Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX6588

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
09-06-2006
Zaaknummer
AWB 05/45293
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Adoptie / niet rechtsgeldig / Wobka-procedure.

Uit de tekst van artikel 244 van Boek 1 van het BW, blijkt dat in het gezagsregister aantekening wordt gehouden van rechtsfeiten die betrekking hebben over het op minderjarigen uitgeoefende gezag. Naar het oordeel van de rechtbank dient te worden uitgegaan van de juistheid van dergelijke in een openbaar register opgenomen rechtsfeiten, zolang niet is aangetoond, althans aannemelijk is gemaakt, dat die gegevens niet juist zijn. Dat laatste is vooralsnog niet aan de orde. Dat een onderzoek gaande is naar de juistheid van de in het register opgenomen feiten, maakt dit niet anders, nu dit onderzoek niet is afgerond, terwijl ook niet bekend is wanneer dit zal zijn afgerond, en er op dit moment nog geen concrete resultaten van het onderzoek bekend zijn. De rechtbank is, gezien het vorenstaande, van oordeel dat referente dient te worden aangemerkt als de wettelijk vertegenwoordigster van eiseres en dat zij eiseres in rechte kan vertegenwoordigen en bevoegd was namens eiseres een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning in te dienen. De adoptie van eiseres niet is verlopen volgens de procedure als neergelegd in de Wobka. Thans is nog niet door een Nederlandse rechter bepaald dat de adoptie naar Nederlands recht rechtsgeldig is. De inschrijving van de Turkse adoptie in het gezagsregister kan niet worden aangemerkt als een onherroepelijk oordeel van een Nederlandse rechter over de adoptie. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres op goede gronden niet getoetst aan de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning onder de beperking “gezinshereniging”, maar aan de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning onder de beperking “voor verblijf ter adoptie”. De rechtbank is van oordeel dat de motivering van verweerders standpunt, dat geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule kan worden gedaan, niet als deugdelijk kan worden aangemerkt. Het voorgaande kan evenwel niet leiden tot het door eiseres gewenste resultaat, te weten gegrondverklaring van het beroep. Redengevend hiervoor is dat de andere in het bestreden besluit neergelegde afwijzingsgrond, te weten de omstandigheid dat niet is voldaan aan de procedure van de Wobka, stand kan houden. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 05/45293

V.nr.: 270.597.3679

inzake: A, geboren op [...] 2003, van Turkse nationaliteit, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. C.A. Goudsmit, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.B. Jansen, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 10 november 2004 is namens eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “verblijf bij adoptiefouder mevrouw C” (C zal hierna worden aangeduid als referente). Bij besluit van 21 maart 2005 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij bezwaarschrift van 4 april 2005 is namens eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 18 april 2005 en aangevuld bij brief van 3 augustus 2005. Op 9 augustus 2005 is referente gehoord door een ambtelijke commissie (ac). Het bezwaar is bij besluit van 12 september 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 6 oktober 2005 is namens eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 3 november 2005. Op 22 november 2005 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 4 januari 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2006. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was referente ter zitting aanwezig.

4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Bij besluit van de rechtbank te Kadikoy, Turkije, van 19 april 2004 is de adoptie van eiseres door referente uitgesproken. Hiervan is op 10 februari 2005 inschrijving gedaan in het gezagsregister van buitenlandse kinderen van de rechtbank Amsterdam.

Eiseres is op 26 december 2003, zonder in het bezit te zijn van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) Nederland ingereisd, samen met referente en de moeder van referente.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Daartoe heeft verweerder, samengevat en voor zover, gelet op de beroepsgronden, relevant, het volgende overwogen.

Uit de omstandigheid dat de gemeente B heeft geweigerd referente als (adoptief)moeder in te schrijven, omdat de adoptie van eiseres niet rechtsgeldig is naar Nederlands recht en het feit dat een onderzoek gaande is naar de juistheid van de inschrijving van de adoptie in het gezagsregister, moet worden geconcludeerd dat sprake is van een onjuiste inschrijving in het gezagsregister. Niet is derhalve komen vast te staan dat referente naar Nederlands recht als de (adoptief)moeder van eiseres kan worden aangemerkt. Aldus is niet aangetoond dat referente bevoegd is tot het indienen van de aanvraag van 10 november 2004.

Voorts is van belang dat de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) van toepassing is op alle personen die hun gewone verblijf in Nederland hebben en een buitenlands kind willen adopteren. Aan de procedure van de Wobka moet zijn voldaan bij binnenkomst van het kind in Nederland. Als de procedure van de Wobka niet is gevolgd dan wordt het kind geen verblijf toegestaan op grond van hoofdstuk B3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. Indien de Wobka-procedure door adoptanten niet is gevolgd en niettemin in het buitenland een adoptiebeslissing is verkregen, dan kan het betrokken kind slechts voor verblijf bij adoptanten worden toegelaten indien bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing van de Nederlandse rechter is bepaald dat de adoptie rechtsgeldig is, zodat het kind moet worden geacht in familierechtelijke betrekking tot de adoptanten te staan. In die gevallen gelden de regels inzake gezinshereniging en gezinsvorming als gesteld in B2 van de Vc 2000. Gesteld noch gebleken is dat de adoptie onherroepelijk rechtsgeldig is verklaard door een Nederlandse rechter. Evenmin is gebleken dat hierom is verzocht. De algemene regels inzake gezinshereniging en gezinsvorming van hoofdstuk B2 van de Vc 2000 zijn derhalve niet van toepassing.

Eiseres beschikt voorts niet over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Referente was op de hoogte van de Nederlandse adoptieregels en heeft er om haar moverende redenen voor gekozen langs een andere weg een kind te adopteren. Mede in het licht hiervan bestaat geen grond om in afwijking van de regelgeving met toepassing van de hardheidsclausule voorbij te gaan aan het mvv-vereiste en in het verblijf van eiseres te berusten. Hetgeen in het kader van de hardheidsclausule is aangevoerd leidt niet tot een ander standpunt. Het ligt op de weg van referente om ervoor te zorgen dat de adoptie van eiseres naar Nederlands recht rechtsgeldig wordt verklaard.

2. Namens eiseres zijn - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Referente staat in het gezagsregister geregistreerd als moeder van eiseres. De kantonrechter is tot inschrijving van referente als vertegenwoordigster van eiseres overgegaan op grond van de in Turkije tot stand gekomen adoptie. Nu referente als vertegenwoordigster van eiseres staat geregistreerd is er geen enkele reden om van het tegendeel uit te gaan. Een adoptie, uitgesproken in een land dat niet bij het Haags Adoptieverdrag is aangesloten, leidt er toe dat de Nederlandse adoptiefouder geacht wordt te zijn bekleed met een vorm van gezag over de minderjarige die overeenkomt met het gezag over de minderjarige volgens Nederlands recht. In dit verband is verwezen naar een aantal uitspraken van de rechtbanken in Den Haag en Haarlem (civiele sector). Gezien het feit dat de daarvoor bij Nederlandse wet aangewezen instantie bepaald heeft dat referente de wettelijk vertegenwoordigster is van eiseres, is in het geheel onduidelijk op grond van welke bevoegdheid verweerder hieraan voorbij kan gaan. Referente staat in het gezagsregister als moeder vermeld. Zodoende zijn de gewone regels inzake gezinshereniging op de aanvraag van toepassing. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder aan dit beleid getoetst heeft.

Eiseres dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Verweerder is in het geheel niet ingegaan op de ter onderbouwing van het beroep op de hardheidsclausule naar voren gebrachte argumenten. Van een op de individu toegespitste belangenafweging is in het bestreden besluit geen sprake. Het besluit is op dit punt niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

IV. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank overweegt ambtshalve allereerst het volgende.

Ingevolge artikel 8:21, eerste lid, van de Awb worden natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht vertegenwoordigd. De wettelijke vertegenwoordiger behoeft niet de machtiging van de kantonrechter, bedoeld in artikel 349 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge het tweede lid kunnen de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.

2. Niet in geschil is dat eiseres, gelet op haar leeftijd, onbekwaam is om in rechte op te treden.

Bij beroepschrift van 6 oktober 2005 is namens eiseres beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het besluit van 12 september 2005. Bij brief van 12 oktober 2005 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid gesteld mede te delen, wie de wettelijk vertegenwoordig(st)er van eiseres is en waar deze woont of verblijft, alsmede of de gemachtigde optreedt namens eiseres of haar wettelijk vertegenwoordig(st)er. Bij brief van 18 oktober 2005 heeft de gemachtigde de rechtbank te kennen gegeven dat zij namens eiseres en referente optreedt, waarbij referente volgens de gemachtigde als wettelijk vertegenwoordigster van eiseres kan worden beschouwd. Daartoe is een (kopie van een) door de griffier van de rechtbank Amsterdam gewaarmerkt uittreksel uit het gezagsregister van 15 februari 2005 overgelegd. Dit uittreksel vermeldt dat op 10 februari 2005 aantekening is gehouden van de beslissing van de rechtbank te Kadikoy, Turkije, van 19 april 2004, waarbij de adoptie van de minderjarige A door C (referente), wonende te B, is uitgesproken.

3. Ingevolge artikel 244 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) berusten bij de rechtbanken openbare registers, waarin aantekening gehouden wordt van rechtsfeiten die op het over minderjarigen uitgeoefende gezag betrekking hebben. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke rechtsfeiten aangetekend worden, en op welke wijze deze aantekening geschiedt.

4. Naar het oordeel van de rechtbank moet op grond van de gegevens in het uittreksel uit het gezagsregister referente worden geacht te zijn bekleed met het gezag over eiseres. De rechtbank gaat vooralsnog uit van de juistheid van de gegevens in het uittreksel uit het gezagsregister en volgt verweerder niet in het betoog dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid daarvan. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat, zoals ook blijkt uit de tekst van artikel 244 van Boek 1 van het BW, in het gezagsregister aantekening wordt gehouden van rechtsfeiten die betrekking hebben over het op minderjarigen uitgeoefende gezag. Naar het oordeel van de rechtbank dient te worden uitgegaan van de juistheid van dergelijke in een openbaar register opgenomen rechtsfeiten, zolang niet is aangetoond, althans aannemelijk is gemaakt, dat die gegevens niet juist zijn. Dat laatste is vooralsnog niet aan de orde. Dat thans een onderzoek gaande is naar de juistheid van de in het register opgenomen feiten, maakt dit niet anders, nu dit onderzoek niet is afgerond, terwijl ook niet bekend is wanneer dit zal zijn afgerond, en er op dit moment nog geen concrete resultaten van het onderzoek bekend zijn. De rechtbank is, gezien het vorenstaande, van oordeel dat referente dient te worden aangemerkt als de wettelijk vertegenwoordigster van eiseres en dat zij eiseres in rechte kan vertegenwoordigen. Het beroep is dan ook ontvankelijk.

5. Aan de orde is vervolgens de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

6. De rechtbank begrijpt de beroepsgronden mede aldus dat tevens beoogd is op te komen tegen verweerders overweging dat referente niet bevoegd was tot het indienen van de onderhavige aanvraag.

7. Ingevolge artikel 23 van de Vw 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, tot het verlengen van de geldigheidsduur of tot het wijzigen ervan, dan wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20, in afwijking van artikel 2:1, eerste lid, van de Awb, ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijke vertegenwoordig(st)er.

8. Gelet op hetgeen hiervoor onder IV.4 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat referente bevoegd was namens eiseres de aanvraag in te dienen. Nu verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat niet is aangetoond dat referente als wettelijk vertegenwoordigster van eiseres bevoegd was tot het indienen van voornoemde aanvraag, is in zoverre sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank merkt hierbij nog op dat het standpunt van verweerder dat referente niet bevoegd was tot het indienen van de aanvraag zich ook niet goed laat rijmen met de verdere overwegingen in het besluit en de slotbeslissing die neerkomt op een in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag. Immers, indien sprake zou zijn van een door een daartoe niet bevoegde persoon ingediende aanvraag, zou het voor de hand hebben gelegen dat de aanvraag buiten behandeling zou zijn gesteld, en niet, zoals hier is gebeurd, afgewezen.

9. De rechtbank begrijpt de in het bestreden besluit neergelegde (in bezwaar gehandhaafde) afwijzing van de aanvraag aldus dat de aanvraag door verweerder is getoetst aan de voorwaarden behorend bij de beperking “voor verblijf ter adoptie” en dat de aanvraag om tweeërlei reden is afgewezen, te weten 1) omdat niet is voldaan aan het mvv-vereiste en 2) omdat niet is voldaan aan de procedure van de Wobka.

10. Eiseres heeft zich in beroep allereerst op het standpunt gesteld dat verweerder de aanvraag had dienen te toetsen aan de gewone regels inzake gezinshereniging, aangezien referente blijkens het uittreksel uit het gezagsregister als de moeder van eiseres moet worden aangemerkt. De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog en overweegt daartoe het volgende.

11. In paragraaf B3/3.1.1 van de Vc 2000 is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen. De Wobka is van toepassing op alle personen die hun gewone verblijf in Nederland hebben en een buitenlands kind willen adopteren. Al deze personen zijn gehouden de procedures te volgen zoals voorgeschreven door de Wobka. Aan de procedure van de wet moet zijn voldaan bij binnenkomst van het kind in Nederland. (…)

Is de procedure van de Wobka niet in acht genomen, dan wordt het kind geen verblijf toegestaan op grond van dit hoofdstuk voor verblijf ter adoptie. (…)

Indien de procedure door adoptanten met gewone verblijfplaats in Nederland niet is gevolgd, en er niettemin in het buitenland een adoptiebeslissing is verkregen, dan kan het betrokken kind slechts voor verblijf bij de adoptanten worden toegelaten indien bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing van de Nederlandse rechter is bepaald dat de adoptie rechtsgeldig is, zodat het kind moet worden geacht in familierechtelijke betrekking tot de adoptanten te staan. In die gevallen gelden de algemene regels inzake gezinshereniging en -vorming zoals opgenomen in B2.

12. Niet in geschil is dat de adoptie van eiseres niet is verlopen volgens de procedure als neergelegd in de Wobka. Evenmin in geschil is dat (thans nog) niet door een Nederlandse rechter is bepaald dat de adoptie naar Nederlands recht rechtsgeldig is. De omstandigheid dat, zoals ter zitting is verklaard, een verzoek zal worden ingediend om de adoptie naar Nederlands recht rechtsgeldig te laten verklaren, maakt dit niet anders. Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank de inschrijving van de Turkse adoptie in het gezagsregister niet worden aangemerkt als een onherroepelijk oordeel van een Nederlandse rechter over de adoptie. Deze inschrijving van het Turkse adoptievonnis in het Nederlandse gezagsregister is aan te merken als een rechtsfeit met betrekking tot het gezag. Zoals hierboven reeds is geoordeeld moet referente op grond hiervan geacht worden het gezag over eiseres, een buitenlands kind, te hebben.

Dit omdat er voor iedere minderjarige, en dus ook een buitenlandse minderjarige, nu eenmaal in het gezag moet zijn voorzien. Deze gezagsvoorziening dient naar het oordeel van de rechtbank te worden onderscheiden van de erkenning van de Turkse adoptie naar Nederlands recht door een Nederlandse rechter. Die heeft in het onderhavige geval nog niet plaatsgevonden.

Dit in ogenschouw genomen heeft verweerder de aanvraag van 10 november 2004 op goede gronden niet getoetst aan de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning onder de beperking “gezinshereniging”, maar aan de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning onder de beperking “voor verblijf ter adoptie”.

13.1 Met betrekking tot de inhoudelijke afwijzingsgronden oordeelt de rechtbank als volgt.

13.2 In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hetgeen is aangevoerd in het kader van het beroep op de hardheidsclausule niet leidt tot vrijstelling van het mvv-vereiste. Verweerder is daarbij evenwel in het geheel niet ingegaan op de door eiseres tijdens het ac-gehoor aangedragen feiten en omstandigheden. Referente heeft tijdens het gehoor bij de ac in het kader van het beroep op de hardheidsclausule onder meer verklaard dat het de bedoeling was een mvv voor eiseres aan te vragen, maar dat de moeder van referente, die tot dan toe de zorg voor eiseres op zich had genomen, in augustus 2003 werd geopereerd en vervolgens in september 2003 te horen kreeg dat zij schildklierkanker had. Voor de nabehandeling werd zij geadviseerd om naar Nederland gaan. Omdat er in Turkije niemand anders voor eiseres kon zorgen zag referente geen andere optie dan eiseres mee te nemen naar Nederland op een toeristenvisum zonder mvv. Referente heeft voorts brieven overgelegd met betrekking tot de medische problematiek van haar moeder. Tijdens het ac-gehoor heeft eiseres voorts verklaard dat het niet zo was dat referente zich niet aan de regels wilde houden. Door de ziekte van haar moeder en de afwezigheid van opvangmogelijkheden voor A was er echter geen andere keuze. Referente had geprobeerd om iets te regelen met haar werk zodat zij bij A in Turkije kon blijven, maar dat lukte ook niet.

Verweerder is op deze omstandigheden in het bestreden besluit in het geheel niet ingegaan, en heeft derhalve niet kenbaar gemaakt welke afweging er is gemaakt en waarom die afweging negatief voor eiseres uitvalt. In aanmerking genomen dat een beoordeling van een beroep op de hardheidsclausule neergelegd in artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 noopt tot een weging van de wederzijdse belangen, is de rechtbank van oordeel dat de motivering van verweerders standpunt, dat geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule kan worden gedaan, niet als deugdelijk kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve ook in dit opzicht sprake van een motiveringsgebrek.

13.3 Het voorgaande kan evenwel niet leiden tot het door eiseres gewenste resultaat, te weten gegrondverklaring van het beroep. Redengevend hiervoor is dat de andere in het bestreden besluit neergelegde afwijzingsgrond, te weten de omstandigheid dat niet is voldaan aan de procedure van de Wobka, stand kan houden. Zoals hierboven reeds is overwogen is niet in geschil dat in het onderhavige geval niet is voldaan aan de procedures van de Wobka. Zoals eveneens hierboven is weergegeven is het voldaan zijn aan deze procedures wel een voorwaarde die moet zijn vervuld om in aanmerking te komen voor verblijf onder de beperking “verblijf ter adoptie”. Nu deze afwijzingsgrond de afwijzende beslissing zelfstandig kan dragen, en deze grond stand kan houden, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

14. Voor een proceskostenveroordeling dan wel vergoeding van het griffierecht is gelet op het voorgaande geen aanleiding.

V. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. drs. H.J.M. Baldinger, voorzitter, in tegenwoordigheid van M.R. van Kerkwijk, griffier, en openbaar gemaakt op: 19/04/2006

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op: 19/04/2006

Conc: MvK

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.