omstandigheden zijn meegewogen. Zo blijkt uit het bestreden besluit niet op welke wijze de minderjarigheid van eiser ten tijde van zijn detentie, de wekenlange geïsoleerde opsluiting in een cel zonder daglicht, alsmede het getuige zijn bij de mishandeling van zijn vader voorafgaand aan zijn detentie, zijn meegewogen bij de toepassing van het traumatabeleid. Voorts overweegt de rechtbank dat het gegeven dat eiser nimmer is ondervraagd, noch in staat van beschuldiging is gesteld, veeleer voortvloeit uit het feit dat de detentie niet-strafrechtelijk was, dan dat hieruit zou blijken dat de detentie niet traumatiserend zou zijn. De rechtbank volgt de stelling van verweerder ter zitting dat het trauma gerelateerd moet worden aan de gebruiken in een bepaald land evenmin. Niet valt in te zien dat een detentie, mishandeling, verkrachting of andere traumatiserende gebeurtenis voor de ene persoon minder traumatiserend zou zijn dan voor de andere, enkel omdat degelijke gebeurtenissen vaker voorkomen in een land. De rechtbank kan wel inzien dat een detentie in het ene land sneller traumatiserend kan zijn dan in het andere, indien de detenties in meer of mindere erbarmelijke omstandigheden plaatsvinden.

Nu verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt dat alle gestelde traumatiserende gebeurtenissen bij zijn beoordeling zijn betrokken, heeft verweerder in strijd gehandeld met het motiveringsvereiste, zoals neergelegd in artikel 3:46 van de Awb.

15. Derhalve is het beroep gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Voorts bestaat aanleiding de Staat aan te wijzen als de rechtspersoon die aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 11 oktober 2005;

- draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan eiser;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eiser € 138,00 te betalen ter vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Gielissen en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2006 in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders als griffier.

de griffier?

de rechter

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).