Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY0055

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-04-2006
Datum publicatie
03-07-2006
Zaaknummer
AWB 06/1771 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Hoogspanningsstation Wateringse Veld

Bij besluit van 24 januari 2006 heeft verweerder vergunninghoudster een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een 380/150 kV schakel/transformatorstation. (...)

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 1 maart 2006 bezwaar gemaakt. Bij brief van dezelfde datum hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Afwijzing voorlopige voorziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 06/1771 WW44

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

Bewonersvereniging de Vijvers en anderen, gevestigd respectievelijk wonende te Den Haag, verzoekers,

ten aanzien van het besluit van 24 januari 2006 van het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder.

Derde partij: Tennet B.V., gevestigd te Arnhem, vergunninghoudster.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 24 januari 2006 heeft verweerder vergunninghoudster een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een 380/150 kV schakel/transformatorstation op het perceel locatie WTR00, sectie B, nummers 1332, 2222, 2464, 2915 en 2916, plaatselijk bekend nabij Laan van Wateringseveld te Wateringen.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 1 maart 2006 bezwaar gemaakt. Bij brief van dezelfde datum hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 27 maart 2006 ter zitting behandeld.

Namens Bewonersvereniging De Vijvers is verschenen P.N. Floor, bijgestaan door mr. J. Vijlbrief-van der Schaft, advocaat te Rotterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Berg en B.E. Schuit, bijgestaan door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam.

Namens vergunninghoudster is verschenen [gemachtigde], bijgestaan door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Den Haag.

Motivering

De voorzieningenrechter kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend voor een beslissing in beroep.

Het bouwplan

Het bouwplan voorziet in de bouw van een 380/150 kV schakel- en transformatorstation (hierna: het station). Het station maakt deel uit van het project Randstad 380 dat voorziet in de gefaseerde aanleg van een 380 kV hoogspanningsverbinding in de Randstad en zal worden gerealiseerd in meerdere fasen. In de eerste fase, die thans aan de orde is, zal één 380 kV-transformator worden opgesteld voor de voeding van het regionale 150 kV-net. Daarnaast wordt een 150 kV-schakelstation gerealiseerd voor de voeding van het lokale net.

Het bouwplan bestaat uit de volgende onderdelen:

- 6 bouwkundige cellen ten behoeve van trafo’s 150 kV

- 3 bouwkundige cellen ten behoeve van trafo’s 380 kV

- 4 sectiehuisjes

- 4 takhuisjes

- een opslagplaats

- 5 afspanportalen van 25 of 26 m hoogte

- 3 hoogspanningsmasten van 48 m hoogte

- een centraal dienstgebouw

- transformatoren en staketsels

Op dit moment is het terrein nog open weiland met in het midden zes aan elkaar gekoppelde hoogspanningsmasten van 39 meter hoogte. Hier komen drie hoogspanningslijnen bij elkaar. Het bebouwingsoppervlak van het terrein bedraagt circa 6 ha.

Standpunten verweerder en verzoekers

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat ten gevolge van de constructie van de masten geen wezenlijke verslechtering zal optreden van de windvang van de op enige afstand van het bouwplan aanwezige Schaapweimolen en dat het zicht op deze molen door de plaatsing van de masten niet zal verslechteren, zodat is voldaan aan artikel 7 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het bouwplan is ook overigens in overeenstemming met het bestemmingsplan, niet in strijd met redelijke eisen van welstand en voldoet aan de van toepassing zijnde bepalingen van de Bouwverordening.

Verzoekers bestrijden dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, omdat de gronden bestemd zijn voor een transformatorstation en niet voor een schakelstation en/of een hoog-spanningsstation zoals is voorzien in het project Randstad 380. Voor zover de hoogspanningsmasten zijn gelegen buiten de bestemming bovengrondse hoogspanningsverbinding zijn deze in strijd met het bestemmingsplan. Ook wordt het maximale bebouwingspercentage overschreden.

De hoogspanningsmasten en afspanportalen zijn vergund binnen de contour van het aangegeven molenbiotoop en in strijd met artikel 7 van de planvoorschriften. Het bouwplan voldoet niet aan redelijke eisen van welstand, omdat niet is voldaan aan de door de welstandscommissie gestelde voorwaarde dat de kleur en materialisering van de transformatorbehuizing nader ter goedkeuring moeten worden overgelegd. Het bouwplan is ten onrechte niet getoetst aan de stedenbouwkundige voorschriften van de Bouwverordening.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Woningwet (Wow), wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend. De bouwvergunning eerste fase mag slechts en moet ingevolge het tweede lid van dit artikel worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (Wow) is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar gegeven weigeringsgronden. Daartoe behoren, voor zover in dit geding in geschil en samengevat:

- (b.) het bouwen voldoet niet aan de bouwverordening;

- (c.) het bouwen is in strijd met het bestemmingsplan;

- (d.) het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk is in strijd met redelijke

eisen van welstand.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Wateringse Veld' , vastgesteld door de raad van de gemeente Wateringen op 30 november 1999. Het perceel heeft de bestemming 'Nutsbedrijf' en, ten dele daarmee overlappend, de bestemming 'Hoogspanningsverbinding'.

In artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat de op de kaart voor 'Nutsbedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor een 150/380 kV transformatorstation.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn op deze gronden in verband met de bestemming toelaatbaar:

a. bedrijfsgebouwen (met uitzondering van bedrijfswoningen);

b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

c. verhardingen;

d. een toegangsweg;

e. groenvoorzieningen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel mogen de in lid 2 bedoelde bouwwerken worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. de goothoogte van de gebouwen mag ten hoogste 6,00 meter bedragen;

b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag ten hoogste 60,00 meter bedragen;

c. de bouwhoogte van erfscheidingen mag ten hoogste 3,00 meter bedragen;

d. het bebouwingspercentage als op de kaart aangegeven.

In artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat de op de kaart voor 'Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden mede zijn bestemd voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding (380 kV) en voor een ondergrondse hoogspanningsverbinding (150 kV).

Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn op deze gronden in verband met de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toelaatbaar, zoals hoogspanningsmasten.

Ingevolge het derde lid, onder a, van dit artikel mag de bouwhoogte van de in lid 2 bedoelde bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten hoogste 60,00 meter bedragen. Op grond van het derde lid, onder b, van dit planvoorschrift is bebouwing als bedoeld in de artikelen 9, 10, 13, 15, 16 en 17 alleen toegestaan indien de belangen van het energiebedrijf zulks gedogen en nadat burgemeester en wethouders advies hebben ingewonnen bij de verbindingbeheerder.

Ingevolge artikel 1, lid 14, van de planvoorschriften wordt onder bebouwingspercentage verstaan: een op de plankaart of in de voorschriften aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwperceel aangeeft dat ten hoogste mag worden bebouwd.

Onder bouwen wordt op grond van artikel 1, lid 3 verstaan: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 1, lid 4 wordt onder bouwwerk verstaan: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Ingevolge artikel 1, lid 5, wordt onder gebouw verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften geven de op de plankaart of in de voorschriften opgenomen percentages aan hoeveel van de desbetreffende gronden ten hoogste mogen worden bebouwd met gebouwen en overkappingen.

In artikel 7 van de planvoorschriften is bepaald dat binnen de aanduiding 'grens beschermingszone windmolen' de hoogte van bebouwing/beplanting niet hoger mag zijn dan 1/30 van de afstand tussen bouwwerk/beplanting en de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. In situaties waarin de vrije windvang en het zicht op de molen reeds beperkt zijn is afwijking van bovengenoemd criterium mogelijk, mits de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder beperkt worden.

Beoordeling

Op grond van de planvoorschriften zijn de voor 'Nutsbedrijf' aangewezen gronden bestemd voor een 150/380 kV transformatorstation. In de toelichting op het bestemmingsplan is vermeld dat het gebied gezien de aard van de bedrijvigheid uitsluitend is te gebruiken ten behoeve van nutsvoorzieningen met een relatief lage bebouwingsdichtheid. In het bestemmingsplan is derhalve niet expliciet bepaald dat ter plaatse tevens een schakelstation is beoogd noch blijkt dit uit de toelichting. Verzoekers leiden uit de totstandkomingsgeschiedenis van het bestemmingsplan, het spraakgebruik en de ruimtelijke effecten van transformator- en schakelstations af dat het bestemmingsplan niet beoogt een transformator- en schakelstation als hier aan de orde mogelijk te maken, maar een (veel beperkter) transformatorstation. De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. Daartoe wordt allereerst overwogen dat het onderhavige terrein in het bestemmingsplan 'Landelijk gebied' uit 1974 bestemd was als 'Uit te werken bestemming Nutsbedrijf', waaronder volgens artikel 14 van de planvoorschriften moest worden verstaan een schakel- en verdeelstation voor de elektriciteitsvoorziening. De toelichting van dat bestemmingsplan vermeldt dat deze bestemming dient voor de te bouwen 380 kV – 150 kV en 25 kV schakelstations ten behoeve van de 150 kV-hoogspanningsverbinding Delft-Wateringen, Wateringen-Rijswijk en Wateringen-Westerlee, alsmede voor de geprojecteerde 380 kV-verbinding Wateringen-Zevenhuizen. Voorts dienst rekening te worden gehouden met de tot een spanning van 380 kV om te bouwen 150 kV-verbinding Wateringen-Westerlee die een onderdeel zal vormen van de te bouwen 380 kV-verbinding Wateringen-Maasvlakte, aldus de toelichting. Hieruit blijkt dat een hoogspanningsstation met dezelfde functie als thans in het kader van het project Randstad 380 reeds voorzien was in het bestemmingsplan 'Landelijk gebied'. Voorts wordt het begrip schakelstation in dat bestemmingsplan gebruikt, zowel in de doelomschrijving, de uitwerkingsregels als de toelichting.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van het thans vigerende bestemmingsplan valt niet af te leiden dat een beperking is beoogd van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan uit 1974 bood. In dit verband is van betekenis dat de rechtsvoorgangster van vergunninghoudster in haar zienswijze op het ontwerp-bestemmingsplan heeft opgemerkt dat haar bestaande en toekomstige elektriciteitswerken in het plan op zeer bevredigende wijze zijn gewaarborgd, waarbij zij een te bouwen 150/380 kV-station met name heeft genoemd. Uit de reactie van de gemeenteraad op deze zienswijze, die verder technische details betreft, valt niet af te leiden dat de gemeenteraad met betrekking tot de functie van het te realiseren hoogspanningsstation een ander standpunt heeft ingenomen dan in het voorheen geldende bestemmingsplan.

Daarnaast heeft vergunninghoudster naar voren gebracht dat een transformatorstation per definitie een schakel- en transformatorstation betreft, omdat de transformatoren met de stroomtoevoerende en -afvoerende hoogspanningsverbindingen verbonden moeten worden, welke uitleg de voorzieningenrechter aannemelijk voorkomt.

Gelet op het vorenstaande moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder het begrip '150/380 kV transformatorstation' worden verstaan een hoogspanningsstation als in het bouwplan aan de orde, inclusief een schakelstation. Dit betekent dat het bouwplan niet in strijd is met de bestemming 'Nutsbedrijf'.

De stelling van verzoekers dat artikel 12, tweede lid, van de planvoor-schriften een weigeringsgrond oplevert, omdat niet in verband met de bestemming zal worden gebouwd, faalt derhalve. Ook overigens is niet gebleken dat het bouwplan zich niet verdraagt met artikel 12, tweede lid, van de planvoorschriften.

De stelling van verzoekers dat voor zover de gronden zijn aangewezen voor 'Hoogspanningsverbinding' in het geheel geen bouwwerken in verband met het transformatorstation zijn toegelaten kan evenmin slagen. In artikel 12 van de planvoorschriften is – anders dan bij andere bestemmingen in het plangebied – niet de bepaling opgenomen dat voor zover de gronden samenvallen met de bestemming 'Hoogspanningsverbinding' die gronden primair zijn bestemd voor hoogspanningsverbindingen. Daarnaast stelt het derde lid, onder b, van artikel 14 geen beperkingen ten aanzien van bebouwing als bedoeld in artikel 12 van de planvoorschriften. Hieruit volgt dat de bestemming 'Nutsbedrijf' prevaleert boven de bestemming 'Hoogspanningsverbinding', zodat op gronden met de bestemming 'Nutsbedrijf' ook bouwwerken zijn toegestaan voor zover die gronden tevens de bestemming 'Hoogspanningsverbinding' hebben. Gelet op de inrichting van een hoogspanningsstation, waarbij hoogspanningsleidingen, transformatoren en andere bouwwerken een samenhangend geheel vormen, is een andere bebouwingsregeling ook niet goed denkbaar.

Dat hoogspanningsmasten, voor zover gelegen buiten de bestemming 'Hoogspanningsverbinding', in strijd zouden zijn met het bestemmingsplan, zoals door verzoekster gesteld, valt niet in te zien. Op grond van artikel 12, derde lid, van de planvoorschriften zijn binnen de bestemming 'Nutsbedrijf' bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan tot een hoogte van 60,00 meter, waarmee kennelijk hoogspanningsmasten worden bedoeld. Niet staande kan worden gehouden dat deze niet ten dienste van een transformatorstation kunnen worden opgericht.

Op de plankaart is bij de bestemming 'Nutsbedrijf' een bebouwingspercentage van 20% aangegeven. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat dit percentage niet alleen ziet op gebouwen, maar ook op bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het begrip ‘bebouwingspercentage’ genoemd in artikel 12, derde lid, onder d, van de planvoorschriften is volgens hen uitsluitend gedefinieerd in artikel 1, lid 14, dat ziet op alle vormen van bebouwing. De voorzieningenrechter volgt deze uitleg niet.

In artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften is immers zonder voorbehoud bepaald dat de op de plankaart of in de voorschriften opgenomen percentages aangeven hoeveel van de desbetreffende gronden ten hoogste mogen worden bebouwd met gebouwen en overkappingen. Uit de tekst en toelichting noch uit de systematiek van het bestemmingsplan kan worden afgeleid dat deze bepaling niet van toepassing zou zijn op de bestemming 'Nutsbedrijf' en de daarbij behorende bouwvoorschriften. Gelet hierop ziet het bebouwingspercentage van 20% bij deze bestemming slechts op gebouwen en overkappingen. Niet in geschil is dat de oppervlakte van dergelijke bebouwing in het bouwplan onder dit percentage blijft.

Het bouwplan valt, met uitzondering van een deel in de noordwestelijke hoek van het perceel waarop geen bebouwing is voorzien, binnen het op de plankaart aangegeven molenbiotoop van de Schaapweimolen. Uit de eerste volzin van artikel 7 van de planvoorschriften blijkt dat bebouwing in deze zone niet hoger mag zijn dan 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen. In een ambtelijke notitie van verweerder is aangegeven dat op de kortste afstand van het perceel tot de molen (130 m) gelet op deze bepaling tot een hoogte van maximaal 6,88 m gebouwd mag worden, en op de grootste afstand van de molen (400 m, de grens van het molenbiotoop) tot een hoogte van 15,88 m. Vast staat dat het bouwplan voorziet in bebouwing die hoger is, te weten drie hoogspanningsmasten van 48 m hoog en vijf afspanportalen van 25 of 26 meter hoog.

In de huidige situatie zijn zes hoogspanningsmasten met een hoogte van 39 m aanwezig, waardoor de vrije windvang en het zicht op de molen reeds beperkt zijn. Dit betekent dat, gelet op de tweede volzin van artikel 7, hoger gebouwd mag worden dan de op grond van de eerste volzin berekende hoogtelijn van 6,88 tot 15,88 m, mits de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder beperkt worden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een verdere beperking van de windvang en het zicht op de molen, buiten beschouwing te blijven de bebouwing die op grond van de eerste volzin van artikel 7 mogelijk is, dat wil zeggen bebouwing lager dan genoemde hoogtelijn. Bij dergelijke bebouwing is immers nog geen sprake van een ‘afwijking’ van de in deze volzin neergelegde norm en worden de door die norm beschermde belangen van windvang en zicht op de molen niet aangetast. Dit betekent dat het bouwplan voor zover dat hoger is dan genoemde hoogtelijn, dat wil zeggen de drie hoogspanningsmasten en de afspanportalen, moet worden vergeleken met de bestaande masten voor zover die hoger zijn dan die lijn.

Weliswaar zijn de drie hoogspanningsmasten hoger dan de bestaande masten en worden vijf afspanportalen aan het perceel toegevoegd, maar gelet op de open constructie en verspreide ligging van de masten en portalen, en de parallelle plaatsing van de armen van de twee masten het dichtst bij de molen, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt dan door de bestaande zes masten, die ook een aanzienlijke hoogte hebben en centraal op het perceel staan.

Dit betekent dat het bouwplan voldoet aan artikel 7 van de planvoorschriften.

Het bouwplan is derhalve in overeenstemming met het bestemmingsplan.

In het advies van de Welstandcommissie van 10 januari 2006 is opgemerkt dat het bouwplan niet strijdig is met redelijke eisen van welstand, mits kleur en materialisering nader ter goedkeuring worden overlegd. Blijkens het aanvullend advies van 23 maart 2006 acht de Welstandscommissie, na het voorgestelde materiaal- en kleurgebruik gezien te hebben, het bouwplan niet strijdig met redelijke eisen van welstand.

Uit artikel 56a, tweede lid, van Wow vloeit voort dat de bouwvergunning eerste fase moet worden geweigerd indien sprake is van strijd met de stedenbouwkundige bepalingen van de Bouwverordening, zijnde de artikelen 2.5.1 tot en met 2.5.30. Anders dan door verzoekers gesteld betreft dit niet de voorschriften met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond, (brand)veiligheidseisen en gebruiksvergunningen.

Voor zover verzoekers stellen dat ten onrechte niet is getoetst aan bepalingen in de Bouwverordening inzake voor- en achtergevelrooilijnen, afstand tussen bouwwerken, parkeren en laden en lossen op eigen terrein, wordt als volgt overwogen.

In artikel 9, eerste lid, van de Wow is bepaald dat voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing blijven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel blijven de voorschriften van de bouwverordening van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uit het feit dat bij de bestemming 'Nutsbedrijf', anders dan bij andere bestemmingen, geen regels inzake voor- en achtergevelrooilijnen en afstanden tot zijdelingse perceelsgrenzen zijn opgenomen, niet worden afgeleid dat de Bouwverordening op deze punten aanvullende werking heeft. Gelet op de bijzondere aard van de bestemming, die voorziet in een samenstel van gebouwen en andere bouwwerken, moet worden aangenomen dat de planwetgever deze punten niet heeft willen regelen teneinde de inrichting van het terrein niet op voorhand vast te leggen. Derhalve bevat het bestemmingsplan voor deze bestemming een uitputtende regeling van de bouwvoorschriften op deze punten, zodat de Bouwverordening op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wow, hier niet van toepassing is.

Dit geldt niet voor het parkeren en laden en lossen op eigen terrein. Nu het bestemmingsplan op deze punten voor de bestemming 'Nutsbedrijf' geen regeling bevat dient gelet op artikel 9, tweede lid, van de Wow een afzonderlijke toetsing aan artikel 2.5.30 van de Bouwverordening plaats te vinden. In het bestreden besluit is dit niet expliciet gebeurd. Naar voorlopig oordeel is evenwel geen sprake van strijd met deze bepaling, gelet op de te verwachten geringe verkeersaantrekkende werking van het station en de ruimte die het bouwplan biedt voor parkeren en laden en lossen.

Verder doet zich ook geen van de andere in artikel 44, eerste lid, van de Wow genoemde en van toepassing zijnde weigeringsgronden voor.

Op grond van artikel 44, eerste lid, in samenhang met artikel 56a, eerste lid, van de Wow, was verweerder dan ook verplicht de gevraagde bouwvergunning eerste fase te verlenen.

Gelet hierop zal naar verwachting na bezwaar het bestreden besluit zonder onrechtmatigheid in stand kunnen blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. E. Dijt, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2006, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers.