Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY0066

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-03-2006
Datum publicatie
07-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/4942 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat de door hem gestelde betalingen als onderhoudsverplichtingen aan zijn toenmalige echtgenote zijn betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/4942 IB/PVV

Uitspraakdatum: 1 maart 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], kantoor [plaats], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 13 juni 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2002 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.245 (aanslagnummer [000.00.000.0.00]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2006. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.N. Klatt. Namens verweerder is verschenen mr. L.G.W.M. Kapel.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.245 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

2. Gronden

2.1 Op 3 maart 2002 is eiser duurzaam gescheiden gaan leven van zijn echtgenote.

2.2 Eiser heeft voor het jaar 2002 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.245, onder toepassing van een persoonsgebonden aftrek ter zake van zijn uitgaven voor onderhoudsverplichtingen van € 20.000. Bij de aanslagregeling heeft verweerder het belastbaar inkomen uit werk en woning met de persoonsgebonden aftrekpost gecorrigeerd tot € 34.245.

2.3 In geschil is of de door eiser gestelde betalingen aangemerkt kunnen worden als uitgaven voor onderhoudsverplichtingen in de zin van artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 6.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2.4 Eiser heeft voor zijn standpunt het volgende aangevoerd. Eiser heeft in 2002 wekelijks € 200 gedeponeerd in de brievenbus van de toenmalige echtgenote. Daarnaast heeft hij de huur van haar woning en diverse rekeningen betaald. In 2002 heeft eiser in totaal een bedrag van € 20.000 aan respectievelijk ten behoeve van zijn toenmalige echtgenote betaald. Periodieke betalingen ten titel van levensonderhoud verstrekt door de ene echtgenoot aan de andere van wie hij duurzaam gescheiden leeft, vloeien rechtstreeks voort uit het familierecht en kunnen daarom worden aangemerkt als een onderhoudsverplichting in de zin van artikel 6.3 van de Wet IB 2001. Eiser heeft deze betalingen gedaan met het oogmerk de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud van zijn echtgenote te dekken zolang de alimentatie nog niet door de rechtbank was vastgesteld. Hij heeft de betalingen niet op vrijwillige basis gedaan. De echtgenote van eiser was in het onderhavige jaar ernstig ziek, wat extra zorgkosten met zich bracht, en zij had geen werk. Eiser wilde in 2003 een lager bedrag aan alimentatie betalen in verband met de financiële positie waarin zijn bedrijf kwam te verkeren. De echtgenote was toen weer aan het werk, waardoor eiser zijns inziens kon volstaan met betaling van een lager bedrag.

2.5 Verweerder bestrijdt dat er sprake is van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen in de zin van artikel 6.3 van de Wet IB 2001. Er is geen sprake van in rechte vorderbare betalingen. Krachtens artikel 1:158 van het Burgerlijk Wetboek kunnen echtgenoten vóór of na het echtscheidingsvonnis bij overeenkomst de (hoogte van de) alimentatie vaststellen. De daaruit voortvloeiende uitkeringen vloeien in beginsel rechtstreeks voort uit het familierecht. Nu er geen afspraken zijn gemaakt, waren de betalingen niet in rechte vorderbaar. Indien de rechtbank oordeelt dat er wel sprake is geweest van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, meent verweerder dat het bedrag van de uitgaven dient te worden gesteld op € 1.000 per maand vanaf 1 maart 2002, derhalve op € 10.000 in totaal, in verband met het ontbreken van betalingsbewijzen alsmede omdat alleen dat deel van de betaling materieel nodig was.

2.6 De persoonsgebonden aftrek voor de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen is ontleend aan de aftrek van persoonlijke verplichtingen van artikel 45, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964). Uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit laatste artikel blijkt dat de in de wettekst voorkomende woorden 'rechtstreeks voortvloeien uit het familierecht' inhouden dat het in dezen gaat om periodieke uitkeringen die hun ontstaansgrond direct in het in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde familierecht vinden. Deze ontstaansgrond brengt met zich dat dergelijke periodieke uitkeringen in rechte vorderbaar zijn. Ook uitkeringen tussen duurzaam gescheiden levende echtgenoten vallen hieronder. Het is niet vereist dat een zodanige uitkering bij rechterlijke uitspraak in het leven is geroepen (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 1974, nr. 17 227, BNB 1974/55*). De rechtbank oordeelt op grond hiervan dat de door eiser in 2002 aan zijn echtgenote betaalde bedragen uitgaven voor onderhoudsverplichtingen in de zin van artikel 6.3 van de Wet IB 2001 zijn. Dat over de hoogte van de bedragen geen afspraken zijn gemaakt doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af.

2.7 De bewijslast inzake de hoogte van de aan zijn echtgenote betaalde bedragen rust op eiser. Eiser heeft daartoe gewezen op de tot de gedingstukken behorende schriftelijke bescheiden aangaande de echtscheiding, waaronder het verzoek van de echtgenote tot het treffen van een voorlopige voorziening ten behoeve van haar levensonderhoud. Het verzoek bevat onder meer de volgende passages:

'Sedert het uiteengaan van partijen, thans ca. anderhalf jaar geleden, toen de man de voormalige echtelijke woning heeft verlaten,......, betaalde de man aan de vrouw ca. € 2.000,-- per maand netto teneinde in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien.'

en

'De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man in staat moet zijn aan haar bijdrage in de kosten van levensonderhoud te verstrekken van € 1.000 per maand, gezien het welstandsniveau van het huwelijk en het feit dat de man in staat is geweest om gedurende een lange periode met ca. € 2.000,-- per maand netto in haar levensonderhoud te voorzien.'

2.8 De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2002 € 20.000 als onderhoudsverplichting aan zijn echtgenote heeft betaald. Aangaande het standpunt van verweerder dat het bedrag van de uitgaven dient te worden gesteld op € 1.000 per maand, omdat alleen dat deel van de betaling materieel nodig was, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat (een deel van) de betalingen zijn gedaan uit andere hoofde dan op grond van de onder 2.6 bedoelde rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting.

2.9 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond.

2.10 De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322, en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 1 maart 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. K.M. Braun, in tegenwoordigheid van mr. I. Lampe-Selanno, griffier.