Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX8988

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-01-2006
Datum publicatie
04-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/3775 IB/PW
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergoeding PKV bezwaarfase. Sprake van bezwaar tegen 4 belastingaanslagen, dus had gewichtsfactor 1,5 moeten worden toegekend. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3775 IB/PVV

Uitspraakdatum: 24 januari 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], kantoor Gouda, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

Bij uitspraken van verweerder van 4 februari 2005 en 11 februari 2005 heeft verweerder beslist op het door eiser gemaakte bezwaar betreffende inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen, premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet, over de jaren 2001 en 2002. Bij aanvullend besluit van 17 mei 2005 heeft verweerder eiser ter zake van dat bezwaar alsnog een proceskostenvergoeding toegekend.

Zitting:

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2006. Namens verweerder is mr. E. Stolk verschenen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 21 november 2005, op het adres [....] te [woonplaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu de laatstgenoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TPG Post is gebleken dat de brief op 22 november 2005 op dat adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de (aanvullende) uitspraak op bezwaar van 17 mei 2005;

- veroordeelt verweerder (aanvullend) in de door eiser gemaakte proceskosten voor de bezwaarfase ten bedrage van € 161 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als rechtspersoon die dit bedrag aan eiser moet voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

2. Gronden

In de inhoudelijke uitspraken op bezwaar heeft verweerder verzuimd in te gaan op het verzoek om proceskostenvergoeding in de bezwaarfase. Nadat eiser verweerder hierop heeft gewezen, is op het verzoek alsnog beslist. Dat betekent dat het aanvullende besluit van 17 mei 2005 moet worden geacht samen met de besluiten van 4 en 11 februari 2005, telkens één besluit te vormen per belastingsoort, per belastingjaar. Omdat verweerder pas bij besluit van 17 mei 2005 heeft beslist over de proceskosten, kan niet worden geoordeeld dat eiser in verzuim is door bij brief van 20 mei 2005, ingekomen bij de belastingdienst op 25 mei 2005, in beroep te komen. Het beroepschrift is daarmee niet niet-ontvankelijk, hetgeen ook verweerder in zijn verweerschrift bepleit. Verweerder heeft het beroepschrift doorgestuurd naar de rechtbank.

Verweerder heeft de aan eiser gegeven proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald met toepassing van de forfaitaire kostenvergoeding, te weten 2 punten (het indienen van het bezwaarschrift en het verschijnen op de hoorzitting) bij een zaak van gemiddeld gewicht (1), tezamen € 322.

Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat hij de toegekende vergoeding niet in verhouding vindt staan tot de werkelijk door hem gemaakte kosten. De rechtbank vat dit - gelet op de regeling in het Besluit proceskosten bestuursrecht - op als een verzoek om toepassing van artikel 2, derde lid, van dat besluit. Daarin is namelijk bepaald dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid - waarin de forfaitaire proceskostenvergoeding is geregeld kan worden afgeweken.

Gelet op hetgeen eiser heeft gesteld, komt de rechtbank niet tot het oordeel dat zich hier bijzondere omstandigheden voordoen. Hij heeft, samengevat, gesteld dat hij door een onjuiste beoordeling van de Belastingdienst gedwongen is geweest een externe adviseur in de arm te nemen en zelf veel tijd vrij te maken. Verweerder heeft in zijn, in afschrift aan eiser gezonden, verweerschrift ook het standpunt ingenomen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarom moet worden geoordeeld dat het eiser duidelijk was of had moeten zijn dat het nodig was dat hij zou stellen en zo nodig aannemelijk zou maken dat daarvan wel sprake was. Op het verweerschrift heeft hij niet gereageerd. Dat hij een externe adviseur zou hebben ingeschakeld en zelf veel tijd zou hebben moeten vrijmaken, zijn op zichzelf, zonder nadere onderbouwing met gegevens, geen bijzondere omstandigheden, maar juist factoren die inherent (kunnen) zijn aan het maken van bezwaar.

In de stellingen van eiser ligt, hoewel hij dat zelf niet expliciet noemt, besloten dat het hier gaat om een aantal zaken en een aantal belastingjaren en dat ook daarin reden is gelegen de hoogte van de proceskostenvergoeding niet in een juiste verhouding tot de werkelijk door eiser gemaakte kosten te achten. Ambtshalve de rechtsgronden aanvullend, oordeelt de rechtbank hierover als volgt. Gelet op artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bij dat besluit behorende bijlage, waarin is voorzien in een hogere gewichtsfactor bij 4 of meer samenhangende besluiten, had verweerder in dit geval aanleiding moeten zien een gewichtsfactor 1,5 toe te kennen en daarmee uit te komen op een vergoeding van € 483. Het bezwaar is immers bij brief van 27 april 2004 gemaakt tegen 4 belastingaanslagen. Dat telkens dezelfde rechtsvragen aan de orde waren en dat de voor eiser gunstige beslissing in de ene zaak, logischerwijs leidde tot succes in de andere, maakt niet dat geen sprake zou zijn van samenhangende zaken, zoals geregeld in genoemd artikel. Sterker, dat is juist het kenmerk van samenhangende zaken, waarvan de definitie in het tweede lid, spreekt over "vergelijkbare gronden".

Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard, is de (aanvullende) uitspraak op bezwaar van 17 mei 2005 vernietigd en is een aanvullende proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase uitgesproken.

Nu niet is gebleken van daarvoor in aanmerking komende kosten, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de beroepsfase.

Deze uitspraak is gedaan op 24 januari 2006 door mr. D.A. Verburg in tegenwoordigheid van F.J. Crabbendam, griffier. De beslissing is dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op: