Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX7210

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
07-06-2006
Zaaknummer
AWB 05/41104 (beroep) AWB 05/41105 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft in een beroepszaak, betreffende een tweede asielaanvraag, het beroep gegrond verklaard. Eiseres claimt dat zij vluchteling is en bij terugkeer naar Iran het risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het Eruopees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Proces-verbaal

van

mondelinge uitspraak

van 7 juni 2006

artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 05/41104 (beroep)

AWB 05/41105 (voorlopige voorziening)

V-nr.: 070.205.7951

inzake: [eiseres/verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1979, van Iraanse nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres, gemachtigde: mr. drs. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat te Nieuwegein,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde: mr. W. Kleingeld, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

1. PROCEDURE

De rechtbank heeft op 9 september 2005 een beroepschrift, gericht tegen het besluit van verweerder van 31 augustus 2005, en een connex verzoek om voorlopige voorziening ontvangen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2006. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig de partner van eiseres, [partner]. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Met partijen is ter zitting besproken dat de rechtbank op de voet van artikel 8:67, eerste lid, van de Awb mondeling uitspraak zou doen op termijn van uiterlijk een week, en is partijen aangezegd dat dit zou geschieden ter zitting van dinsdag 6 juni dan wel ter zitting van woensdag 7 juni 2006. Vervolgens is op 30 mei 2006 terstond na de zitting met partijen telefonisch afgestemd dat de mondelinge uitspraak plaats zou vinden op woensdag 7 juni 2006 (met inachtneming van de termijn van artikel 8:67, eerste lid, van de Awb, rekening houdend met de Pinksterdagen).

2. BESLISSING

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 05/41104 (het beroep):

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 31 augustus 2005;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken opnieuw beslist op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten ad EUR 644,- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan de griffier te voldoen.

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 05/41105 (de voorlopige voorziening):

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de kosten ad EUR 322,- en draagt de Staat der Nederlanden op om deze kosten aan de griffier te voldoen.

3. MOTIVERING

1. Aan bovengenoemde beslissing ligt de navolgende motivering ten grondslag.

De eerste asielprocedure

2. Eiseres heeft in het kader van haar eerste aanvraag om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf van 19 september 1996 het volgende verklaard. Haar vader was betrokken bij de “Tudeh” partij. Voor de revolutie en na de revolutie van 1979 heeft hij gevangen gezeten. In 1991 is haar vader vrijgelaten. Nadat haar vader was vrijgelaten moest hij zich regelmatig melden bij de “Ewin” gevangenis. Eiseres weet niet wat haar vader precies deed voor de “Tudeh” partij. In december 1995 werd eiseres een huwelijksaanzoek gedaan door een zekere [H. S.], die werkzaam was voor het zogenoemde “Komiteh”. Deze man was 35 jaar ouder dan eiseres en getrouwd. Eiseres en haar vader en moeder hebben geweigerd. [H. S.] heeft eiseres vervolgens in de eerste week van januari 1996 drie maal opgebeld. Eiseres verzocht hem niet meer te bellen. Ongeveer een maand later is de broer van eiseres, genaamd [de broer] en geboren in 1981, opgepakt. Hij is een dag vastgehouden en geslagen. Een paar dagen hierna belde [H. S.] eiseres op. Hij zei dat er met het broertje van eiseres vaker iets zou kunnen gebeuren als zij zich weigerachtig zou blijven opstellen. Enkele dagen daarop - eveneens in januari 1996 - is de auto van de vader van eiseres in brand gestoken. [H. S.] vertelde eiseres telefonisch dat hij hierachter had gezeten. Eiseres en haar vader hebben aangifte gedaan bij Justitie in de Arkstraat in Teheran, maar de zaak werd niet serieus behandeld. Eiseres werd gevraagd waarom zij eigenlijk tegenwerkte en dat zij er beter aan deed met [H. S.] te trouwen. [H. S.] bleek vervolgens op de hoogte te zijn van deze aangifte. Volgens eiseres is er nooit iets met de aangifte gedaan omdat haar vader betrokken was bij de “Tudeh” partij. De vader van eiseres kreeg te horen hoe hij kon denken dat hij klachten had, met wat hij deed.

Maar ook los van haar vader, zo heeft eiseres verklaard, “heeft [H. S.] genoeg invloed om iets te regelen”. [H. S.] vertelde haar vader wel dat hij op de hoogte was van diens “achtergronden”. In juli 1996 zou eiseres deelnemen aan een tweede examenronde om toegelaten te worden tot de universiteit. Toen zij haar kaartje wilde ophalen om de examenzaal in te mogen was haar kaartje weg en kon zij niet deelnemen. Eiseres is in totaal vier keer door onbekende mannen opgepakt en in een auto gestopt. Haar hoofd werd naar beneden geduwd en er werd haar gevraagd voor welke groepering zij werkzaam was, waar zij naartoe ging en met wie zij omging. Eiseres werd hierbij telkens een half uur tot drie kwartier vastgehouden. [H. S.] heeft eiseres vervolgens telefonisch verteld dat hij het brein was geweest achter deze intimidaties. [H. S.] brak in op de telefoonlijn tijdens telefoongesprekken die eiseres of een gezinslid voerde. Eiseres heeft twee weken bij haar zus [de zus X] verbleven. Ook daar heeft [H. S.] het telefoonnummer achterhaald en met eiseres gebeld. Ongeveer één week voor het vertrek van eiseres uit Iran heeft [H. S.] in de telefoonlijn ingebroken terwijl haar vader aan het telefoneren was. [H. S.] zei toen tegen haar vader: “Jij weet vast wel wat wij met dit soort meisjes kunnen doen. Soms vinden wij dit soort meisjes onder de brug.” Later die dag brak [H. S.] nogmaals in tijdens een telefoongesprek dat eiseres zelf voerde. Hij deelde eiseres toen mee dat zij nu zelf had gezien dat zij niet verder kon studeren. Eiseres noemde [H. S.] hierop een “gestoorde gek”. Waarop [H. S.] eiseres eraan herinnerde wat er met het meisje in de wijk Tajrish was gebeurd. In die wijk was een meisje doodgeschoten. De vader en de oom van eiseres hebben hierop de beslissing genomen dat eiseres zou moeten vertrekken en hebben haar vertrek geregeld.

3. Verweerder heeft de aanvragen van eiseres afgewezen bij beschikking van 7 januari 1997 en de weigering gehandhaafd bij beschikking van 23 mei 1997.

4. Bij uitspraak van 12 juli 1999 van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, is het beroep gericht tegen de beschikking op bezwaar van 23 mei 1997 ongegrond verklaard. In deze uitspraak is - samengevat - geoordeeld dat de problemen die eiseres heeft ondervonden kunnen worden teruggevoerd op een persoonlijke wraakactie van [H. S.] en dat derhalve geen sprake is geweest van vervolging door de autoriteiten. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het niet serieus nemen van de aangifte in verband stond met de politieke activiteiten van de vader en dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de vader daadwerkelijk politiek actief was (geweest).

De tweede asielprocedure

5.1 Eiseres heeft op 7 november 2000 opnieuw verzocht om toelating als vluchteling dan wel een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

5.2 Bij dit tweede verzoek zijn blijkens gedingstuk 2q de volgende stukken overgelegd: een brief van de moeder van eiseres van mei 1998 met vertaling, brieven van Stichting de Opbouw van 11 en 17 november 1998, een brief van de zus van eiseres van januari 1999 met vertaling, een brief van Stichting de Opbouw van 3 maart 1999 met vertaling, een brief van

[F. I.] van de “Tudeh” partij in Nederland van 8 maart 1999 met vertaling, een brief van de ambassade van Iran van 11 augustus 2000 met vertaling, een brief van [F. I.] van de “Tudeh” partij in Nederland van 29 september 2000 met vertaling, een brief en “geheime brief” van de zus van eiseres van 1 oktober 2000 met vertaling, en tot slot een aantal brieven van de gemachtigde van eiseres en een door de gemachtigde vervaardigde “asielanalyse”.

5.3 Eiseres heeft in het kader van haar tweede verzoek het volgende verklaard. Eiseres meent dat zij thans met behulp van de in 5.2 genoemde stukken de politieke achtergrond van haar vader heeft aangetoond. Zij heeft contact opgenomen met de “Tudeh” partij die heeft achterhaald dat de vader van eiseres inderdaad politiek actief is geweest. Voorts heeft eiseres gewezen op de brief van haar zus met geheime inkt waaruit blijkt, aldus eiseres, dat haar vader is vermoord. Deze brief is via de post gezonden aan een vriendin van eiseres. Het was een brief die helemaal niet over eiseres ging. Tussen de regels op de witregel was er met onzichtbare inkt geschreven. Het hoofdpunt uit de brief is dat de vader van eiseres is vermoord. De brief was ondertekend met de naam “[K.]”, een naam die eiseres niet kent. Eiseres heeft naar aanleiding hiervan haar zus [de zus Y] gebeld. Die zei haar dat ze niet vrijuit kon spreken en belde later terug vanaf een andere locatie. [de zus Y] zei toen dat eiseres de brief moest strijken met een strijkijzer. Dat heeft eiseres gedaan en toen kwam de geheime tekst tevoorschijn. De gemachtigde van eiseres heeft contact gehad met de Iraanse ambassade teneinde een overlijdensakte te krijgen met vermelding van de doodsoorzaak van de vader. De ambassadeur heeft daarop meegedeeld dat hij niet in het bezit was van een overlijdensakte maar dat die wel bij de familie in Iran zou moeten zijn. Eiseres heeft vervolgens een brief van haar zus gekregen waarin staat dat mensen van de overheid bij de moeder van eiseres aan de deur zijn geweest. Gevraagd werd waarom de advocaat dat verzoek aan de Iraanse ambassade heeft gericht. Eiseres was er van kinds af aan wel van op de hoogte dat haar vader politiek actief was. Zij wist evenwel niet welke activiteiten hij precies verrichte. Nadat zij naar Nederland was gevlucht is zij er pas achter gekomen wat haar vader had gedaan omdat zij hier navraag naar heeft gedaan toen het van groot belang bleek te zijn. Op de vraag wat eiseres exact vreest bij terugkeer naar Iran heeft zij verklaard dat de autoriteiten haar op één lijn stellen met haar vader, dat haar vader is vermoord, en dat zij vreest dat haar hetzelfde lot kan treffen.

6. Het tweede verzoek heeft verweerder afgewezen bij beschikking van 12 november 2000.

7. In de bezwaarfase is (onder meer) nog overgelegd een brief van eiseres aan haar gemachtigde van 6 december 2000 waarin staat dat zij telefonisch contact heeft gehad met de heer [F. I.] met het verzoek of er nog verder rechtstreeks onderzoek door de “Tudeh” partij in Iran gedaan zou kunnen worden, maar dat dit voor de partij om veiligheidsredenen onmogelijk was. Tijdens de in de bezwaarfase gehouden hoorzitting heeft eiseres (onder meer) verklaard dat zij geen contact met haar moeder kan hebben omdat haar moeder niet veilig is en dat haar moeder thans op verschillende adressen verblijft. Een half Nederlandse half Iraanse vriendin is in 2001 naar Iran gereisd en heeft daar contact met de familie van eiseres gehad. De moeder van eiseres heeft aan deze vriendin een kamer met spullen van de vader van eiseres laten zien. De moeder heeft aan deze vriendin gevraagd om door te geven aan eiseres dat zij niet terug moest komen naar Iran, omdat eiseres dan hetzelfde zou kunnen overkomen als de vader was overkomen. Ook heeft de moeder van eiseres aan deze vriendin verteld dat er mensen van de autoriteiten aan de deur waren geweest naar aanleiding van de brief aan de ambassade.

8. In bezwaar is de weigering gehandhaafd bij beschikking van 25 april 2002, tegen welke beschikking beroep is ingesteld bij schrijven van 14 mei 2002.

9. In de beroepsfase zijn (onder meer) nog in het geding gebracht een “verklaring naar waarheid” van genoemde vriendin en een brief van 9 augustus 2004 van eiseres aan haar gemachtigde waarin zij meedeelt van haar moeder te hebben vernomen dat haar broer [de broer] tijdens deelname aan een studentenprotest tegen het regime is opgepakt en sedertdien is verdwenen.

10. Bij uitspraak van 13 oktober 2004 van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, is als volgt geoordeeld. De onderhavige aanvraag is een herhaalde aanvraag. De in de beroepsfase overgelegde stukken zijn geen feiten als bedoeld in artikel 83 van de Vw 2000, nu het hier gaat om verklaringen uit niet objectieve bron. De bij de herhaalde aanvraag aangedragen stelling dat de vader van eiseres zou zijn vermoord is geen novum is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb waar het betreft het beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De brieven van de zus van eiseres, de verklaringen van de heer [F. I.] van de “Tudeh” partij in Nederland en de verklaring van de vriendin van eiseres zijn geen nova, nu deze niet uit objectieve bron afkomstig zijn. De gestelde dood van de vader van eiseres is wel een novum waar het betreft het beroep van eiseres op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw 2000, nu deze stelling een objectieve bevestiging vindt in de brief van de Iraanse ambassade. Niet kan op voorhand worden uitgesloten dat de dood van de vader van eiseres kan afdoen aan het eerdere besluit. Eiseres heeft immers reeds in de eerste procedure verklaard dat zij mede vanwege de problemen van haar vader met de autoriteiten van die zijde voor vervolging vreest en het relaas is blijkens het eerdere rechtens onaantastbare besluit onvoldoende zwaarwegend. Verweerder heeft evenwel terecht gemeend, zo heeft de rechtbank geoordeeld, dat eiseres geen aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a dan wel b, van de Vw 2000. Met de dood van de vader is namelijk nog niet aannemelijk dat ook eiseres daadwerkelijk aan vervolging door de autoriteiten zal worden blootgesteld bij terugkeer naar Iran en eiseres heeft geen als nieuw aan te merken feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan alsnog aannemelijk is dat zij vanwege de activiteiten van haar vader daadwerkelijk in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staat. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld (in het kader van het beroep op de c-grond van artikel 29 van de Vw 2000) dat verweerder ontoereikend heeft gemotiveerd waarom de zaak van eiseres niet vergelijkbaar is met de zaken [de zaak S.] en [de zaak K.], waarin wel tot vergunningverlening is overgegaan. Wegens laatstgenoemd motiveringsgebrek heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en de beschikking van

25 april 2002 vernietigd.

Het thans voorliggende bestreden besluit en het daartegen gerichte beroep

11. Verweerder heeft in het na deze uitspraak genomen en thans ter toetsing voorliggende besluit van 31 augustus 2005 overwogen dat de a- en b-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, gelet op de uitspraak van de rechtbank van 13 oktober 2004, niet meer in geschil zijn en eiseres op grond van die bepalingen dus geen verblijfsrecht toekomt. Eiseres kan evenmin een geslaagd beroep op de c-grond van artikel 29 van de Vw 2000 doen, nu hetgeen haar is overkomen niet valt onder de limitatieve opsomming van het traumatabeleid en er voorts ook geen sprake is van individuele klemmende redenen van humanitaire aard. Tot slot heeft verweerder gemotiveerd uiteengezet waarom eiseres zich niet met succes kan beroepen op het gelijkheidsbeginsel.

12. In beroep is betoogd dat bij uitzetting van eiseres schending van artikel 3 van het EVRM dreigt en dat de beschikking van 31 augustus 2005 is genomen in strijd met dat artikel. Eiseres heeft betoogd dat de feiten tot op heden niet met “rigorous scrutiny” zijn onderzocht.

In dit verband heeft zij gewezen op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) inzake [de zaak Z.]/Nederland (JV 2005, 304) en de concurring opinion bij dit arrest van de (toenmalige) Nederlandse rechter in het EHRM. Eiseres vreest voor vervolging van de zijde van de autoriteiten in Iran en vreest te worden blootgesteld aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM omdat zij uit het gezin van een opposant van de Iraanse autoriteiten komt en zij is “gestalkt” en bedreigd door een overheidsfunctionaris.

Haar vader is overleden nadat zij naar Nederland is gevlucht. Gevreesd wordt dat hij is vermoord. De broer van eiseres is intussen jarenlang verdwenen nadat hij aan studentendemonstraties had meegedaan. De overgebleven familieleden ondervinden nog altijd ernstige problemen van de zijde van de autoriteiten. Ter zitting van 30 mei 2006 heeft eiseres desgevraagd nader verduidelijkt dat zij zich ook na de uitspraak van de rechtbank van 13 oktober 2004 nog altijd beroept op de a en b-grond en daarnaast op de c-grond van artikel 29 van de Vw 2000. Nu er (nog immer) niet met “rigorous scrutiny” naar deze zaak is gekeken, terwijl er wel een schending van het in het Vluchtelingenverdrag neergelegde refoulementverbod en artikel 3 van het EVRM dreigt, ziet eiseres niet in waarom genoemde uitspraak in de weg zou staan aan het (wederom) ten volle beoordelen van de door haar ingeroepen a- en b-grond van artikel 29 van de Vw 2000. Voorts heeft eiseres betoogd dat het EHRM heel anders kijkt naar bewijsmateriaal in zaken als de onderhavige. Als eiseres niet in het gelijk zal worden gesteld, zal zij zeker een klacht bij het EHRM neerleggen. Tot slot meent eiseres dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De door haar ondervonden bedreigingen en stalking hebben haar dusdanig geestelijk leed berokkend, dat gesproken kan worden van ernstige mishandeling in de zin van het traumatabeleid. Eiseres meent bovendien dat verweerder nog steeds niet afdoende heeft gemotiveerd waarom in de door haar als vergelijkbaar genoemde zaken wel tot vergunningverlening is overgegaan, terwijl dat in haar zaak niet is gebeurd.

13. De rechtbank overweegt dat in het bestuursrecht als leidend beginsel geldt dat beschikkingen formele rechtskracht verkrijgen, als daartegen niet (tijdig) of tot in laatste aanleg niet met succes, is opgekomen. Voorts volgt uit (inmiddels) bestendige jurisprudentie van de appèlrechter dat het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank, waarbij beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, tot gevolg heeft dat de rechtbank in het beroep tegen een hierna genomen nieuw besluit heeft uit te gaan van het oordeel over die beroepsgronden in de eerdere uitspraak. De rechtbank verwijst hierbij naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS), onder meer die van 6 augustus 2003 (AB 2003, 355, ook wel bekend onder de naam “Brummen”). Deze uitgangspunten, die de rechtszekerheid en finaliteit van geschilbeslechting dienen, gelden in beginsel ook wanneer er tegen een uitspraak van de eerstelijnsrechter geen hoger beroep mogelijk is. Uit genoemde jurisprudentie van de ABRS leidt de rechtbank evenwel ook af dat, onder bijzondere omstandigheden nuancering mogelijk is en een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht gerechtvaardigd kan zijn. De rechtbank wijst hierbij in de eerste plaats op overweging 2.4 in de uitspraak van de ABRS van 6 augustus 2003 (AB 2003, 355), waarin is geoordeeld dat bijzondere omstandigheden ertoe kunnen leiden dat het niet instellen van hoger beroep tegen uitspraken waarin beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, niet aan een betrokkene kan worden tegengeworpen, met name als tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep is ingesteld omdat betrokkene, afgaande op eerdere jurisprudentie, in de veronderstelling verkeerde dat deze beroepsgronden in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar opnieuw voor een inhoudelijke beoordeling aan de rechtbank konden worden voorgelegd.

Uit de bewoordingen “met name” leidt de rechtbank af dat er ook andere, (zeer) bijzondere, situaties denkbaar zijn waarin een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht gerechtvaardigd is. Daarnaast heeft de ABRS in een reeks van recente uitspraken nuanceringen aangebracht van de “Brummen” uitspraak. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraken van de ABRS van 19 januari 2005 (AB 2005/115), 3 februari 2005 (AB 2005/104), 13 juli 2005 (AB 2005/255) en 31 augustus 2005 (AB 2005/286)

14. Voor de onderhavige zaak brengt het voorgaande mee dat de rechtbank bij beoordeling van het thans voorliggende beroep heeft uit te gaan van het oordeel neergelegd in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 13 oktober 2004, behoudens bijzondere omstandigheden die een doorbreking van het beginsel van formele rechtskracht rechtvaardigen.

15. Uitspraken van (internationale) rechters leveren in beginsel geen bijzondere omstandigheid als hierboven bedoeld op. Nuancering van dit uitgangspunt kan evenwel onder bijzondere omstandigheden geboden zijn en het strekt te ver om te zeggen dat nieuwe jurisprudentie, met name rechtspraak van internationale rechtsprekende colleges waarin beslissingen zijn vervat die voor de Nederlandse rechtspraktijk van wezenlijk belang zijn, nimmer een (zeer) bijzonder feit zou kunnen opleveren dat doorbreking van het beginsel van formele rechtskracht rechtvaardigt. Naar het oordeel van de rechtbank kan jurisprudentie van het EHRM die aan deze maatstaf voldoet onder omstandigheden een bijzonder feit als hier bedoeld opleveren.

16.1. Het arrest [Z.] tegen Nederland (2345/02, gepubliceerd in JV 2005, 304) is voor Nederland het eerste arrest van het EHRM waarin een klacht van een asielzoeker gebaseerd op artikel 3 van het EHRM gegrond is verklaard. Het EHRM erkent in deze uitspraak (rechtsoverweging 49) dat direct bewijs in de vorm van documenten ter staving van de stelling dat een persoon om welke reden dan ook wordt gezocht door de autoriteiten van het land van herkomst moeilijk verkrijgbaar kan zijn. [Z.] had zijn aanvraag onder meer gestaafd met algemene informatie die een onderbouwing gaf van zijn verklaring over het plaatsvinden van een evaluatie in het leger na de oorlog, zijn arrestatie vier maanden nadat hij kritiek had geuit en de aanvang van de mobilisatie. Ook al was deze informatie algemeen van aard en niet speciaal gericht op [Z.] persoonlijk, toch vond het EHRM dat niet van klager verwacht kon worden dat hij het relaas verder zou onderbouwen (rechtsoverweging 51). Het EHRM eiste hiermee minder dan er in Nederland van [Z.] aan bewijs was geëist. Nadat het EHRM aannemelijk had bevonden dat [Z.] een deserteur was, heeft het geoordeeld, op basis van informatie uit rapporten van Amnesty International over 2003 en 2004, een Country Report van het US Department of State over 2004 en een ambtsbericht van Buitenlandse Zaken van februari 2004, dat [Z.] bij uitzetting een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.

In de zich bij het arrest bevindende concurring opinion van de (toenmalige) Nederlandse rechter in het EHRM wijst deze rechter erop dat, uitgaande van wat er op het spel staat, in zaken waarin een schending van artikel 3 van het EVRM wordt geclaimd een grondig onderzoek naar de feiten nodig is; in de visie van deze rechter was er in de zaak [Z.] noch door het bestuur noch door de rechter een serieus onderzoek naar de feiten verricht, onder meer omdat in beroep overgelegde documenten buiten beschouwing waren gelaten en omdat door [Z.] aangedragen stellingen niet, althans onvoldoende, waren geverifieerd aan openbare bronnen over de situatie in het desbetreffende land.

16.2 Het arrest [Z.] tegen Nederland staat niet op zichzelf waar het gaat om eisen die worden gesteld aan door de asielzoeker te leveren bewijs en aan het door de staat te verrichten onderzoek. In dezelfde maand, juli 2005, is het arrest N. tegen Finland gewezen. Daarin heeft het EHRM in een asielzaak zelf een aantal getuigen gehoord. Net als in de zaak [Z.] tegen Nederland is ook in zaak N. tegen Finland geconcludeerd dat er voldoende bewijs was bijgebracht om vast te stellen dat er substantiële redenen zijn om te menen dat N. bij uitzetting het reële risico zou lopen bloot te worden gesteld aan een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

16.3 De rechtbank is van oordeel dat het arrest [Z.] tegen Nederland belangrijke vragen opwerpt ten aanzien van, en aanleiding geeft tot herbezinning op, onder meer, de bewijslast(verdeling) in zaken als onderhavige, de eisen die aan bewijs ingebracht door een asielzoeker (mogen) worden gesteld en de eisen die worden gesteld aan het onderzoek dat bestuursorgaan en rechter verrichten. In dit verband merkt de rechtbank op dat er in jurisprudentie van deze zittingsplaats en andere zittingsplaatsen ook reeds pogingen zijn ondernomen om de betekenis van het arrest [Z.] voor de oordeelsvorming door de Nederlandse rechter te duiden en pogingen zijn ondernomen om uit het arrest implicaties af te leiden, onder meer ten aanzien van de vraag hoe in zaken als de onderhavige omgegaan dient te worden met stukken die door de asielzoeker worden ingebracht ter onderbouwing van zijn aanvraag. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de voorzieningenrechter in zittingsplaats Haarlem van 9 augustus 2005, nummer AWB 05/33498, 05/33500, 05/33497, de uitspraak van de enkelvoudige kamer van zittingsplaats Arnhem van 11 oktober 2005, nummer AWB 05/18536 (LJN AU6311), de uitspraken van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats van 10 maart 2006, nummer AWB 05/47291 (gepubliceerd in JV 2006/176) en AWB 05/30412 en nummer 05/30415 (gepubliceerd in JV 2006/175) en de uitspraak van de voorzieningenrechter in deze zittingsplaats van 13 januari 2006, nummer AWB 05/57717, 05/57722, 05/57721, 05/57714 (gepubliceerd in JV 2006/183). In dit verband merkt de rechtbank ook op dat verweerder hoger beroep heeft ingesteld van een aantal uitspraken waarin de rechtbank zich heeft uitgelaten over de betekenis van het arrest [Z.] en/of bij de oordeelsvorming aansluiting heeft gezocht bij dit arrest. Thans liggen deze zaken bij de hoger beroepsrechter, die zich op het moment dat de onderhavige uitspraak wordt gedaan, nog niet over deze kwestie heeft uitgelaten.

17. Het arrest [Z.] tegen Nederland is hiermee naar het oordeel van de rechtbank een uitspraak die voor de Nederlandse rechtspraktijk van wezenlijk belang is en voldoet dan ook aan de in overweging 15 geformuleerde maatstaf. De rechtbank stelt vast dat in bovengenoemde uitspraak van 13 oktober 2004 al het door eiseres ter staving van haar claim overgelegde bewijsmateriaal materieel buiten beschouwing is gelaten, omdat het niet afkomstig is uit objectieve bron. In de hierboven beschreven recente arresten van het EHRM is op andere wijze omgegaan met het door de asielzoeker aangedragen bewijs. In ieder geval heeft in die arresten, anders dan in de uitspraak van 13 oktober 2004, materiële oordeelsvorming over het aangedragen bewijs plaatsgevonden, en is geen bewijs buiten beschouwing gelaten op de enkele grond dat het niet uit objectieve bron afkomstig zou zijn. Dat geldt in het bijzonder voor het arrest N. tegen Finland. De rechtbank constateert voorts dat op dit moment diverse zaken bij het EHRM aanhangig zijn die betrekking hebben op herhaalde asielaanvragen en waarin het niet bij de beoordeling betrekken van nova (onder meer) om redenen van formele aard een rol speelt. Eén van die zaken is de zaak van S. tegen Nederland, EHRM nr. 39828/03, waarin het EHRM op 15 december 2004 heeft besloten dat deze zaak aan de Nederlandse regering moet worden gecommuniceerd.

Al deze omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, brengen de rechtbank tot het oordeel dat het arrest [Z.] tegen Nederland doorbreking van de formele rechtskracht van de uitspraak van 13 oktober 2004 rechtvaardigt.

18. Hieruit vloeit logischerwijze voort dat de rechtbank met eiseres van oordeel is dat (naast het beroep op de c-grond) ook het beroep op de a en de b-grond van artikel 29 van de Vw 2000 thans opnieuw ten volle aan de orde kan komen. Nu eiseres in het onderhavige beroep opnieuw op alle door haar ingebrachte documenten heeft gewezen ter staving van haar claim en zij zich voorts heeft beklaagd dat er tot op heden geen serieus onderzoek naar de feiten is verricht, volgt uit het hierboven in rechtsoverweging 17 overwogene bovendien ook dat de rechtbank zich allereerst opnieuw zal moeten uitlaten over de vraag of de door eiseres in de vorige beroepsfase (in overweging 9 genoemde) documenten bij de beoordeling kunnen worden betrokken, en of de in de vorige besluitvormingsfase overgelegde (in overweging 5.2 genoemde) documenten - en de in de vorige beroepsfase overgelegde documenten indien en nadat is geoordeeld dat zij kunnen worden meegenomen - nova in de zin van artikel 4:6 van de Awb opleveren.

19. De rechtbank ziet geen aanleiding om de “verklaring naar waarheid” van 11 mei 2002 van de vriendin van eiseres, die heeft verzocht niet met naam genoemd te worden, en de brief van eiseres aan haar gemachtigde van 9 augustus 2004, waarin zij meedeelt van haar moeder te hebben gehoord dat haar broer verdwenen is, buiten beschouwing te laten. Niet is in geschil dat beide stukken gedateerd en origineel zijn. Nu eiseres reeds in de bezwaarfase heeft verklaard dat haar vriendin in 2001 naar Iran was gereisd en daar in het geheim haar familieleden heeft ontmoet, kan de brief van de vriendin worden aangemerkt als een nadere onderbouwing van een reeds in de besluitvormingsfase naar voren gebrachte stelling. Eiseres schrijft in haar brief van 9 augustus 2004 dat zij het nieuws inzake de verdwijning van haar broer een maand geleden van haar moeder vernomen heeft. Niet kan dan ook gezegd worden dat zij dit eerder dan in de beroepsfase had kunnen, en derhalve moeten, meedelen. Beide brieven zijn geen verklaringen uit “objectieve bron”, in de zin van informatie van een neutrale buitenstaander. Naar het oordeel van de rechtbank kan hierin op zichzelf evenwel geen reden worden gevonden om de verklaringen deswege materieel buiten beschouwing te laten. De omstandigheid dat een verklaring niet uit objectieve bron afkomstig is kan naar het oordeel van de rechtbank relevant zijn voor de materiële vraag naar de betrouwbaarheid van die verklaring en voor de, eveneens materiële, vraag welk gewicht aan die verklaring dient te worden toegekend, maar speelt geen rol bij de - daaraan voorafgaande, in wezen formeel van aard zijnde - vraag of de verklaring al dan niet als bewijsmiddel kan dienen. Voor deze benadering van bewijsmateriaal heeft de rechtbank steun geput uit bovengenoemde jurisprudentie van het EHRM en de concurring opinion bij het arrest [Z.] tegen Nederland van de toenmalige Nederlandse rechter in het EHRM.

20. Vervolgens is aan de orde de vraag of deze beide genoemde stukken, alsmede de andere stukken die eiseres ter onderbouwing van haar herhaalde aanvraag naar voren heeft gebracht, kunnen worden aangemerkt als nova in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Niet is in geschil dat alle door eiseres overgelegde stukken dateren van na het eerdere rechtens onaantastbare besluit van 23 mei 1997 en dat de stukken voldoen aan de ingevolge vaste jurisprudentie geldende eis dat originelen voorhanden moeten zijn. De rechtbank is ook hier van oordeel dat het “subjectieve” karakter van de informatiebronnen een eigenschap is die relevant kan zijn bij de materiële waardering van de informatie, maar niet bij de daaraan voorafgaande feitelijk formele vraag of die bronnen wel of niet als bewijsmiddel kunnen dienen.

Hoewel de stukken dateren van na het eerdere rechtens onaantastbare besluit, is bij de rechtbank de vraag gerezen of eiseres niet in haar eerste asielprocedure met dergelijke stukken had kunnen en derhalve moeten komen. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. In de eerste asielprocedure heeft eiseres verklaard over de betrokkenheid van haar vader bij de “Tudeh” partij. Zij heeft hierbij aangegeven dat haar vader gevangen heeft gezeten en dat hij in 1991 is vrijgelaten en zich daarna regelmatig moest melden bij de “Ewin” gevangenis.

De geloofwaardigheid van deze verklaringen is nimmer geschilpunt geweest. In het gehoor bij haar tweede verzoek heeft eiseres verklaard weliswaar van kinds af aan op de hoogte te zijn geweest van het partijlidmaatschap van haar vader, maar dat zij als kind niet precies wist wat voor activiteiten hij exact verrichte. Nadat zij als zeventienjarige in Nederland was aangekomen begreep zij dat het van fundamenteel belang zou zijn om scherper in beeld te krijgen wat de rol van haar vader binnen genoemde partij exact was geweest. Met behulp van familie en de “Tudeh” partij in Nederland heeft zij vervolgens gegevens over het verleden van haar vader boven tafel kunnen krijgen. De rechtbank is van oordeel dat onder al deze omstandigheden, met name de jonge leeftijd waarop eiseres naar Nederland is gekomen, niet kan worden gezegd dat eiseres eerder had kunnen, en derhalve moeten, komen met het bewijsmateriaal dat zij in haar tweede asielprocedure naar voren heeft gebracht.

Evenmin kan worden gezegd dat op voorhand duidelijk is dat de overgelegde documenten niet kunnen afdoen aan de rechtens onaantastbare beschikking van 23 mei 1997. De rechtbank herhaalt dat in die eerdere beschikking (en in de eerdere, die beschikking bekrachtigende, uitspraak van 12 juli 1999) samengevat is gezegd dat de problemen met [H. S.] duiden op een persoonlijke wraakactie, maar niet op vervolging door de autoriteiten, dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de vader van eiseres daadwerkelijk politiek actief was en dat het verband tussen de gestelde problemen van de vader en die van eiseres onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De aan de herhaalde aanvraag ten grondslag gelegde documenten bevatten concrete en gedetailleerde informatie over de oppositionele activiteiten van de vader van eiseres, over de zoektocht van eiseres naar deze informatie en over de (tamelijk) recente problemen van de zich in Iran bevindende familieleden en raken daarmee aan kernargumenten waarop de eerdere afwijzing was gebaseerd.

21. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van nova die een hernieuwde rechterlijke beoordeling van het beroep van eiseres op de a- en de b-grond van artikel 29 van de Vw 2000 rechtvaardigen.

22. Het komt dan vervolgens aan op de vraag of de ingeroepen nova tot een ander oordeel kunnen leiden dan het standpunt dat verweerder heeft ingenomen in de beschikking van

23 mei 1997 en het oordeel dat in de uitspraak van 12 juli 1999 is neergelegd. Concreet gezegd: of thans, anders dan toen, wél aannemelijk moet worden geacht dat de vader van eiseres politiek actief is geweest, dat een verband bestaat tussen de (vroegere) problemen van de vader en de problemen van eiseres die hebben geleid tot haar vlucht, en dat [H. S.] geen persoonlijke wraakactie uitvoerde, maar sprake was van vervolging door de autoriteiten.

23.1 De brieven van de Opbouw, instelling voor ambulante jeugdhulpverlening, van 11 en 17 november 1998, aan de toenmalige gemachtigde van eiseres vermelden het volgende.

“[eiseres/verzoekster] (...) is momenteel actief bezig met het zoeken naar bewijsmateriaal dat haar verhaal omtrent de dood van de vader kan bevestigen. (...) Zij heeft opnieuw contact gezocht met haar familie, om nadere informatie te verkrijgen over de dood van haar vader. Eveneens is gevraagd om (indien aanwezig) een overlijdensakte en bijvoorbeeld een foto van het graf van haar vader. Via het bureau van de Tudeh-partij in Berlijn hoopt [eiseres/verzoekster] meer informatie te kunnen krijgen omtrent de politieke activiteiten van haar familie en met name haar vader. Een Iraanse vrouw die [eiseres/verzoekster] heeft leren kennen bevestigde onlangs dat de naam van haar familie inderdaad bekend is bij leden van de Tudeh-partij.”

“[eiseres/verzoekster] heeft middels een telefoongesprek de volgende informatie verkregen over haar vaders verleden. Dit gaat terug tot het jaar 1330 van de Iraanse jaartelling. In die periode werden de activiteiten van de Tudeh-partij ernstig onderdrukt en is de vader van [eiseres/verzoekster] een jaar ondergedoken. (...) In het jaar 1342 is haar vader veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf omdat hij actief was voor de Tudeh-partij. Nadat hij twee jaar in een isoleercel heeft gezeten in Teheran is hij in 1344 met hulp van een vriend vrijgekomen.

Mensen die destijds tegelijk met hem gevangen zaten (vervoordeeld op grond van hetzelfde dossier) zijn o.a. [N.], [O.], [P.] en [Q.]. In 1354 werd de vader van [eiseres/verzoekster] voor de tweede keer opgepakt in verband met politieke contacten met “Zofaar”. [eiseres/verzoekster] weet niet precies waar dit voor staat. Ze weet wel dat het te maken had met een “linkse” partij, die streed voor meer rechten voor arbeiders en meer vrijheid van meningsuiting. Haar vader heeft zes maanden in een isoleercel gezeten en is in de gevangenis zodanig mishandeld dat zijn linkerhand blijvend verlamd is geraakt. In dezelfde tijd zaten ook [R.] en [T.] vast. Opnieuw is haar vader via de partij vrijgekomen, er moest een grote hoeveelheid rijst worden gegeven aan een zekere [J. A.] (iemand van de autoriteiten, bekend in Iran). (...) Dit was vóór de geboorte van [eiseres/verzoekster], tijdens het regime van de Sjah. (...) Toen [eiseres/verzoekster] vier jaar oud was is haar vader opnieuw opgepakt en heeft toen acht jaar vastgezeten, in verband met politieke activiteiten van de Tudeh-partij. Daarna moest hij zich elke veertien dagen melden en later elke maand (dit gedurende twee à drie jaar). Hij mocht het land niet verlaten en als hij naar een andere stad wilde moest hij dat eerst melden. [eiseres/verzoekster] herinnert zich dat hij in die periode erg veel last had van zowel zijn buik en zijn hoofd, als gevolg van electro-shocks die hem in de gevangenis voortdurend werden toegediend. Hij zou in die tijd ook twee of drie keer een operatie aan zijn hersenen hebben gehad als gevolg daarvan. [eiseres/verzoekster] weet niet met zekerheid te zeggen of haar vader na zijn ontslag uit de gevangenis nog steeds politiek actief was. Hij had wel een goede vriend die destijds erg vaak langskwam, [O.] (eerder genoemd als degene met wie haar vader in de gevangenis verbleef), van wie [eiseres/verzoekster] inmiddels weet dat hij dus ook actief was in dezelfde partij als haar vader.”

23.2 De brieven van [F. I.] van de “Tudeh” partij in Nederland van 8 maart 1999 en

29 september 2000 vermelden het volgende.

“Kameraad [de vader] was één van onze leden van de Tudeh partij in Iran. Als gevolg van de activiteiten die hij onder de naam van [B.] voor de Partij verrichte werd zijn familie ernstig onder druk gezet en was hun maatschappelijke positie onhoudbaar.”

“Kameraad [de vader] is vanaf het jaar 1330 (1951) met zijn activiteiten tegen onderdrukking en kolonialisme begonnen door lid te worden van de jongerenorganisatie van de Iraanse Tudeh-partij, en in hetzelfde jaar heeft hij deelgenomen aan het grote protest tegen oliekolonialisten en is hij een van de activisten van deze beweging geworden. Kameraad is na zijn achttiende, vanwege zijn goede inzet bij de activiteiten, geaccepteerd als lid van de Iraanse Tudeh partij (...). Hij is zijn activiteiten bij de vakbonden in Teheran begonnen en omdat hij een enorme rol had bij de voorbereiding van de protesten van de arbeiders in Teheran, werd hij in Teheran als syndicalist bekend. Deze politieke groei was de oorzaak dat de agenten van de ordepolitie in Teheran hem kenden. Hij zat een periode op advies van de partij ondergedoken om uit de ogen van de agenten van de ordepolitie te zijn. (...) In 1342 (21 april tot en met 21 mei 1963) werd hij door de ordepolitie gearresteerd en tot drie jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Hij is in de gevangenis zowel psychisch als lichamelijk gemarteld en daardoor is zijn linkerhand zwaar beschadigd en werd hij ongeveer 20% invalide. (...) In 1354 (1975) werd hij in verband met de gebeurtenissen rond Zoffar met een groep andere partijkameraden gearresteerd en dit keer na zes maanden onder druk te zijn gezet vrijgelaten (...). Aan het einde van het jaar 1361 (1983) wordt kameraad [de vader] met een groot aantal leden van de partij gearresteerd en voor de zoveelste keer in de gevangenis gezet (...) acht jaar gevangenisstraf zonder duidelijkheid over zijn schuld en elke dag zweepslagen en beschuldigingen die mijn pen niet kan beschrijven.”

23.3 De brief van de moeder van eiseres van mei 1998 vermeldt:

“(...) het is al acht maanden geleden dat je goede vader (...) niet meer op deze wereld is. (...) Ik weet niet of je het wilt geloven, maar ik kan dit feit niet langer geheim houden. Ik kan het niet langer in me gevangen houden. Toen ze het bericht van zijn dood vertelden, was het al zes maanden wat we niets van je vader hadden vernomen (...).

23.4 De “geheime” brief van de zus van eiseres van januari 1999 vermeldt:

“Het spijt me dat ik (...) onzichtbaar naar jou moet schrijven. (...) je hebt me gevraagd of ik een foto van het graf van onze vader wilde maken en (...) naar jou wil sturen. (...) het stoffelijk overschot van onze vader, net als dat van alle andere slachtoffers van dit onmenselijke regime, is begraven in een wijk die “Lanatabad” genoemd wordt. Dus wij hebben, net als al die andere mensen die denken net als wij, geen recht om een grafsteen op het graf te zetten. Het is wel pijnlijk, maar eigenlijk weten we niet of het graf (dat alleen maar een heuveltje is) echt het graf van onze vader is. Na enkele maanden is door andere mensen tegen mama gezegd dat dat ene graf het graf van haar man is. Ik weet zelf niet of dat waar is. (...) Ik hoop dat in de nabije toekomst het regime niet meer bestaat en dat jij nogmaals in je eigen land kan zijn. Wij leven voor die dag.”

In de brief van de Opbouw van 3 maart 1999 aan de toenmalige advocaat van eiseres staat over deze brief van de zus van eiseres vermeld:

“[eiseres/verzoekster] heeft de volgende brief ontvangen van haar zus, op het adres van een vriendin. In eerste instantie was de brief niet volledig leesbaar. De brief was gericht aan een oom en er werd gevraagd naar zijn vrouw en kinderen. Er stond echter wel de handtekening onder van de zus van [eiseres/verzoekster], dit maakte haar argwanend. Zij heeft toen met haar zus gebeld die haar later op een ander adres (in verband met veiligheid) heeft teruggebeld. Deze zus heeft [eiseres/verzoekster] verteld dat ze de brief zou moeten strijken. Nadat zij dat had gedaan werd er tussen de regels een andere brief zichtbaar.”

23.5 De brief van de ambassade van Iran van 11 augustus 2000 vermeldt:

“Naar aanleiding van uw brief van 21 juli 2000 inzake [eiseres/verzoekster] delen wij u hierbij mede dat wij niet over de overlijdensakte van de vader van [eiseres/verzoekster] beschikken. Deze is namelijk in het bezit van zijn/haar gezins/familieleden in Iran.”

23.6 De brief van de zus van eiseres van 1 oktober 2000 vermeldt het volgende.

“Lieve zus (...) ik weet dat je voor het bewijzen van wat je hebt gezegd gedwongen bent om aan alle touwen te hangen, maar het touw van de Islamitische Republiek is niet dat wat jouw rechtvaardigheid kan bewijzen. Enige tijd geleden kwamen twee veiligheidsagenten naar ons en hebben ons bedreigd in verband met jouw activiteiten. Toen ik hun vroeg wat er aan de hand was zeiden ze dat je in Nederland, via een advocaat, van de ambassade van de Islamitische Republiek in Nederland een bewijs van overlijden van onze (...) vader hebt gevraagd.

Het leek dat de ambassade de Iraanse Inlichtingenorganisatie bericht heeft. Dus, gezien onze situatie en met name van onze broer die student is, moet je over wat je doen wilt, meer nadenken. Omdat door elke poging van jouw kant, wij meer onderdrukt zullen worden. Ik hoop dat de geheime tekst leesbaar kan worden”.

23.7 Bij brief van 6 december 2000 heeft eiseres aan haar gemachtigde geschreven dat zij telefonisch contact heeft gehad met de heer [F. I.] met het verzoek of er een rechtstreeks onderzoek door de “Tudeh” partij in Iran gedaan zou kan worden. In deze brief schrijft zij voorts:

“Het is helaas voor de Tudeh partij op grond van veiligheidsredenen onmogelijk om rechtstreeks te gaan onderzoeken. Aangezien de Iraanse overheid geïnteresseerd is in mij, zoals mag blijken uit de geheime brief van mijn zus, is het te risicovol en gevaarlijk om bij mijn moeder langs te gaan. Ik heb getracht om de heer [F. I.] duidelijk te maken dat het voor mij van zeer grote betekenis is indien het mogelijk was. Hij deelde mij mee dat hij inderdaad de levensnoodzaak van mij begrijpt maar het gevraagde onderzoek kan ten koste van het leven van de andere mensen gaan en dat risico kan de Tudeh-partij helaas niet nemen. Waar ik uiteraard begrip voor heb.”

23.8 Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiseres onder meer verklaard dat zij geen normaal contact met haar moeder kan hebben omdat haar moeder niet veilig is en dat haar moeder thans op verschillende adressen verblijft. Voorts heeft zij hier naar voren gebracht dat haar vriendin in 2001 naar Iran is gereisd en daar contact heeft gehad met de familie van eiseres.

23.9 De “verklaring naar waarheid” van de vriendin van eiseres – die verzocht heeft om haar naam niet te noemen - van 11 mei 2002 vermeldt het volgende.

“Vanaf het begin van onze vriendschap heeft [eiseres/verzoekster] mij verteld van de bedreigende situatie waarin zij destijds in Iran verkeerde en waarin haar familie (moeder, broer en twee zussen) nog steeds verkeren. De voor de familie bedreigende situatie zou zijn oorzaak vinden in de politieke activiteiten van haar vader, die om zijn politieke overtuigingen door de Iraanse overheid is vermoord. Voor [eiseres/verzoekster] kwam daar nog bij dat zij en haar familie herhaaldelijk zijn bedreigd en geïntimideerd door een overheidsfunctionaris, vanwege het feit dat [eiseres/verzoekster] zijn huwelijksaanzoek had afgewezen. Omdat [eiseres/verzoekster] geen telefonisch of schriftelijk contact met haar familie kan hebben zonder hen daarbij in gevaar te brengen, heeft [eiseres/verzoekster] mij gevraagd haar moeder en broer in hun woning in Teheran op te zoeken om te vernemen hoe het met hen gaat en om hen over [eiseres/verzoekster] te vertellen. (...) Toen ik in januari 2001 weer in Teheran was, heb ik met de zus van [eiseres/verzoekster] telefonisch contact opgenomen (...) en het adres van haar moeder en broer gekregen. Ik heb met mijn vader daar grote ruzie over gehad, omdat hij een bezoek aan [eiseres/verzoekster]’s familie te gevaarlijk vond en van mening was dat mijn Nederlandse nationaliteit niet afdoende zou zijn om mij te beschermen. Ik trof op het adres zowel [eiseres/verzoekster]s moeder als haar broer ([de broer]) aan. Zij waren op mijn komst voorbereid en maanden mij om snel naar binnen te gaan. Ze waren erg zenuwachtig maar ook heel blij om me te zien. (...) Het bezoek was zeer beladen en emotioneel. Haar moeder en broer (...) maakten een zeer verslagen indruk op mij. Ik voelde aan dat zij bang waren en het gevoel hadden ernstig gevaar te lopen. [de broer], toen 19 jaar, vertelde dat hij niet naar de universiteit mag vanwege het verleden van zijn vader. (...) Een echte baan kon hij maar niet krijgen. Hij zei dat het wel leek alsof hij “besmet” was. Ook was hij ongeveer een half jaar geleden door de autoriteiten opgepakt omdat hij had meegelopen in een demonstratie tegen het regime en heeft hij een aantal dagen vastgezeten. Daar is hij zwaar mishandeld en bedreigd. Hij werd gewezen op de moord op zijn vader en hem werd hetzelfde lot in het vooruitzicht gesteld. (...) Later, zo vertelde hij en zijn moeder, zijn de autoriteiten nogmaals langs de deur gekomen om hem en zijn moeder te ondervragen naar aanleiding van een verzoek van [eiseres/verzoekster] aan de Iraanse ambassadeur in Nederland om de overlijdensakte van haar vader ter beschikking te stellen (...) Zij vertelden dat zij toen ook weer met de dood zijn bedreigd, dat hen gezegd was dat zij in de gaten werden gehouden, dat het hen ten strengste verboden was om met [eiseres/verzoekster] contact te onderhouden en dat het met [eiseres/verzoekster] slecht zou aflopen als zij in hun handen zou vallen. De moeder uitte steeds zorgen om [eiseres/verzoekster]s veiligheid voor het geval zij terug zou keren naar Iran. [eiseres/verzoekster]s moeder sprak nog over de communistische denkbeelden van haar overleden echtgenoot en dat zij en haar kinderen, hoewel zij niet zoals haar echtgenoot communistisch zijn, het Islamitische geloof niet belijden en dat zij om die reden extra doelwit van de autoriteiten zijn. Dit deed mij eraan denken dat [eiseres/verzoekster] mij eens heeft verteld dat zij nog nooit in een moskee is geweest. Ik kreeg sterk de indruk dat zij mij niet alles durfden te vertellen. Zij vertelden mij dat hun woning, maar ook zijzelf geobserveerd werden en dat de meeste vrienden en bekenden geen contact meer met hen durven te hebben en al helemaal niet openlijk. Verder heeft de moeder van [eiseres/verzoekster] mij nog een aantal spullen van haar vermoorde echtgenoot laten zien (...) Zij vertelde mij dat de autoriteiten destijds zijn langsgekomen en haar zonder enige tekst en uitleg deze spullen hebben overhandigd. Zij was hevig geëmotioneerd toen zij mij de spullen liet zien. (...) Ik heb mijn vader verteld dat ik met mijn neef was wezen winkelen.”

23.10 In de brief van 9 augustus 2004 van eiseres aan haar gemachtigde deelt zij mee van haar moeder te hebben vernomen dat haar broer [de broer] tijdens deelname aan een studentenprotest tegen het regime is opgepakt en sedertdien is verdwenen. Dit was twee jaar geleden gebeurd. Haar moeder had het voor haar verzwegen vanwege haar psychische gemoedstoestand.

24.1 De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de verklaringen van [F. I.] van de “Tudeh-partij” in Nederland, de brief van haarzelf aan de Opbouw, alsmede de verklaring van haar vriendin thans afdoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar vader lange tijd als lid van de “Tudeh” partij politiek actief is geweest tegen het Iraanse heersende regime. Van belang hierbij acht de rechtbank dat de gegevens die eiseres eind 1998 van haar familieleden doorgespeeld heeft gekregen en de gegevens die [F. I.] in zijn verklaring van medio 2000 opsomt op gedetailleerd niveau met elkaar in overeenstemming zijn.

Beide bronnen zijn gelijkluidend ten aanzien van de aanvang van de politieke activiteiten, de jaren waarin veroordelingen hebben plaatsgevonden, de lengte van de opgelegde gevangenisstraffen en de vermelding van de naam “Zoffar/Zofaar” (waarvan de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen wat of wie hiermee exact wordt bedoeld). Op één onderdeel stroken de hier genoemde bronnen niet met elkaar en dat is het jaar van oplegging van de detentie gedurende welke de vader van eiseres door mishandeling invalide zou zijn geraakt. De familieleden zeggen dat dit in het Iraanse jaar 1354 is gebeurd, terwijl dit volgens [F. I.] in 1342 zou zijn gebeurd. Nu dit het enige punt is waarop de verklaringen niet met elkaar stroken, terwijl voorts sprake is van aanzienlijk tijdsverloop tussen de gebeurtenis en het moment waarop de familie respectievelijk [F. I.] eiseres genoemde informatie hebben verstrekt, kent de rechtbank hieraan evenwel geen doorslaggevende betekenis toe. De familieleden van eiseres vormen geen “objectieve bron” in de zin van neutrale, niet bij eiseres betrokken, personen, en de heer [F. I.] is evenmin een neutrale buitenstaander. Daar staat evenwel tegenover dat de gegevens die deze bronnen hebben verstrekt zeer gedetailleerd van aard zijn en op essentiële punten met elkaar in overeenstemming zijn. De rechtbank wijst wat betreft de gedetailleerde aard op de namen van de medegevangenen die door de familieleden aan eiseres zijn doorgegeven, klaarblijkelijk teneinde een mogelijkheid van verificatie te creëren. Nu namen en jaartallen verifieerbare gegevens vormen, ligt het naar het oordeel van de rechtbank niet voor de hand om te veronderstellen dat het hier om op elkaar afgestemde, gefabriceerde verklaringen zou gaan. Ook aan de verklaring van de vriendin van eiseres komt in dit verband bewijswaarde toe. Zij heeft verklaard van de moeder van eiseres te hebben gehoord over het communistische verleden van de vader. Ook hier kan niet worden ontkend dat de vriendin van eiseres geen neutrale buitenstaander is. Daar staat echter tegenover dat haar verklaring een aantal kenmerken en details in zich draagt die meebrengen dat niet, althans niet zonder meer, valt in te zien waarom deze verklaring niet betrouwbaar zou moeten worden bevonden. De verklaring is gedetailleerd van aard. In de verklaring wordt een treffende associatie gemaakt tussen de mededeling van de moeder van eiseres dat het gezin het Islamitische geloof niet belijdt en de omstandigheid dat zij van eiseres wel eens had gehoord dat die nog nooit in een moskee was geweest. Zij lijkt hiermee te hebben willen aangeven dat zij die mededeling van eiseres nu pas kon plaatsen. Eveneens treffend is de vermelding in de verklaring dat haar vader haar om veiligheidsredenen had verboden naar de familie van eiseres te gaan, dat zij zich niet aan dit verbod heeft gehouden en tegen haar vader heeft gelogen dat zij met een neef was gaan winkelen. Genoemde details en eigenschappen geven de verklaring naar dezerzijds oordeel kracht van overtuiging.

24.2 De rechtbank heeft bij de waardering van het in overweging 24.1 genoemde bewijsmateriaal in aanmerking genomen dat de “UNHCR Background Paper” van

1 september 1998 genaamd “Update to the UNHCR CDR Background Paper on Refugees and Asylum Seekers from Iran” het volgende vermeld over de “Tudeh” partij:

“The Tudeh Party, a pro-Soviet communist group, was founded in 1941 by Iraj Eskendari and former communist political prisoners under the regime of the Shah (Encyclopedia of the Third World, 1992, 875, Tudeh Party, November/December 1997). Declared illegal in 1949, it established its headquarters in the former German Democratic Republic, but was allowed to carry out activities again in 1979 under the Islamic regime (Revolutionary and Dissident Movements, 1991, 149). The Tudeh Party advocated “an alliance of all socialist forces which would enjoy the support of the Soviet Union”, but soon saw its support for the ruling clergy decline as the regime became increasingly fundamentalist (Ibid.). In 1983, the government arrested leading Tudeh members forcing them to confess to treason and espionage, and eventually declared the organization “illegal and counter-revolutionary” (Ibid.).”

Zowel de familieleden van eiseres als ook [F. I.] hebben verklaard dat de vader van eiseres voor de laatste keer gevangen is genomen in 1983. Dit sluit aan bij de informatie in het UNHCR Background Paper dat in 1983 de regering vooraanstaande leden van de “Tudeh” partij heeft gearresteerd.

25. Voorts is de rechtbank van oordeel dat met de brief van de moeder van eiseres van mei 1998, de brief van de zus van eiseres van januari 1999, de brief van de Opbouw van maart 1999 over de wijze waarop de brief van de zus is ontvangen, de brief van de ambassade van augustus 2000, de brief van de zus van eiseres van oktober 2000, de eigen verklaringen van eiseres bij de tweede aanvraag en tijdens de hoorzitting in bezwaar, en tot slot de verklaring van de vriendin van eiseres, bezien in onderling verband en samenhang, thans aannemelijk is gemaakt dat de familieleden van eiseres aanzienlijke problemen van de zijde van de autoriteiten ondervinden. Uit deze verklaringen komt naar voren dat de vader van eiseres onder onopgehelderde omstandigheden is overleden en de autoriteiten daar iets mee te maken kunnen hebben, dat de familie niet zeker weet of de plaats die als graf is aangewezen wel echt het graf is, dat de autoriteiten bij de familie zijn langs geweest en bedreigingen hebben geuit aan hun adres en het adres van eiseres nadat eiseres vanuit Nederland had getracht om bij de ambassade een overlijdensakte te krijgen, dat de familie thans nauwelijks meer sociale contacten heeft omdat mensen niet bij hun thuis durven te komen en dat de broer van eiseres is verdwenen nadat hij aan studentendemonstraties had deelgenomen. Wat betreft de bewijskracht van de verklaring van de vriendin van eiseres wijst de rechtbank op hetgeen daarover reeds is opgemerkt in rechtsoverweging 24.1. De brieven van de zus bevatten informatie uit “subjectieve” bron waardoor zou kunnen worden gezegd dat de bewijskracht of bewijswaarde hiervan slechts gering is. Daar staat echter tegenover dat er een periode van bijna twee maanden is gelegen tussen de brief van de ambassade en de brief van de zus, en dat de brief van de zus daardoor vanuit chronologisch perspectief bezien steun biedt aan de stelling dat de autoriteiten bij de familie langs zijn geweest nadat eiseres de ambassade had aangeschreven. Bovendien versterkt de brief van de Opbouw over de wijze van ontvangst van de brief van de zus de bewijskracht van laatstgenoemde brief. Uit de brief van de Opbouw komt naar voren dat de zus zich genoodzaakt zag in geheimschrift mededeling te doen van de ondervonden problemen. De rechtbank ziet tot slot geen reden om de berichten van de moeder, hoewel het ook hier weer verklaringen uit “subjectieve bron” betreft, niet betrouwbaar te achten, waarbij van doorslaggevend belang is geacht dat zowel de moeder als ook de vriendin vermelden dat het nieuws omtrent de dood van de vader van eiseres is vernomen van de autoriteiten en de beide verklaringen dus in dat opzicht met elkaar in overeenstemming zijn.

26. Nu het oppositionele verleden van de vader van eiseres aannemelijk is gemaakt en voorts aannemelijk is geworden dat de familieleden van eiseres na haar vertrek aanzienlijke problemen van de zijde van de autoriteiten hebben ondervonden, waarbij in ieder geval een aantal van bovengenoemde bronnen een verband aanbrengen tussen het verleden van de vader en die (recente) problemen, kan bezwaarlijk worden volgehouden dat een oorzakelijk verband tussen het één en het ander niet voor de hand ligt.

27. De vraag die vervolgens rijst is of dat verband er ook moet worden geacht te zijn waar het betreft de problemen die juist eiseres destijds heeft ondervonden. Van belang voor beantwoording van die vraag is in de eerste plaats dat eiseres in het nader gehoor in de eerste asielprocedure heeft verklaard dat [H. S.] haar vader vertelde dat hij op de hoogte was van diens achtergronden. Die verklaring is op zichzelf nimmer in twijfel getrokken.

Voorts is in dit verband van belang dat uit de – geloofwaardig geachte - verklaringen van eiseres naar voren is gekomen dat haar broer [de broer] is opgepakt, een dag is vastgehouden en mishandeld kort nadat zij had geweigerd in te gaan op het huwelijksaanzoek van [H. S.] en dat [H. S.] vervolgens dreigde dat er nog veel ergere dingen met haar broer zouden kunnen gebeuren, en dat uit de hierboven besproken bronnen naar voren is gekomen dat na het vertrek van eiseres eerst de vader van eiseres is verdwenen en overleden en dat daarna de broer van eiseres is opgepakt en verdwenen en dat in de periode tussen die verdwijningen, bedreigingen en intimidaties van overheidswege aan het adres van de familie hebben plaatsgevonden, onder meer nadat eiseres zich tot de Iraanse ambassade in Nederland had gewend. Dit in aanmerking genomen kan naar het oordeel van de rechtbank bezwaarlijk worden staande gehouden dat zich hier geen patroon aftekent en dat de problemen van de vader in het verleden, de problemen van de familieleden van eiseres en de problemen die eiseres zelf heeft ondervonden niet met elkaar in verband staan.

28. Nu vast is gesteld dat de familieleden problemen van overheidswege hebben ondervonden en is geoordeeld dat een verband tussen de problemen van de individuele familieleden (de vader, de broer van eiseres en eiseres zelf) aannemelijk is, lijkt de conclusie dat de problemen die eiseres heeft ondervonden veroorzaakt zijn door [H. S.] als overheidsfunctionaris en zij dus problemen van de zijde van de overheid heeft ondervonden eerder voor de hand liggend dan de conclusie dat de problemen veroorzaakt door [H. S.] moeten worden aangemerkt als een wraakactie van [H. S.] als privépersoon die niet handelde namens de overheid.

De rechtbank acht zich gesterkt in haar oordeel dat eerstgenoemde conclusie eerder voor de hand ligt door het navolgende.

De verklaring van eiseres dat [H. S.] werkzaam was voor het “Komiteh” is nimmer ongeloofwaardig geacht. Datzelfde geldt voor de verklaringen van eiseres dat, toen eiseres en haar vader aangifte deden, hen te kennen werd gegeven dat eiseres maar met [H. S.] moest gaan trouwen, dat er toch niets met de klacht gedaan zou worden, en dat [H. S.] van die aangifte op de hoogte is geraakt. Voorts is geloofwaardig geacht de verklaring van eiseres dat [H. S.] meermaals in heeft gebroken op de telefoonlijn in het huis van eiseres en dat dit ook gebeurde toen eiseres voor een aantal weken naar het adres van haar zus was uitgeweken. Tot slot is nimmer betwijfeld de verklaring dat eiseres meermaals is opgepakt door onbekende mannen en dat [H. S.] haar dan later telefonisch meedeelde (inbrekend op de telefoonlijn) dat hij daarachter zat.

De rechtbank leidt uit informatie uit openbare bron inzake Iran, onder meer openbaar toegankelijke informatie van de “Office of the High Commissioner for Human Rights” (www.United Nations Rights Website, Treaty Bodies Database), af dat het “Komiteh” een tak is van het politie-apparaat dat zich bezig houdt met anti-revolutionaire misdrijven. In de “Iran Country report on Human Rights practices for 1998” van het US Department of State staat onder het kopje “Arbitrary interference with privacy, family, home or correspondence” vermeld dat de autoriteiten schendingen van het recht op privacy begaan, waaronder het afluisteren van telefoonlijnen.

De voorgaande verklaringen en gegevens uit openbare bron in ogenschouw nemend, en bij gebreke van concrete aanknopingspunten die wijzen in de richting dat [H. S.] niet als overheidsfunctionaris handelde, is de rechtbank van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de problemen die eiseres heeft ondervonden uitgingen van een overheidsfunctionaris.

29. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat eiseres thans afdoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in het verleden vervolging van overheidswege heeft meegemaakt. De rechtbank tekent hierbij aan dat niet zonder meer valt in te zien met welk ander bewijsmateriaal dan het gepresenteerde eiseres haar claim nog nader zou hebben kunnen onderbouwen. De Iraanse ambassade was niet willens of niet in staat om een akte van overlijden te verstrekken. De “Tudeh” partij in Nederland heeft, nadat schriftelijke verklaringen waren afgegeven, meegedeeld geen verder onderzoek te kunnen doen ter bescherming van de veiligheid van andere mensen. De vriendin van eiseres heeft uiteindelijk een verklaring afgelegd, terwijl haar eigen vader haar had verboden om contact te hebben met de familie van eiseres. Onder al deze omstandigheden valt niet zonder meer in te zien dat, en op grond waarvan dan, van eiseres nog verdergaande onderbouwing van haar relaas zou mogen hebben worden verwacht. Bij haar oordeelsvorming op dit punt heeft de rechtbank steun geput uit bovengenoemde jurisprudentie van het EHRM, met name rechtsoverweging 51 van het arrest [Z.] tegen Nederland.

30.1 Dat eiseres is vervolgd van overheidswege in het verleden betekent nog niet automatisch dat zij ook toekomstgerichte vrees heeft voor vervolging en/of bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Wel vormt vervolging in het verleden, bij gelijkblijvende omstandigheden in het land van herkomst, een aanwijzing dat iemand ook in de toekomst (eerder) zal worden vervolgd.

30.2 Uit het bovenbesproken bewijsmateriaal komt naar voren dat de in Iran wonende familieleden van eiseres ook na haar vertrek nog aanzienlijke problemen van de zijde van autoriteiten hebben ondervonden, waaronder ernstige bedreigingen - ook aan het adres van eiseres - en intimidaties, en dat de broer van eiseres is opgepakt en vervolgens is verdwenen. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat zij alleen “in het geheim” telefonische contacten met haar moeder kan hebben, waarbij niet vanuit de eigen woning wordt gebeld. Voorts heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij niet op de hoogte is van het lot van haar broer [de broer], dat niemand verder iets van hem weet en dat zij vreest dat hij niet meer leeft.

30.3 Het “Report of the US Department of State on the Middle East and North Africa of 2006” vermeldt:

“In 2005, the Government committed a number of serious human rights abuses. Summary executions, discrimination based on ethnicity and religion, harassment and arrest of journalists and bloggers, disappearances, extremist vigilantism, widespread use of torture, and other degrading treatment remained problems.”

30.4 Het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Iran van februari 2006 vermeldt dat er sinds de drie jaar geleden ingevoerde EU-Iran mensenrechtendialoog in Europese ogen onvoldoende vooruitgang is geboekt op het gebied van mensenrechten en dat ook in de in het ambtsbericht beschreven verslagperiode mensenrechtenschendingen voor zijn gekomen. Ook wordt in het ambtsbericht vermeld dat de situatie in het land in feite ongewijzigd is en dat vrijheden voorheen al beperkt waren en dat nog steeds zijn. Verdwijningen van personen komen voor. Verdwijningen hangen nauw samen met niet-officiële detentiecentra. Het officiële verbod op foltering en mishandeling wordt niet nageleefd en de rechterlijke macht heeft dit in de verslagperiode zelfs toegegeven. Uit een in juli 2005 door de rechterlijke macht uitgegeven rapport blijkt dat in de gevangenissen mensenrechten op grote schaal worden geschonden.

31. Op grond van de verklaringen van eiseres, de informatie uit het door eiseres ingebrachte bewijs en de gegevens over de situatie van Iran, bezien in onderling verband en samenhang, concludeert de rechtbank dat uitzetting van eiseres in strijd zou zijn met het refoulementverbod van het Vluchtelingenverdrag en met artikel 3 van het EVRM.

32. De slotsom moet op grond van al het voorgaande zijn dat verweerders beslissing om eiseres een vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel b, van de Vw 2000 te onthouden geen stand kan houden.

33. De rechtbank komt gelet op het vorenoverwogene niet meer toe aan het tussen partijen gevoerde debat inzake de vraag of eiseres aanspraak kan maken op een vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

34. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd.

35. Ter zitting van 30 mei 2006 is de mogelijkheid, en de door eiseres geuite wens, besproken dat de rechtbank in onderhavige zaak zou kunnen beslissen om gebruik te maken van de in 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank heeft op zichzelf genomen begrip voor die wens en heeft zich ook terdege beraden op de vraag of dat in een zaak als onderhavige passend moet worden geacht. De rechtbank heeft zich hierbij onder meer rekenschap gegeven van het feit dat eiseres in totaliteit bezien bijna tien jaar lang in procedure is geweest, dat zij zich staande heeft weten te houden door (onder meer) een universitaire studie farmacie hier te voltooien met steun van de Stichting voor Vluchtelingenstudenten UAF, maar dat tezelfdertijd uit de diverse onder de gedingstukken aanwezige rapporten van behandelend psychiater en psycholoog naar voren komt dat eiseres in psychisch opzicht uitgeput is.

Anderzijds kan de rechtbank er in zaken als onderhavige niet aan voorbij zien dat in het Nederlandse staatsbestel het bestuursorgaan de beslissing neemt en de rechter toetser van die beslissing is. Hoezeer de rechtbank ook begrip heeft voor de wens van eiseres om snel duidelijkheid te krijgen over haar verblijfsrechtelijke situatie ziet de rechtbank met eerbiediging van genoemd staats- en bestuursrechtelijk uitgangspunt af van toepassing van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank draagt verweerder op om opnieuw te beslissen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak, en bepaalt daarbij wel dat verweerder bij zijn besluitvorming geen gebruik meer zal mogen maken van argumenten en standpunten waarvan in deze uitspraak is geoordeeld dat die in rechte geen stand kunnen houden.

36. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten ad EUR 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting.)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal,

M.E. Sjouke, griffier mr. drs. H.J.M. Baldinger, rechter

Afschrift verzonden op:

Conc.: DB

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.