Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY0252

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-03-2006
Datum publicatie
07-07-2006
Zaaknummer
05/5993 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor toepassing van de zelfstandigenaftrek niet voldaan aan het urencriterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/5993 IB/PVV

Uitspraakdatum: 1 maart 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [ te P], kantoor [plaats], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 11 juli 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2001 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.292 (aanslagnummer [0000.00.000.0.00]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2006.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door N. de Borst. Namens verweerder is verschenen mevrouw drs. A.M. de Wilde-Voogt.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1Ontvankelijkheid bezwaar en beroep

2.1.1 Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. De termijn voor het instellen van bezwaar vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) aan op de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. De termijn voor het instellen van beroep vangt ingevolge artikel 26c van de AWR aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

2.1.2 De dagtekening van het in bezwaar bestreden besluit is 7 oktober 2004. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 18 november 2004. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij het bezwaarschrift, met dagtekening 19 november 2004, op 17 november 2004 heeft ontvangen. Het bezwaar is dus gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend.

2.1.3 De dagtekening van de bestreden uitspraak op bezwaar is 11 juli 2005. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 22 augustus 2005. Het beroepschrift is op 24 augustus 2005 door de rechtbank ontvangen. Het poststempel op de envelop waarin het beroepschrift is verzonden, vermeldt als datum 23 augustus 2005. De omstandigheid dat de afstempeling door TPG Post heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2005 sluit niet uit dat het beroepschrift niet later dan op maandagavond 22 augustus 2005 derhalve vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd. Verweerder heeft ter zitting verklaard de tijdige terpostbezorging niet te betwisten. Het beroep is derhalve gelet op artikel 6:9, tweede lid, van de Awb tijdig ingediend.

2.2 Het materiële geschil

2.2.1 Eiser, geboren op [geboortedatum], is in loondienst bij het vervoersbedrijf [B]. In 2001 heeft eiser 1.799,25 uren in loondienst gewerkt. Daarnaast exploiteert hij sinds 1990 een autorijschool in de vorm van een eenmanszaak.

2.2.2 Voor het jaar 2001 heeft eiser aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.631, onder toepassing van de zelfstandigenaftrek van € 5.661. Bij de aanslagregeling heeft verweerder de zelfstandigenaftrek buiten toepassing gelaten en het belastbaar inkomen uit werk en woning gecorrigeerd tot € 37.292.

2.2.3 In geschil is of eiser de tijd die hij in totaal heeft besteed aan zijn onderneming en het verrichten van werkzaamheden in loondienst grotendeels heeft besteed aan die onderneming en of eiser recht heeft op toepassing van de zelfstandigenaftrek.

2.2.4 Eiser heeft aangevoerd dat hij de in 2.2.3 bedoelde tijd grotendeels heeft besteed aan zijn onderneming. Eiser heeft de aan zijn onderneming bestede tijd als volgt gespecificeerd:

Lesuren 990

I.v.m. lesuren gemaakte reisuren 442

Studieuren (52 weken x 4,5 uur per week) 234

Indeeluren (52 weken x 3,5 uur per week) 182

Onderhoudsuren (52 weken x 2 uur per week) 104

Totaal 1.952

2.2.5 Verweerder heeft het standpunt van eiser gemotiveerd weersproken.

2.2.6 Ingevolge artikel 3.76, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) geldt dezelfstandigenaftrek voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt. Het is niet in geschil dat eiser een ondernemer is in de zin van dit artikel. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001 wordt onder urencriterium verstaan het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet, indien de tijd die in totaal wordt besteed aan die ondernemingen en het verrichten van werkzaamheden in de zin van de afdelingen 3.3 (belastbaar loon) en 3.4 (resultaat uit overige werkzaamheid) van de Wet IB 2001 grotendeels wordt besteed aan die onderneming. Er is sprake van ‘grotendeels besteed indien een belastingplichtige meer dan de helft van de bedoelde tijd heeft besteed aan zijn onderneming.

2.2.7 De bewijslast dat de tijd als bedoeld in 2.2.6 grotendeels wordt besteed aan de onderneming, ligt bij eiser. Het is niet in geschil dat eiser 990 uren heeft besteed aan het geven van rijlessen. Aangaande de door eiser opgevoerde indirecte uren overweegt de rechtbank als volgt. Uit het door hem overgelegde afschrift van zijn agenda blijkt dat eiser in de regel drie, vier of vijf aaneengesloten lessen geeft. Daaruit blijkt echter niet hoeveel tijd gemoeid is met het ophalen van de eerste en het wegbrengen van de laatste leerling. Eiser heeft niet weersproken dat in de lestijd van een leerling het ophalen van een volgende leerling respectievelijk wegbrengen van een vorige leerling plaatsvindt. De door eiser opgevoerde 442 uren dat is bijna een half uur per gegeven les voor het ophalen en wegbrengen van leerlingen, komt de rechtbank niet aannemelijk voor. De overige indirecte uren voor studie, indelen van lessen en examens en onderhoud van de auto zijn door eiser op geen enkele wijze onderbouwd. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij in het onderhavige jaar meer dan 1.799,25 uren heeft besteed aan zijn onderneming. Verweerder heeft derhalve terecht de zelfstandigenaftrek buiten toepassing gelaten.

2.2.8 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

2.2.9 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 1 maart 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. K.M. Braun, in

tegenwoordigheid van mr. I. Lampe-Selanno, griffier.