Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX8999

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-06-2006
Datum publicatie
04-07-2006
Zaaknummer
AWB 06/25679
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Staandehouding / redelijk vermoeden van illegaal verblijf / rechtmatigheid bewaring.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval niet gebleken van feiten en omstandigheden die een naar objectieve maatstaven gemeten redelijk vermoeden van illegaal verblijf ten aanzien van eiser opleverden. De vermelding in voornoemd proces-verbaal dat uit meerdere vreemdelingendossiers is gebleken dat er binnen de desbetreffende politieregio personen in de hoedanigheid van straatkrantverkoper zijn die vreemdeling blijken te zijn acht de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat de betrokken ambtenaar ten aanzien van eiser mocht aannemen met een (illegale) vreemdeling van doen te hebben. Immers, feit van algemene bekendheid is dat de straatkrant ook veelvuldig wordt verkocht door personen die wel legaal in Nederland verblijven (ook al hebben zij overigens niet altijd een vast woon- of verblijfplaats en/of de Nederlandse nationaliteit). Beroep gegrond, toewijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zitting houdende te Dordrecht

procedurenummer: AWB 06/25679

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

A, eiser,

gemachtigde: mr. C.J. van der Waarde, advocaat te Zwijndrecht,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: J.C.M. Weber, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 24 mei 2006 is de rechtbank, door middel van een namens eiser ingediend beroepschrift, ervan in kennis gesteld dat verweerder eiser op 19 mei 2006 in bewaring heeft gesteld.

1.2. De zaak is op 2 juni 2006 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de bewaring van eiser op 31 mei 2006 in verband met een belangenafweging is opgeheven. Derhalve resteert de vraag of aan eiser de gevorderde schadevergoeding toekomt.

2.2. De rechtbank acht het beroep gegrond en komt daartoe op grond van de navolgende overwegingen.

Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van hoofdagent H. Yuru d.d. 22 mei 2006 blijkt dat eiser is staandegehouden op grond van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 50 van de Vw 2000 is een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd, voorzover van belang, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijk positie op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval niet gebleken van feiten en omstandigheden die een naar objectieve maatstaven gemeten redelijk vermoeden van illegaal verblijf ten aanzien van eiser opleverden. De vermelding in voornoemd proces-verbaal dat uit meerdere vreemdelingendossiers is gebleken dat er binnen de desbetreffende politieregio personen in de hoedanigheid van straatkrantverkoper zijn die vreemdeling blijken te zijn acht de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat de betrokken ambtenaar ten aanzien van eiser mocht aannemen met een (illegale) vreemdeling van doen te hebben. Immers, feit van algemene bekendheid is dat de straatkrant ook veelvuldig wordt verkocht door personen die wel legaal in Nederland verblijven (ook al hebben zij overigens niet altijd een vast woon- of verblijfplaats en/of de Nederlandse nationaliteit).

Nu de staandehouding onrechtmatig was is ook de daarop gevolgde bewaring onrechtmatig. Het beroep is gegrond en de bewaring dient te worden opgeheven.

2.3. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen. Gelet op de normbedragen van € 95,00 per dag detentie in een politiecel en € 70,00 per dag detentie in een huis van bewaring komt aan eiser, nu hij 6 dagen in een politiecel en 7 dagen in een huis van bewaring in bewaring is geweest, € 1.030,- toe.

2.4. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog ander kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat aan eiser ter zake van dit geschil een toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

2.5. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser een schadevergoeding toe, groot € 1.030,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder voorts in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waaronder begrepen.

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan eiser de griffier van de rechtbank moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. A.P. Hameete, rechter, en door deze en mr. L. Coenraads, griffier, ondertekend.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 9 juni 2006

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.