Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX8371

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-04-2006
Datum publicatie
04-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/9509, 05/9511
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iran / invloed geestelijk leiders / bescherming autoriteiten.

De door eiser gestelde feiten acht verweerder geloofwaardig. Volgens verweerder zijn de aan deze feiten ontleende vermoedens niet geloofwaardig. De rechtbank overweegt dat uit de ambtsberichten en andere openbare publicaties inzake Iran naar voren komt dat de geestelijk leiders in Iran een sterke, zo niet overheersende invloed hebben op het bestuur. De geestelijke leiding is nauw vervlochten in alle openbare functies. In dit licht bezien kan aan eisers vermoeden dat de groepering die hem bedreigde banden had met de autoriteiten, niet op voorhand gezegd worden dat deze niet plausibel is en is verweerders standpunt dat eiser tegen fundamentalistische groeperingen bescherming in kan roepen bij de autoriteiten, niet houdbaar. Gezien de door eiser aangegeven feiten in samenhang met de algemeen bekende informatie over Iran is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser, gezien de door hem gestelde en door verweerder niet betwiste feiten, een gegronde vrees heeft voor vervolging door de Iraanse autoriteiten. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 05 / 9509 (beroep eiser)

AWB 05 / 9511 (beroep eiseres)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 april 2006

in de zaak van:

A,

geboren op [...] 1941, eiser,

zijn echtgenote B, geboren op [...] 1966, eiseres,

mede namens hun minderjarige kinderen

C, geboren op [...] 1990, en

D, geboren op [...] 1991,

allen van Iraanse nationaliteit, gezamenlijk te noemen eisers,

gemachtigde: mr. E. Arslan, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.P. Verveer, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1.1 Procesverloop

1.2 Eiser en eiseres hebben op 15 januari 2001 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag van eiseres geldt mede ten behoeve van de twee minderjarige kinderen. Verweerder heeft de aanvragen bij besluiten van 9 januari 2002 afgewezen.

1.3 Op 15 september 2004 heeft verweerder deze besluiten ingetrokken. De tegen deze besluiten ingestelde beroepen van 5 februari 2002 zijn op 16 september 2004 ingetrokken.

1.4 Bij besluiten van 2 februari 2005 heeft verweerder de aanvragen wederom afgewezen. Eisers hebben hiertegen op 2 maart 2005 beroep ingesteld.

1.5 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.6 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 9 maart 2006. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vw genoemde gronden.

2.3 Eisers hebben ter onderbouwing van hun aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser werkte als hoogleraar bedrijfskunde en informatica aan een universiteit in Teheran. Hij heeft kritiek geuit op het islamitisch management. In verband daarmee is er tweemaal een aanslag op hem gepleegd. Telefonisch is een bedreiging geuit. Eiser heeft naar aanleiding van deze gebeurtenissen besloten Iran te verlaten.

2.4 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde feiten als geloofwaardig aangemerkt kunnen worden. Naar de mening van verweerder zijn de aan deze feiten ontleende vermoedens, namelijk dat de aanslagen op eiser gepleegd zijn door fundamentalistische groeperingen welke banden hebben met de autoriteiten, niet geloofwaardig. Verweerder heeft daarom geconcludeerd tot ongeloofwaardigheid van het asielrelaas.

2.5 Namens eisers is hiertegen het volgende aangevoerd. Verweerder heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de Iraanse context waarin de door eiser aangegeven gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Eiser verwijst onder meer naar TBV 2003/37, gebaseerd op het ambtsbericht van de Minister van buitenlandse zaken van 10 februari 2003 en het rapport van Human Rights Watch van juni 2004. Van belang hierbij is dat eiser tot een risicogroep behoort en dat de autoriteiten niet rechtstreeks ingrijpen, maar dat dit gebeurt door fundamentalistische groeperingen die banden hebben met de autoriteiten.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 Allereerst stelt de rechtbank vast dat het asielrelaas van eiseres geheel afhankelijk is van dat van eiser.

2.7 De door eiser gestelde feiten worden door verweerder niet betwist. Dit betekent dat van de volgende - door eiser tijdens het nader gehoor van 12 juni 2001 gestelde - feiten kan worden uitgegaan:

- Eiser heeft activiteiten verricht voor een studentenbeweging.

- Eiser heeft aan studenten les gegeven in islamitisch management. Tijdens de lessen heeft hij verteld dat hij tegen de werkwijze van de autoriteiten is.

- In april 2000 is een student, E, vermoord. E schreef leuzen en eiser heeft met hem veel gepraat over algemene zaken.

- Eiser heeft met zijn collega, F, een stuk geschreven over islamitisch management en algemeen economische zaken. Eiser heeft zijn opmerkingen over islamitisch management in dit stuk uiteengezet. Op 6 maart 2000 is dit stuk aan studenten gegeven.

- In april 2000 werd het lijk van F gevonden.

- Een week na de vondst van het lijk van F, op 26 april 2000, reed een auto met hoge snelheid eisers kant op. Eiser is opzij gesprongen.

- In september 2000 begon het studiejaar. In die tijd werden er in Iran veel aanslagen gepleegd. De situatie in Teheran was gespannen. Veel kranten werden verboden, veel journalisten werden gearresteerd en vermoord. Op de universiteit was het ook onrustig.

- Eiser heeft omstreeks 25 of 26 november 2000 zijn stuk met studenten besproken. Ook heeft hij toen verteld dat de uitlatingen van Khamenei over de vrijheid van media en pers tegenstrijdig zijn met de grondwet.

- Op 3 december 2000 heeft een man op straat getracht om eiser met een mes neer te steken.

- Op 4 december 2000 werd eiseres gebeld. Er werd gezegd dat haar man geluk had gehad, maar dat de volgende keer haar man en zij vermoord zouden worden.

- Eiseres en de kinderen zijn na de telefonische bedreiging ondergedoken. Eiser heeft documenten vernietigd en is na een week ook ondergedoken. Ongeveer een week daarna heeft eiser een reisagent geregeld en hebben eisers Iran verlaten.

2.8 In het voornemen van eiser van 17 december 2004 en het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat uit de verklaringen van eiser op geen enkele manier blijkt van op de persoon van eiser gerichte aandacht zijdens de autoriteiten dan wel van een fundamentalistische groepering welke banden heeft met de autoriteiten. De stelling van eiser dienaangaande is slechts gebaseerd op vermoedens. Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn belagers banden hebben met de politie, dan wel met andere autoriteiten, had eiser bescherming kunnen zoeken bij de autoriteiten van zijn land van herkomst. Ook heeft verweerder gesteld dat de relatie welke eiser legt tussen de dood van zijn collega, de moord op een student en de gestelde aanslagen op zijn leven, eveneens slechts gebaseerd is op vermoedens zijnerzijds.

2.9 De rechtbank overweegt dat uit ambtsberichten en andere openbare publicaties inzake Iran naar voren komt dat de geestelijk leiders in Iran een sterke, zo niet overheersende invloed hebben op het bestuur. De geestelijk leiding is nauw vervlochten in alle openbare functies. In dit licht bezien kan aan eisers vermoeden dat de groepering die hem bedreigde banden had met de autoriteiten, niet op voorhand gezegd worden dat deze niet palusibel is en is verweerders standpunt dat eiser tegen fundamentalistische groeperingen bescherming in kan roepen bij de autoriteiten, niet houdbaar. Gezien de door eiser aangegeven feiten in samenhang met de algemeen bekende informatie over Iran is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser, gezien de door hem gestelde en door verweerder niet betwiste feiten, een gegronde vrees heeft voor vervolging door de Iraanse autoriteiten.

2.10 De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren. De bestreden besluiten zijn in strijd met artikel 7:12 Awb.

2.11 De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen en verweerder opdragen nieuwe besluiten te nemen.

2.12 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de door eisers gemaakte kosten en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 644,- ( 1 punt voor de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, samenhangende zaken).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart de beroepen gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden besluiten;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de aanvragen van 15 januari 2001 met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, rechter, en op 27 april 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Manhoef, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.