Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY0293

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-04-2006
Datum publicatie
07-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/48424
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Liberia / geloofwaardigheid nationaliteit / inspanningsverplichting / artikel 83 Vw 2000.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de in beroep overgelegde documenten (paspoort, geboorteakte en authenticiteitverklaring) wel als feiten en omstandigheden in de zin van artikel 83 Vw 2000 aan te merken. Blijkens het ambtsbericht inzake Liberia van 26 augustus 2005 is het voor Liberiaanse vrouwen onder de achttien jaar niet mogelijk om zelfstandig een reis- of identiteitsdocument aan te vragen. Nu eiseres in augustus 2005, derhalve na de bestreden beslissing, achttien is geworden was het voor haar niet mogelijk om reeds in de besluitvormingsfase zich met succes tot de Liberiaanse autoriteiten te richten met een verzoek tot afgifte van reis- en identiteitsdocumenten. De stelling van verweerder dat eiseres zich al vanaf de eerste afwijzing van haar asielaanvraag tot de ambassade had kunnen wenden teneinde enige vorm van bewijs te krijgen volgt de rechtbank niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting aan heeft gegeven dat het niet aannemelijk is dat de ambassade een dergelijke vorm van bewijs zou geven. Dit klemt te meer nu eiseres ter zitting naar voren heeft gebracht dat ze met behulp van Vluchtelingenwerk contact met de ambassade heeft gezocht, maar daarvoor geen bewijs heeft gekregen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Tevens was het voor eiseres niet mogelijk om zonder toestemming van verweerder zich buiten Nederland te begeven. Voorts acht de rechtbank van belang dat verweerder niet kenbaar heeft gemaakt op welke gronden het besluit van 19 november 2003 werd ingetrokken, zodat het voor eiseres niet inzichtelijk was of verweerder nog immer twijfelde aan haar gestelde nationaliteit. Nu niet aannemelijk is dat eiseres voordat ze achttien werd documenten van de Liberiaanse autoriteiten kon verkrijgen en nu ze zich kort nadat ze achttien jaar is geworden tot de Liberiaanse autoriteiten heeft gewend, is de rechtbank van oordeel dat de door haar in beroep bemachtigde documenten in de onderhavige procedure dienen te worden betrokken, aangezien het feiten en omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 83 Vw 2000. Teneinde haar verklaringen met documenten te onderbouwen heeft eiseres zich tot het Rode Kruis gewend met een verzoek om hulp bij het zoeken naar haar familie en voor het verkrijgen van een geboorteakte. Zoals reeds eerder overwogen heeft eiseres zich tevens via het Vluchtelingenwerk tot de Liberiaanse autoriteiten gewend. Deze pogingen zijn zonder resultaat gebleven. Nadat eiseres achttien werd heeft ze zich binnen afzienbare tijd tot de Liberiaanse autoriteiten gewend, wat tot het bemachtigen van de bovengenoemde documenten heeft geleid. Gezien de door eiseres ondernomen inspanningen en gezien de onmogelijkheden in het geval van eiseres om documenten te bemachtigen, kan verweerder niet in redelijkheid stellen dat eiseres niet aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 05/48424

Datum uitspraak: 6 april 2006

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

A,

geboren op [...] augustus 1987,

v-nummer 270.263.5107,

van Liberiaanse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. T. Pondaag,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.F. Ticheler,

ambtenaar in dienst van de IND.

Het procesverloop

Bij besluit van 19 november 2003 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 16 november 2003 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Het tegen dit besluit ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, op 11 december 2003 gegrond verklaard.

Het door verweerder ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) op 19 februari 2004 gegrond verklaard.

Bij brief van 26 mei 2004 heeft verweerder te kennen gegeven de beslissing van 19 november 2003 in te trekken.

Bij besluit van 30 september 2005 heeft verweerder de aanvraag wederom afgewezen.

Op 27 oktober 2005 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 22 maart 2006. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Aan haar aanvraag heeft eiseres het volgende, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd. Eiseres is geboren in Liberia en bezit de Liberiaanse nationaliteit. Op driejarige leeftijd is eiseres met haar familie naar Sierra Leone gevlucht. Voor de begrafenis van haar opa is eiseres naar Liberia teruggekeerd. Daar is ze overvallen en ontvoerd door rebellen. Ten tijde van haar gevangenschap bij de rebellen was ze getuige van de dood van gevangenen en werd ze door een van de rebellen meermaals verkracht en, indien ze zich hiertegen verzette, mishandeld. Uiteindelijk is eiseres aan deze situatie ontsnapt en naar Nederland gevlucht.

3. Verweerder heeft de onderhavige aanvraag afgewezen en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd. Eiseres heeft niet met documenten, noch anderszins haar gestelde Liberiaanse nationaliteit aannemelijk gemaakt. Dat eiseres via het Rode Kruis heeft geprobeerd een geboorteakte te verkrijgen en heeft geprobeerd haar familie te vinden, maakt dit niet anders. Aan eiseres wordt niet meer tegengeworpen dat ze weinig over Liberia kan verklaren, aangezien ze zeer jong was toen ze dat land verliet. Wel wordt aan eiseres tegengeworpen dat ze onvoldoende inspanningen heeft verricht om haar Liberiaanse nationaliteit aannemelijk te maken. Verweerder acht het veeleer aannemelijk dat eiseres de Sierraleoonse nationaliteit bezit, dan wel hierop aanspraak kan maken. Hiervoor verwijst verweerder naar artikel 6 van de Staatsburgerschapwetgeving van Sierra Leone. Verweerder betwist de geloofwaardigheid van het relaas niet. Uit het relaas blijkt echter niet dat de situatie voor eiseres in Sierra Leone dusdanig is dat tot verblijfsaanvaarding op een van de gronden van artikel 29 van de Vw 2000 dient te worden overgegaan.

4. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft daartoe het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Eiseres heeft zich immer op het standpunt gesteld de Liberiaanse nationaliteit te bezitten. Ze heeft zich wel degelijk voldoende ingespannen om haar nationaliteit aannemelijk te maken. Eiseres heeft via het Rode Kruis geprobeerd haar familie te vinden en een geboorteakte te bemachtigen. Het was voor haar niet mogelijk om zich tot de Liberiaanse autoriteiten te wenden, aangezien zij vluchteling was en omdat verweerder het haar niet toestond om naar het buitenland te reizen, terwijl de Liberiaanse ambassade in Brussel is gelegen. Gezien de Liberiaanse nationaliteitswetgeving was het bovendien voor haar niet mogelijk om voordat ze 18 jaar is geworden een Liberiaans identiteitsdocument aan te vragen. Nadat eiseres 18 was geworden heeft ze zich direct tot de Liberiaanse autoriteiten gewend en heeft ze een Liberiaans paspoort, een geboorteakte en een authenticiteitverklaring gekregen, wat een onderbouwing is van haar immer gestelde nationaliteit.

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder uitgaat van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres in de onderhavige procedure haar gestelde Liberiaanse nationaliteit onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de minister aannemelijk te maken.

7. Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. Ingevolge het tweede lid wordt met feiten en omstandigheden bedoeld in het eerste lid, alleen rekening gehouden, indien deze voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33, relevant kunnen zijn.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres eerst bij het indienen van de gronden van beroep op 28 november 2005 documenten ter staving van haar nationaliteit heeft overgelegd, te weten een geboorteakte, een paspoort en een authenticiteitverklaring.

9. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat deze documenten niet in het onderhavige beroep kunnen worden meegenomen, aangezien het geen feiten en omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 83 van de Vw 2000. Naar het oordeel van verweerder had eiseres de documenten reeds eerder kunnen en derhalve ook moeten overleggen. Volgens verweerder was het aan eiseres om reeds haar aanvraag met documenten te onderbouwen en kon eiseres reeds na de bekendmaking van de eerste asielbeslissing op 19 november 2003 weten dat er werd getwijfeld aan haar nationaliteit. Aangezien de Liberiaanse ambassade in Brussel al die tijd voor eiseres benaderbaar was, had ze de documenten eerder kunnen bemachtigen en derhalve ook eerder moeten overleggen.

10. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de in beroep overgelegde documenten wel als feiten en omstandigheden in de zin van artikel 83 van de Vw 2000 aan te merken. Blijkens een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Liberia van 26 augustus 2005 is het voor Liberiaanse vrouwen onder de 18 jaar niet mogelijk om zelfstandig een reis- of identiteitsdocument aan te vragen. Nu eiseres op [...] augustus 2005, derhalve na de bestreden beslissing, 18 is geworden, was het voor haar niet mogelijk om reeds in de besluitvormingsfase zich met succes tot de Liberiaanse autoriteiten te richten met een verzoek tot afgifte van reis- en identiteitsdocumenten. De stelling van verweerder dat eiseres zich al vanaf de eerste afwijzing van haar asielaanvraag tot de ambassade had kunnen wenden, teneinde enige vorm van bewijs te krijgen, volgt de rechtbank niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting aan heeft gegeven dat het niet aannemelijk is dat de ambassade een dergelijke vorm van bewijs zou geven. Dit klemt te meer nu eiseres ter zitting naar voren heeft gebracht dat ze met behulp van Vluchtelingenwerk contact met de ambassade heeft gezocht, maar daarvoor geen bewijs heeft gekregen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Tevens was het voor eiseres niet mogelijk om zonder toestemming van verweerder zich buiten Nederland te begeven. Voorts acht de rechtbank van belang dat verweerder niet kenbaar heeft gemaakt op welke gronden het besluit van 19 november 2003 werd ingetrokken, zodat het voor eiseres niet inzichtelijk was of verweerder nog immer twijfelde aan haar gestelde nationaliteit.

Nu niet aannemelijk is dat eiseres voordat ze 18 werd documenten van de Liberiaanse autoriteiten kon verkrijgen en nu ze zich kort nadat ze 18 jaar is geworden tot de Liberiaanse autoriteiten heeft gewend, is de rechtbank van oordeel dat de door haar in beroep bemachtigde documenten in de onderhavige procedure dienen te worden betrokken, aangezien het feiten en omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 83 van de Vw 2000.

11. Naar aanleiding van de stelling van verweerder dat eiseres onvoldoende inspanningen heeft verricht om haar gestelde Liberiaanse nationaliteit aannemelijk te maken, overweegt de rechtbank als volgt. Teneinde haar verklaringen met documenten te onderbouwen heeft eiseres zich tot het Rode Kruis gewend met een verzoek om hulp bij het zoeken naar haar familie en voor het verkrijgen van een geboorteakte. Zoals reeds eerder overwogen heeft eiseres zich tevens via het Vluchtelingenwerk tot de Liberiaanse autoriteiten gewend. Deze pogingen zijn zonder resultaat gebleven. Nadat eiseres 18 werd heeft ze zich binnen afzienbare tijd tot de Liberiaanse autoriteiten gewend, wat tot het bemachtigen van de bovengenoemde documenten heeft geleid. Gezien de situatie van eiseres heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, zich niet in redelijkheid op voormeld standpunt kunnen stellen. Immers verweerder heeft niet betwist dat eiseres nimmer een reis- of identiteitsdocument van Liberia heeft gehad. Zoals reeds hierboven overwogen was het voor eiseres niet mogelijk om zich, voordat ze 18 werd, met succes tot de Liberiaanse autoriteiten te wenden met een verzoek om afgifte van reis- of identiteitsdocumenten. Voorts acht de rechtbank van belang dat eiseres in de vorige procedure minder in de gelegenheid was haar nationaliteit aannemelijk te maken, aangezien haar aanvraag binnen 48 uurs-procedure in het aanmeldcentrum was afgedaan, zij destijds minderjarig was en er van 27 juni 2003 tot en met 1 februari 2004 een besluit- en vertrekmoratorium voor asielzoekers uit Liberia van kracht was. Verweerder kan dan ook niet in redelijkheid aan eiseres tegenwerpen dat ze ten tijde van de eerdere procedure meer inspanning had moeten verrichten. Zoals reeds hierboven overwogen kan aan eiseres evenmin worden tegengeworpen dat ze geen extra actie heeft ondernomen nadat verweerder het besluit van 19 november 2003 op 26 mei 2004 heeft ingetrokken, nu de reden voor de intrekking niet kenbaar is gemaakt.

Gezien de door eiseres ondernomen inspanningen en gezien de onmogelijkheden in het geval van eiseres om documenten te bemachtigen, kan verweerder niet in redelijkheid stellen dat eiseres niet aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. De motivering van verweerder in deze kan dan ook niet de rechterlijke toets doorstaan.

12. Gelet op het vorenstaande kan verweerders motivering dat eiseres haar gestelde Liberiaanse nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt evenmin in redelijkheid niet stand houden. Derhalve is het beroep gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 3:46 van de Awb). Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 30 september 2005;

draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats;

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Gielissen en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2006 in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders als griffier.

de griffier?

de rechter

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).