Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX9419

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-06-2006
Datum publicatie
20-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/46791
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Machtiging tot voorlopig verblijf / gezinshereniging / gezinsband / Marokko.

Ofschoon in het besluit verweerder ook de gezinsband tussen eiseres, geboren in 1985, en haar moeder heeft beoordeeld, staat, nu de vader de hoofdpersoon is in de zin van artikel 3.13, lid 1, Vb 2000, alleen ter toetsing de beoordeling door verweerder van de gezinsband met de vader. Eiseres heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat haar verblijf in Nederland in het gezin van haar vader in de jaren 1988 tot 1996 niet illegaal is geweest. Dat in de administratie van verweerder hierover geen gegevens meer aanwezig zijn, kan niet voor risico van eiseres worden gelaten. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat eiseres niet feitelijk heeft behoord tot het gezin van haar vader. Evenmin is deugdelijk gemotiveerd dat eiseres in Marokko niet feitelijk heeft behoord tot het gezin van haar vader. Niet in redelijkheid kan worden gesteld dat het verblijf van vader bij eiseres gedurende zes maanden per jaar in de periode van 1996 tot 2004 geen substantiële perioden van verblijf zijn. Over die perioden, waarin eiseres met haar ouders in het huis van haar ouders in Marokko heeft verbleven, was er in elk geval feitelijk geen sprake van scheiding tussen vader en eiseres. Verweerders standpunt dat voor het bestaan dan wel het herstel in 1996 van de gezinsband de intentie waarmee de ouder bij zijn minderjarig kind heeft verbleven ertoe doet, vindt geen grondslag in het beleid. Uit paragraaf B2/6.4 Vc 2000 kan niet anders worden opgemaakt dan dat het begrip scheiding tussen ouder en kind dient te worden opgevat als een feitelijk begrip, waarbij aan de intentie waarmee de ouder naar het kind is teruggekeerd geen betekenis is toegekend. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 05/46791

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 juni 2006

in de zaak van:

A,

geboren op […] 1985, van Marokkaanse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. E. Blokland, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister van Buitenlandse Zaken,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. Hofland, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 25 maart 2004 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel gezinshereniging met haar vader B (hierna: de hoofdpersoon). Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 8 juli 2004, verzonden op 26 juli 2004, afgewezen. Eiseres heeft tegen het besluit op 23 augustus 2004 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 21 september 2005 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit op 18 oktober 2005 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. De hoofdpersoon is verschenen. Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een mvv, voor de toepassing van hoofdstuk 7 “Rechtsmiddelen” van de Vreemdelingenwet 2000 gelijkgesteld met een beschikking omtrent een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens deze wet.

2.3 Verweerder pleegt de aanvraag tot het verlenen van een mvv te toetsen aan de voorwaarden die worden gesteld voor het verlenen van een verblijfsvergunning in Nederland.

2.4 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

2.5 Regels over de toepassing van deze afwijzingsgrond zijn neergelegd in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Ingevolge artikel 3.13 Vb wordt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 genoemde voorwaarden.

2.6 Ingevolge artikel 3.14, tweede lid, onder c, Vb wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van Onze Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat.

2.7 Ingevolge B 2/6.4. van de Vreemdelingencirculaire (Vc) wordt de aanvraag afgewezen, indien het kind niet feitelijk behoort of niet reeds in het buitenland feitelijk behoorde tot het gezin van de in Nederland wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd. De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan en het kind moet gaan samenwonen bij de ouders.

2.8 Bij de beoordeling van het beroep betrekt de rechtbank onder meer de volgende feiten. De hoofdpersoon is in 1968 Nederland ingereisd en sinds mei 1974 houder van een verblijfsvergunning regulier. Eiseres is in Marokko geboren en heeft in de periode van 1988 tot 1996 in Nederland verbleven. De moeder van eiseres is sinds 1 oktober 1990 in het bezit van een verblijfsvergunning regulier. Sinds 1996 verblijft eiseres in Marokko. Daar heeft zij tot mei 2004 zes maanden per jaar verbleven in het gezin van een zus van eiseres. De andere zes maanden van het jaar verbleef zij steeds, samen met haar ouders, in het huis van haar ouders in Marokko. Op 10 januari 2003 heeft de hoofdpersoon de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht om te adviseren over de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiseres. Op 16 april 2003 is op dit verzoek negatief geadviseerd. Het hiertegen door de hoofdpersoon gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 februari 2004 niet-ontvankelijk verklaard.

2.9 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet feitelijk behoort tot het gezin van de hoofdpersoon, nu er nimmer sprake is geweest van een feitelijke gezinsband tussen eiseres en de hoofdpersoon. Aan dat standpunt heeft verweerder, blijkens het bestreden besluit en het verweerschrift, de volgende - hier verkort weergegeven - motivering ten grondslag gelegd.

Eiseres heeft noch in Nederland noch in Marokko deel uitgemaakt van het gezin van de hoofdpersoon. Daarbij is door verweerder het volgende in aanmerking genomen. Eiseres is in Marokko geboren, terwijl referent op dat moment reeds jaren in Nederland woonde. Eiseres heeft niet aangetoond dat haar verblijf in Nederland van 1988 tot 1996 legaal is geweest, terwijl aan illegaal verblijf geen rechten kunnen worden ontleend. De jaarlijkse periode van zes maanden dat de ouders van eiseres in Marokko bij haar hebben verbleven kan niet worden aangemerkt als een substantiële periode die tot doel had om daadwerkelijke hereniging met eiseres tot stand te brengen. Pas in 2003 is een adviesprocedure mvv gestart. Het hoofdverblijf van eiseres ligt sedert 1996 in Marokko, waardoor er inmiddels worteling in Marokko heeft plaatsgevonden en gezinshereniging hier te lande daarom niet meer in de rede ligt.

2.10 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij wel feitelijk behoort tot het gezin van de hoofdpersoon. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft eiseres, verkort weergegeven, het volgende aangevoerd. De gezinsband tussen eiseres en haar ouders is altijd in stand gebleven. Het verblijf in Nederland van eiseres in Nederland bij de hoofdpersoon gedurende de periode van 1988 tot 1996 was niet illegaal. Zo geoordeeld zou moeten worden dat het verblijf van eiseres in Nederland niet legaal is geweest en een gezinsband met haar ouders gedurende dat verblijf niet kan worden aangenomen, dan is de gezinsband na 1996 weer hersteld door het halfjaarlijkse verblijf van haar ouders bij eiseres in Marokko.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.11 Gelet op de leeftijd van eiseres ten tijde van de onderhavige aanvraag en de in de Staatscourant van 11 juni 2004 gepubliceerde overgangsregeling (de zogeheten “Overgangsregeling Seloo”), heeft verweerder de onderhavige aanvraag zowel getoetst aan de bepalingen die gelden voor gezinshereniging tussen ouder en meerderjarig kind als aan de hierboven beschreven bepalingen die gelden voor gezinshereniging tussen ouder en minderjarig kind. Ter zitting is namens eiseres verzocht het bestreden besluit alleen te beoordelen voorzover daarbij de aanvraag is afgewezen op grond van de bepalingen die gelden voor gezinshereniging tussen ouder en minderjarige kind. Ofschoon in het bestreden besluit verweerder ook de gezinsband tussen eiseres en haar moeder beoordeeld heeft, staat, nu de vader van eiseres de hoofdpersoon is in de zin van artikel 3.13, eerste lid Vb en de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft gesteld dat de overwegingen in het besluit met betrekking tot de band met moeder als ten overvloede moet worden gezien, alleen ter toetsing de beoordeling door verweerder van de gezinsband tussen eiseres en haar vader.

2.12 Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres genoegzaam aannemelijk gemaakt dat haar verblijf in Nederland in het gezin van de hoofdpersoon in de jaren 1988 tot 1996 niet illegaal is geweest. Voor dat oordeel is het volgende redengevend. Vaststaat dat de hoofdpersoon hier te lande al sinds 1974 legaal verblijf heeft en dat aan de moeder van eiseres per 1 oktober 1990 een verblijfsvergunning is verleend. Vaststaat eveneens dat eiseres op het adres van de hoofdpersoon stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, dat zij in Nederland op de basisschool heeft gezeten en dat ten behoeve van haar kinderbijslag is verstrekt. Daarnaast is door eiseres onweersproken gesteld dat ten aanzien van het drietal broers en zusters van eiseres, die in voormelde periode ook in Nederland in het gezin van de hoofdpersoon verblijf hebben gehad, wel is aangenomen dat zij legaal hebben verbleven en dat aan hen inmiddels de Nederlandse nationaliteit is verleend. Ter zitting heeft de hier te lande verblijvende zus van eiseres aangegeven dat zij de Nederlandse nationaliteit al sinds 1995 bezit. Alle voormelde omstandigheden in aanmerking genomen acht de echtbank het niet aannemelijk dat eiseres - anders dan haar ouders, twee broers en haar zus - destijds hier te lande niet rechtmatig heeft verbleven. Dat in de administratie van verweerder hierover geen gegevens meer aanwezig zijn (waarover namens eiseres bij verweerder schriftelijk is geklaagd), kan, gelet op de voormelde omstandigheden, niet voor risico van eiseres worden gelaten.

2.13 Uit de voorgaande overweging volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres in Nederland niet feitelijk heeft behoord tot het gezin van de hoofdpersoon.

2.14 Verweerder heeft evenmin deugdelijk gemotiveerd dat eiseres in haar land van herkomst niet feitelijk heeft behoord tot het gezin van de hoofdpersoon. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

2.15 Niet in redelijkheid kan worden gesteld dat het verblijf van de hoofdpersoon bij eiseres in Marokko gedurende zes maanden per jaar geen substantiële perioden van verblijf zijn. Over die perioden, waarin eiseres telkenmale met haar ouders in het huis van haar ouders in Marokko heeft verbleven, was er in elk geval feitelijk geen sprake van scheiding tussen de hoofdpersoon en eiseres. Het standpunt van verweerder dat voor het bestaan dan wel het herstel van de feitelijke gezinsband de intentie waarmee de ouder bij zijn minderjarig kind heeft verbleven er toe doet vindt geen grondslag in het beleid van verweerder. De rechtbank kan uit B2/6.4 Vc niet anders opmaken dan dat het begrip “scheiding” tussen ouder en kind dient te worden opgevat als een feitelijk begrip, waarbij aan de intentie waarmee de ouder naar het kind is teruggekeerd geen betekenis is toegekend.

2.16 Gelet op hetgeen is overwogen onder de rechtsoverwegingen 2.12 tot en met 2.15 heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat door eiseres niet is voldaan aan de voorwaarden die gelden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor het doel gezinshereniging tussen ouder en minderjarige kind.

2.17 Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12 Awb.

2.18 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.19 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte kosten en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 644,-- ( 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.20 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb zal de rechtbank de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van 23 augustus 2004 met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet voldoen;

3.5 draagt de Staat der Nederlanden op het betaalde griffierecht ad € 138,-- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, en op 1 juni 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van L.M. Driessen, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.