Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY0264

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2006
Datum publicatie
07-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/40687
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit 1/80 / legale arbeid / bezwaarprocedure.

Eiser heeft een reguliere verblijfsvergunning voor verblijf bij echtgenoot gehad. Eiser beroept zich op Besluit 1/80 en stelt zich op het standpunt dat de door hem verrichte arbeid gedurende de bezwaar- en de beroepsfase in zijn geval is aan te merken als legale arbeid in de zin van Besluit 1/80. De rechtbank is van oordeel dat uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen volgt dat arbeid verricht hangende de beroepsprocedure tegen een afwijzende beslissing niet als legale arbeid in de zin van het Associatiebesluit kan worden aangemerkt, voor zover eiser bij het rechtelijk oordeel over die beroepsprocedure niet in het gelijk is gesteld. Hiervoor verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof van 20 september 1990 in de zaak Sevince nr. 192/89. In het onderhavige geval is niet in geschil dat eiser geen aanspraak kan maken op verlenging van zijn oorspronkelijke verblijfsvergunning noch op wijziging daarvan in een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf. Voor zover het beroep is gericht tegen de weigering eiser één van deze vergunningen te verlenen is het derhalve ongegrond. Dit leidt tot de conclusie dat de situatie in de onderhavige zaak overeenkomt met de situatie in de zaak Sevince. Derhalve kan de door eiser gedurende zijn beroepsprocedure verrichte arbeid niet worden aangemerkt als legale arbeid in de zin van het Associatiebesluit. Naar het oordeel van de rechtbank kan arbeid verricht hangende de bezwaarprocedure, evenmin als legale arbeid in voormelde zin worden aangemerkt. Hiervoor verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Birden op 26 november 1998, nr. C-1/97. De rechtbank overweegt dat een bezwaarprocedure een nationaal rechtsmiddel is om een beslissing in primo ongedaan te maken. Het indienen van bezwaar tegen een afwijzende beslissing op een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier heeft, behoudens uitzonderingen, schorsende werking van het besluit in primo tot gevolg. De vreemdeling heeft in afwachting van de beslissing op bezwaar rechtmatig verblijf in Nederland. Derhalve is de periode van de bezwaarprocedure een tijdvlak waarin een vreemdeling, wegens de geschorste werking van een besluit tot weigering van het verlenen van een verblijfsvergunning, een voorlopig recht heeft in Nederland te verblijven en zijn reeds toegestane arbeid te continueren. Uit het voorgaande vloeit voort dat, hoewel er eventueel legaal arbeid verricht mag worden, niet gezegd kan worden dat de situatie van de vreemdeling op de arbeidsmarkt hangende de bezwaarprocedure stabiel en niet voorlopig is. Vanaf het moment waarop verweerder afwijzend heeft beslist op de (verlengings-) aanvraag is naar het oordeel van de rechtbank niet langer sprake van een niet omstreden verblijfsrecht. Derhalve is de arbeid verricht ten tijde van de bezwaarprocedure niet als legale arbeid in de zin van het Associatiebesluit aan te merken. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/334

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 05/40687

Datum uitspraak: 20 april 2006

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

A,

geboren op [...] 1978,

v-nummer 040.202.4420,

van Turkse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. I. Petkovski,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. S.H.F. Pols,

ambtenaar in dienst van de IND.

Het procesverloop

Op 15 september 2003 heeft eiser om verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij echtgenote B (hierna te noemen: referente) gevraagd. Bij besluit van 25 mei 2004 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Eiser heeft daartegen op 10 augustus 2004 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 augustus 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 8 september 2005 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 maart 2006. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.W.M. Jans.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Eiser voldoet niet aan de beperkingen voor de gevraagde vergunning aangezien eiser en referente ten tijde van de aanvraag, noch gedurende de periode tot 12 maart 2004, feitelijk hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Derhalve komt eiser niet in aanmerking voor verlenging van zijn verblijfsvergunning ‘verblijf bij referente’. Eiser heeft nimmer een aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel ‘voortgezet verblijf’ ingediend en dit maakt dan ook geen deel uit van deze procedure. Eiser komt evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ op grond van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG en Turkije (verder te noemen: het Associatiebesluit). Hiertoe heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser op het moment dat zijn verblijfsvergunning verliep (8 oktober 2003) niet voldoende relevante arbeidstijd had opgebouwd. Aangezien er na die tijd geen sprake meer was van een onomstreden verblijfsrecht kan de arbeid verricht na 8 oktober 2003 niet worden aangemerkt als legale arbeid in de zin van artikel 6 van het Associatiebesluit.

3. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Eiser heeft tot 2004 feitelijk met referente samengewoond. Ondanks dat de relatie nadien verbroken is, heeft eiser weldegelijk lang genoeg legale arbeid verricht om voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit in aanmerking te komen, aangezien hij reeds drie jaren legale arbeid bij Timing uitzendbureau heeft verricht. Verder heeft eiser met ingang van 24 juli 2003 bij Tempo Team gewerkt, waar zijn contract laatstelijk op 9 september 2004 is verlengd. Eiser stelt zich op het standpunt dat de arbeid verricht in de periode waarin eiser rechtmatig verblijf had, moet worden meegeteld als legale arbeid in de zin van het Associatiebesluit, zolang nog niet middels een rechtelijke uitspraak onherroepelijk is geworden dat eiser destijds geen rechtmatig verblijf had. Hiervoor heeft eiser gewezen op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (verder: Hof van Justitie). Voorts heeft eiser gewezen op het feit dat hij hangende zijn aanvraag en ten tijde van de bezwaar- en beroepsprocedures rechtmatig arbeid mag verrichten.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Associatiebesluit heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort, behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden,

- na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;

- na vier jaar legale arbeid in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst zijner keuze.

Met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2005/43 heeft verweerder zijn beleid inzake het Associatiebesluit, gewijzigd. Verweerder past het derde streepje van artikel 6 van het Associatiebesluit reeds toe indien de Turkse medewerker drie jaar onafgebroken legale arbeid in hetzelfde beroep bij dezelfde werkgever heeft verricht.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit enkel de vraag heeft behandeld of eiser aan de vereisten van artikel 6, eerste lid, aanhef en eerste streepje, van het Associatiebesluit heeft voldaan. Eiser heeft in beroep aangegeven alleen een beroep te doen op artikel 6, eerste lid, aanhef en tweede en derde streepje, van het Associatiebesluit waarbij hij heeft gewezen op het feit dat hij gedurende drie jaren legale arbeid heeft verricht. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij zijn beroep tegen de verlenging van zijn verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf bij referente’ en tegen het niet toekennen van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ niet handhaaft en enkel een beroep doet op het Associatiebesluit.

7. De rechtbank is met partijen van oordeel dat uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat arbeid verricht hangende de beroepsprocedure tegen een afwijzende beslissing niet als legale arbeid in de zin van het Associatiebesluit kan worden aangemerkt, voor zover eiser bij het rechtelijk oordeel over die beroepsprocedure niet in het gelijk is gesteld. Hiervoor verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof van Justitie van 20 september 1990 in de zaak Sevince (NJ 1992/75). In die uitspraak oordeelt het Hof van Justitie:

“Ook al behoeft het legale karakter van de arbeid niet noodzakelijk af te hangen van het bezit van een legale verblijfstitel, het veronderstelt wel, dat de situatie van de betrokkene op de arbeidsmarkt stabiel en niet slechts voorlopig van aard is. Ofschoon het legaal verrichten van arbeid gedurende een zekere periode, leidt tot toekenning van het recht van verblijf aan het einde van die periode, is het met name moeilijk voorstelbaar, dat een Turkse werknemer aan die voorwaarde kan voldoen en, bijgevolg, dat recht verkrijgt enkel doordat hem - nadat hij, gebruik makend van de nationale rechtsmiddelen, beroep had ingesteld tegen de weigering van de nationale autoriteiten om hem voor die periode een geldige verblijfstitel te verlenen - op grond van de schorsende werking van zijn beroep en in afwachting van de uitkomst van het geding voorlopig was toegestaan, in de betrokken lidstaat te verblijven en er arbeid te verrichten. Het begrip "legale arbeid" in art. 2 lid 1 sub b besluit nr. 2/76 en/of art. 6 lid 1 derde streepje van het besluit 1/80 kan dus geen betrekking hebben op de situatie van de Turkse werknemer die enkel wegens de schorsende werking van zijn beroep legaal arbeid kan blijven verrichten totdat de nationale rechter definitief op het beroep heeft beslist, althans in het geval dat die rechter het beroep verwerpt.”

In het onderhavige geval is -gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht- niet in geschil dat eiser geen aanspraak kan maken op verlenging van zijn oorspronkelijke verblijfsvergunning noch op wijziging daarvan in een verblijfsvergunning voor “voortgezet verblijf”. Voor zover het beroep is gericht tegen de weigering eiser één van deze vergunningen te verlenen is het derhalve ongegrond. Dit leidt tot de conclusie dat de situatie in de onderhavige zaak overeenkomt met de situatie in de zaak Sevince. Derhalve kan de door eiser gedurende zijn beroepsprocedure verrichte arbeid niet worden aangemerkt als legale arbeid in de zin van het Associatiebesluit.

8. Naar het oordeel van de rechtbank kan arbeid verricht hangende de bezwaarprocedure, evenmin als legale arbeid in voormelde zin worden aangemerkt. Hiervoor verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Birden op 26 november 1998, JV 1999/1, waarin het Hof van Justitie oordeelde dat:

“de Turkse werknemer aan wie enkel een verblijfsrecht was verleend krachtens een nationale regeling volgens welke het verblijf in het land van ontvangst was toegestaan tijdens de procedure ter verkrijging van een verblijfsvergunning, evenmin aan die voorwaarde voldeed, omdat de betrokkene slechts, in afwachting van een definitieve beslissing over zijn verblijfsrecht, voorlopig het recht had verkregen in dat land te verblijven en te werken. Het Hof oordeelde immers, dat het niet mogelijk was tijdvlakken van arbeid van een betrokkene als legaal in de zin van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 aan te merken, zolang niet definitief vaststond, dat de betrokkene gedurende die tijdvlakken van rechtswege een verblijfsrecht had. Anders zou een rechterlijke beslissing waarbij hem het recht definitief wordt ontzegd, geen enkele betekenis hebben en zou hij de in artikel 6, lid 1, bedoelde rechten kunnen verwerven gedurende een periode waaraan hij niet aan de voorwaarden van die bepaling voldeed.”

De rechtbank overweegt dat een bezwaarprocedure een nationaal rechtsmiddel is om een beslissing in primo ongedaan te maken. Het indienen van bezwaar tegen een afwijzende beslissing op een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier heeft, ingevolge artikel 73, eerste lid, van de Vw 2000, behoudens de in het tweede, derde en vierde lid genoemde uitzonderingen, schorsende werking van het besluit in primo tot gevolg. Op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, heeft een vreemdeling in afwachting van de beslissing op bezwaar rechtmatig verblijf in Nederland. Derhalve is de periode van de bezwaarprocedure een tijdvlak waarin een vreemdeling, wegens de geschorste werking van een besluit tot weigering van het verlenen van een verblijfsvergunning, een voorlopig recht heeft in Nederland te verblijven en zijn reeds toegestane arbeid te continueren. Uit het voorgaande vloeit voort dat, hoewel er eventueel legaal arbeid verricht mag worden, niet gezegd kan worden dat de situatie van de vreemdeling op de arbeidsmarkt hangende de bezwaarprocedure stabiel en niet voorlopig is. Vanaf het moment waarop verweerder afwijzend heeft beslist op de (verlengings-) aanvraag is naar het oordeel van de rechtbank niet langer sprake van een niet omstreden verblijfsrecht. Derhalve is de arbeid verricht ten tijde van de bezwaarprocedure niet als legale arbeid in de zin van het Associatiebesluit aan te merken.

9. Voor zover eiser moet worden gevolgd in zijn stelling dat arbeid verricht tussen het moment van de aanvraag en het moment van de beslissing in primo aangemerkt dient te worden als legale arbeid in de zin van het Associatiebesluit, overweegt de rechtbank dat dit in het geval van eiser niet kan leiden tot gegrond verklaring van het beroep. Het besluit in primo is op 27 mei 2004 in werking getreden. Om aanspraken te kunnen ontlenen aan artikel 6, eerste lid, aanhef en onder tweede of derde streepje, van het Associatiebesluit, diende eiser derhalve vanaf 27 mei 2001 legale arbeid te hebben verricht. Uit de overgelegde stukken is niet gebleken dat eiser aan deze voorwaarde voldoet. Weliswaar heeft eiser een jaaropgave van het jaar 2001 overgelegd, maar daaruit volgt slechts dat hij in 2001 acht dagen heeft gewerkt en daarmee € 2.150,- heeft verdiend. Uit de jaaropgave kan niet worden afgeleid dat hij vanaf 27 mei 2001 legale arbeid heeft verricht. Derhalve heeft eiser reeds om deze reden niet aan de gestelde voorwaarden voldaan en kan zijn beroep op het Associatiebesluit, eerste lid aanhef en onder tweede of derde streepje, niet slagen.

10. Derhalve is het beroep ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.E.M. Messer-Dinnissen en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2006 in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders als griffier.

de griffier?

de rechter

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).