Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY0189

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2006
Datum publicatie
07-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/29639
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak / huiselijk geweld / eerwraak / bescherming autoriteiten / verblijfsalternatief in Syrië.

Eiseres vreest voor huiselijk geweld/eerwraak door haar broer. Naar het oordeel van de rechtbank kan huiselijk geweld onder omstandigheden een grond voor vervolging opleveren. Daargelaten of daarvan in onderhavige zaak sprake is, mag echter volgens vaste Afdelingsjurisprudentie (onder meer de uitspraak 200202206/1 van 19 juli 2002 en de uitspraak 200410684/1 van 3 mei 2005) van een vreemdeling worden gevergd dat hij zich, alvorens hij zijn land van herkomst verlaat om elders bescherming te zoeken, tot de autoriteiten van dat land wendt om bescherming te krijgen, tenzij dit voor hem gevaarlijk of bij voorbaat zinloos is. Gesteld noch gebleken is dat eiseres, voordat zij haar land verliet, heeft verzocht om bescherming van de autoriteiten. De gestelde eerwraak acht de rechtbank niet aannemelijk, eiseres heeft niet aangetoond dat haar angst op meer was gebaseerd dan op haar vermoedens. Niet in geschil is dat eiseres voorafgaand aan haar vertrek naar Nederland drie maanden in Syrië is verbleven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres een verblijfsalternatief heeft in Syrië. Bij brief van 2 februari 2006 heeft eiseres een verklaring van de Syrische ambassade te Brussel van 1 december 2005 overgelegd. Daarin staat dat personen die de Irakese nationaliteit bezitten slechts op basis van juridische motieven, zoals bijvoorbeeld werk, studie of huwelijk, in Syrië kunnen verblijven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op deze verklaring, onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres kan verblijven in Syrië, nu verweerder de stelling van eiseres ter zitting dat Syrië geen bescherming voor internationale vluchtelingen kent, niet heeft weersproken. Gelet daarop is niet gebleken dat eiseres een juridisch motief heeft om in Syrië te kunnen verblijven. In de verklaring van de ambassade staat aangegeven dat buiten de aanwezigheid van die motieven, het verblijf als een gewoon bezoek wordt beschouwd. Hiermee heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat zij slechts tijdelijk in Syrië zou kunnen verblijven. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat in het algemeen ambtsbericht inzake Syrië van mei 2005 is aangegeven dat Irakese vluchtelingen in Syrië vallen onder het internationale regime van tijdelijke bescherming. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de ambassade voldoende op de individuele situatie van eiseres betrekking heeft. Immers, de verklaring is speciaal opgesteld op verzoek van eiseres naar aanleiding van haar bezoek bij het kantoor van de ambassade op 1 december 2005 en de brief is persoonlijk aan eiseres gericht. Tevens behoort eiseres tot de doelgroep zoals in de brief omschreven, hetgeen verweerder niet heeft weersproken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres kan terugkeren naar Syrië. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 05/29639

Datum uitspraak: 27 maart 2006

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiseres] ,

geboren op [datum] 1979,

v-nummer [nummer] ,

van Iraakse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. Y.G.F.M. Coenders,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. R.P.G. van Bel,

ambtenaar in dienst van de IND.

Het procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2005 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 4 december 2004 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 30 juni 2005 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 februari 2006. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Gezien de gronden van het beroep heeft de rechtsstrijd betrekking op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, van de Vw 2000 genoemde inwilligingsgronden.

3. Eiseres heeft, kort samengevat, het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiseres vreest bij terugkeer voor vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door haar broer [broer] . Eiseres is gedurende haar leven ernstig mishandeld door haar vader en broers. In 2002 is eiseres naar Syrië gereisd om in het huwelijk te treden, waarna ze naar huis is teruggekeerd. Haar familie was tegen dit huwelijk. Derhalve vreest eiseres voor eerwraak. Haar echtgenoot verblijft momenteel in Nederland. Twee maanden na de val van het regime van Saddam Hussein zijn de vader en een broer van eiseres vermoord. Eiseres werd daarna evenwel zo mogelijk nog zwaarder mishandeld door haar overgebleven broer [broer] . Om die reden heeft eiseres in 2004 besloten hem te ontvluchten. Met behulp van een reisagent is eiseres naar Syrië gegaan, waar zij drie maanden is verbleven. Vanuit Syrië is eiseres naar Nederland gereisd. Eiseres vreest nu tevens voor eerwraak vanwege het feit dat zij zonder toestemming van haar broer naar Europa is gegaan.

4. Verweerder heeft het volgende aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

De problemen van eiseres en haar familie zijn niet gerelateerd aan het Vluchtelingenverdrag. Bovendien had eiseres hiertegen bescherming van de autoriteiten kunnen inroepen. De door eiseres gestelde eerwraak heeft verweerder niet aannemelijk geacht, nu eiseres na haar huwelijk in 2002 nog 2 jaar bij haar familie heeft gewoond. Tevens acht verweerder het onaannemelijk dat eiseres te vrezen heeft voor eerwraak vanwege haar vertrek naar Europa. Voorts heeft verweerder gesteld dat eiseres een verblijfsalternatief heeft in Syrië, waardoor zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, aanhef en eerste lid onder d Vw 2000.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiseres een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 heeft kunnen onthouden en overweegt daartoe als volgt.

6. Naar het oordeel van de rechtbank kan huiselijk geweld onder omstandigheden een grond voor vervolging opleveren. Daargelaten of daarvan in onderhavige zaak sprake is, mag echter volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 19 juli 2002, no 200202206/1 en de uitspraak van 3 mei 2005, no 200410684/1) van een vreemdeling worden gevergd dat hij zich, alvorens hij zijn land van herkomst verlaat om elders bescherming te zoeken, tot de autoriteiten van dat land wendt om bescherming te krijgen, tenzij dit voor hem gevaarlijk of bij voorbaat zinloos is. Indien dit niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming van de autoriteiten ertoe leiden dat moet worden aangenomen dat de autoriteiten van het land van herkomst niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden. Gesteld noch gebleken is dat eiseres, voordat zij haar land verliet, heeft verzocht om bescherming van de autoriteiten. Aldus diende eiseres aannemelijk te maken dat het vragen om bescherming voor haar gevaarlijk of bij voorbaat zinloos is.

7. Eiseres heeft ter onderbouwing van het standpunt dat het vragen om bescherming bij voorbaat zinloos is, verwezen naar informatie van Amnesty International van 2004. Daaruit blijkt dat er sinds de val van Saddam Hussein sprake is van een toename van huiselijk geweld en van moorden op grond van eerwraak en dat de politie die misdaden veelal negeert. Tevens heeft eiseres verwezen naar een stuk van Amnesty International van 2005 en een paper van de UNHCR van april 2005, waaruit blijkt dat de autoriteiten nauwelijks bescherming kunnen en willen bieden tegen huiselijk geweld. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiseres hiermee onvoldoende heeft onderbouwd dat zij persoonlijk geen bescherming kan verkrijgen van de autoriteiten, nu zij naast deze algemene informatie geen persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd. Op grond daarvan heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, terecht gesteld dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hier doet niet aan af dat verweerder ter zitting niet heeft betwist dat de functie van ‘Mukhtar’ niet meer bestaat sinds de val van het regime van Saddam Hussein, nu niet vaststaat dat de Mukhtar de enige is die eiseres zou kunnen beschermen. Daarnaast ziet ook deze stelling niet op de persoonlijke omstandigheden van eiseres.

Voorts heeft eiseres gesteld dat bescherming vragen van de autoriteiten gevaarlijk is, omdat zij dan nog meer te vrezen heeft voor haar broer [broer] . Ter zitting heeft eiseres gesteld dat haar broer naar aanleiding van haar aangifte bij de politie zal worden opgepakt en haar bij vrijlating zal vermoorden. Eiseres heeft echter niet onderbouwd dat de autoriteiten, indien zij bij hen aangifte zou doen tegen haar broer, hem daarvan op de hoogte zouden stellen. Tevens is niet gebleken dat de autoriteiten eiseres geen bescherming zouden bieden tegen haar broer, wanneer hij wel op de hoogte zou komen van de aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiseres haar angst voor haar broer op meer heeft gebaseerd dan op haar vermoedens. Derhalve heeft verweerder niet aannemelijk hoeven achten dat eiseres daadwerkelijk problemen zal ondervinden van haar broer indien zij de bescherming tegen hem zou inroepen van de autoriteiten.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt kunnen achten dat het vragen om bescherming voor eiseres gevaarlijk of bij voorbaat zinloos is.

8. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht geen verblijfsvergunning heeft verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en overweegt daartoe als volgt.

9. Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 3 EVRM inzake het huiselijk geweld, verwijst de rechtbank naar voorgaande rechtsoverwegingen. De gronden voor het oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde reden heeft om voor vervolging te vrezen, zijn ook dragend voor de conclusie dat hetgeen in het relaas is gesteld van onvoldoende gewicht is om aan te nemen dat eiseres bij uitzetting een reëel en voorzienbaar risico loopt dat juist zij bij terugkeer naar Irak zal worden onderworpen aan een door artikel 3 EVRM verboden behandeling.

10. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder onaannemelijk heeft kunnen achten dat eiseres te vrezen heeft voor eerwraak, nu zij na haar huwelijk in 2002 nog twee jaar bij haar familie is verbleven en niet is gebleken van eerwraak. Voorts heeft eiseres niet concreet onderbouwd waarom zij te vrezen heeft voor eerwraak in verband met haar vertrek naar Europa. Immers, nu niet is gebleken van eerwraak na het sluiten van haar verboden huwelijk, valt niet in te zien dat eiseres wel te vrezen heeft voor eerwraak vanwege haar vertrek naar Europa.

11. Eiseres heeft tevens een beroep gedaan op artikel 7 van het Internationaal Verdrag voor Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) en artikel 1 en 2 van het VN-Vrouwenverdrag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden gesteld dat dit beroep niet kan slagen, nu het onvoldoende toeziet op de persoonlijke situatie van eiseres.

12. Voorts heeft verweerder terecht besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, nu eiseres dit beroep op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

13. Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 heeft verweerder overwogen dat zij een verblijfsalternatief heeft in Syrië. Eiseres heeft hiertegen aangevoerd dat zij niet kan terugkeren naar Syrië en dat zij er niet langer dan enkele maanden zou kunnen verblijven. De rechtbank oordeelt als volgt.

14. Krachtens artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling elders een verblijfsalternatief heeft omdat hij voorafgaand aan zijn komst naar Nederland heeft verbleven in een ander land dan het land van herkomst. Deze afwijzingsgrond wordt toegepast bij de beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Deze regeling is nader uitgewerkt in C1/5.12.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. Op grond daarvan wordt artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000 toegepast, indien de volgende cumulatieve omstandigheden zich voordoen:

a. de vreemdeling heeft verbleven in een derde land;

b. de vreemdeling heeft bescherming of had bescherming kunnen hebben in een derde land;

c. het is niet onaannemelijk dat de betrokken vreemdeling kan terugkeren naar het derde land.

15. Niet in geschil is dat eiseres voorafgaand aan haar vertrek naar Nederland drie maanden in Syrië is verbleven.

16. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres een verblijfsalternatief heeft in Syrië. Bij brief van 2 februari 2006 heeft eiseres een verklaring van de Syrische ambassade te Brussel van 1 december 2005 overgelegd. Daarin staat dat personen, die de Irakese nationaliteit bezitten, slechts op basis van juridische motieven, zoals bijvoorbeeld werk, studie of huwelijk, in Syrië kunnen verblijven. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat als vorenbedoeld juridisch motief tevens verblijf op grond van internationaal-rechtelijke bescherming kan worden aangemerkt. Voorts toont de verklaring van de ambassade volgens verweerder niet aan dat terugkeer naar Syrië voor eiseres onmogelijk is, omdat het geen individueel schriftelijk bericht betreft.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de verklaring van de ambassade, onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres kan verblijven in Syrië, nu verweerder de stelling van eiseres ter zitting dat Syrië geen bescherming voor internationale vluchtelingen kent, niet heeft weersproken. Gelet daarop is niet gebleken dat eiseres een juridisch motief heeft om in Syrië te kunnen verblijven. In de verklaring van de ambassade staat aangegeven dat buiten de aanwezigheid van die motieven, het verblijf als een gewoon bezoek wordt beschouwd. Hiermee heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat zij slechts tijdelijk in Syrië zou kunnen verblijven. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat in het Algemeen Ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken inzake Syrië van mei 2005, is aangegeven dat Irakese vluchtelingen in Syrië vallen onder het internationale regime van tijdelijke bescherming. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de ambassade voldoende op de individuele situatie van eiseres betrekking heeft. Immers, de verklaring is speciaal opgesteld op verzoek van eiseres naar aanleiding van haar bezoek bij het kantoor van de ambassade op 1 december 2005 en de brief is persoonlijk aan eiseres gericht. Tevens behoort eiseres tot de doelgroep zoals in de brief omschreven, hetgeen verweerder niet heeft weersproken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres kan terugkeren naar Syrië.

17. Derhalve is het beroep gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 3:46 van de Awb). Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De beslissing

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 3 juni 2005;

draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan de griffier van deze nevenzittingsplaats.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Gielissen en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2006 in tegenwoordigheid van K.M.C. van Middelkoop als griffier.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).