Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX6515

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-03-2006
Datum publicatie
02-06-2006
Zaaknummer
AWB 04/57053
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AY8744
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Individueel ambtsbericht AIVD / algemeen ambtsbericht minister van Buitenlandse Zaken / continuïteitsvereiste.

Eiser heeft op 28 mei 2003 een herhaalde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 26 november 2004 is deze aanvraag afgewezen. De door eiser overigens in het kader van de onderhavige aanvraag afgelegde verklaringen, voor zover deze betrekking hebben op de door eiser gestelde gebeurtenissen voorafgaand aan zijn vertrek in 1999 uit Mauritanië, zijn niet zijn aan te merken als nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb. Hetgeen eiser thans heeft verklaard had hij immers reeds in 1999 kunnen en moeten verklaren. Voorts is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aan het tegenwerpen van om artikel 4:6 Awb in de weg staan. De door eiser aangevoerde omstandigheden, te weten dat eiser op verdenking van deelname aan een terroristische organisatie in Nederland is gearresteerd, dat hij hiervan door de rechtbank Rotterdam weliswaar is vrijgesproken, maar dat deze strafzaak aanzienlijke publieke aandacht heeft getrokken, zijn aan te merken als feiten of omstandigheden die zijn opgekomen na het nemen van het eerdere besluit van 16 november 1999, en niet vóór het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd. Niet op voorhand kan uitgesloten worden geacht dat deze omstandigheden in het licht van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 kunnen afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust. Beoordeeld zal worden of de door eiser aangevoerde nova verweerder tot een andersluidend standpunt hadden moeten nopen ten opzichte van diens beslissing op eisers eerste asielverzoek. De door verweerder ingeroepen machtswisseling in Mauritanië van 3 augustus 2005 is als zodanig te beschouwen als een nieuw feit of omstandigheid die op grond van artikel 83 Vw 2000 in de beoordeling kan worden meegenomen. Een toegespitste concretisering van met name welke gevolgen hier voor het onderhavige beroep aan moeten worden verbonden, is door verweerder achterwege gelaten. Daarbij kan niet worden volgehouden dat de gevolgen van de machtswisseling al ten volle zijn uitgekristalliseerd. Derhalve is niet voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van feiten en omstandigheden die voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 relevant kunnen zijn, zodat derhalve niet wordt voldaan aan artikel 83, tweede lid, Vw 2000. Gelet op hetgeen door eiser is aangevoerd, in onderling verband en in samenhang bezien, heeft verweerder zich niet op de daaraan ten grondslag gelegde gronden op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen door eiser is aangevoerd niet kan afdoen aan de eerdere bestuurlijke besluitvorming met betrekking tot de vraag of eiser bij terugkeer naar Mauritanië in vluchtelingenrechtelijke zin zal worden vervolgd. Vastgesteld kan worden dat relevante informatie over de situatie in Mauritanië met betrekking tot de van belang zijnde periode vanaf 2000, het jaar waarin de minister van Buitenlandse Zaken voor het laatst een algemeen ambtsbericht over Mauritanië heeft uitgebracht, ontbreekt. In het verlengde hiervan kan dan ook niet worden geconcludeerd dat door eiser geen concrete aanknopingspunten zijn aangevoerd voor twijfel aan de volledigheid van het ambtsbericht met betrekking tot Mauritanië van mei 2000. Verweerder heeft zich evenwel op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet als een refugié sur place kan worden aangemerkt. De vraag of eiser heeft te vrezen voor vervolging kan onbesproken blijven nu eisers beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 reeds vanwege het niet voldoen aan het continuïteitsvereiste niet kan slagen. Met betrekking tot hetgeen door eiser in verband met zijn beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 is aangevoerd, overweegt de rechtbank voldoende aannemelijk te achten dat de Mauritaanse autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de in Nederland jegens eiser gerezen verdenkingen.

Voorts heeft eiser voldoende gegevens aangedragen die door verweerder uit het oogpunt van een zorgvuldige besluitvorming niet zonder toegespitste motivering buiten beschouwing konden worden gelaten. In het verlengde van de vaststelling dat relevante informatie over de situatie in Mauritanië met betrekking tot de van belang zijnde periode vanaf 2000 ontbreekt, heeft verweerder ten onrechte op de daartoe aangevoerde gronden geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij gedwongen terugkeer het reële risico op schending van artikel 3 EVRM loopt. Hetgeen door partijen met betrekking tot het individuele ambtsbericht van de AIVD is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. Daartoe is van belang dat het genoemde ambtsbericht weliswaar ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, Vw 2000 mede bij de beoordeling is betrokken, maar dat verweerder in de als gevolg van deze uitspraak openvallende besluitvorming alsnog zal kunnen bezien worden welke rol het ambtsbericht - in het kader van de te onderzoeken feiten en de op grond daarvan te trekken conclusies - zal kunnen spelen. In dit licht komt het de rechtbank niet opportuun voor thans op de nadere besluitvorming van verweerder vooruit te lopen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vreemdelingenwet 2000 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te ’s-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 04/57053 BEPTDN

V-nr: 914.021.5518

inzake: A, alias A, geboren op [...] 1974, alias A, geboren in 1974, alias A, geboren op [...] 1974, alias A, van Mauritaanse nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. V.V. Essenburg, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. van Asperen, advocaat te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 28 mei 2003 heeft eiser een (herhaalde) aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 28 juni 2003 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brieven van 9 en 11 juli 2003 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 11 juli 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij brief van 11 juli 2003 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van 11 juli 2003. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 14 juli 2003 en aangevuld bij brief van 17 juli 2003. Bij brief van 18 juli 2003 heeft verweerder het besluit van 11 juli 2003 ingetrokken. Bij brief van 1 oktober 2003 heeft eiser het beroep ingetrokken.

2. Bij beroepschrift van 5 maart 2004 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op eisers aanvraag. Op 8 april 2004 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag wederom af te wijzen. Bij brief van 5 mei 2004 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij uitspraak van 18 oktober 2004 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen zes weken een besluit dient te nemen. Bij besluit van 26 november 2004 heeft verweerder de aanvraag wederom afgewezen.

3. Bij beroepschrift van 21 december 2004, aangevuld met gronden bij brief van 18 februari 2005, heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 17 maart 2005 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 28 april 2005 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brieven van 29 april 2005, 23 mei 2005 en 20 september 2005 heeft eiser de gronden van zijn beroep aangevuld. Verweerder heeft bij schrijven van 7 oktober 2005 het verweer aangevuld.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2005. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was M. Essebai, als tolk in de Arabische taal, ter zitting aanwezig. Mr. V.L. Koppe, advocaat te Amsterdam, kantoorgenoot van eisers gemachtigde, was voorts voor de duur van het afleggen van een verklaring ter zitting aanwezig.

5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Nadat partijen de rechtbank toestemming hebben verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

II. IN DIT GEDING VASTSTAANDE FEITEN

1. Eiser heeft gesteld op 29 oktober 1999 Nederland te zijn binnengekomen. Hij heeft op 14 november 1999 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij besluit van 16 november 1999 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid ervan. Ambtshalve heeft verweerder overwogen dat eiser evenmin in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Op 24 november 1999 is eiser met onbekende bestemming vertrokken.

2. Op 30 augustus 2002 is eiser door een arrestatieteam van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond en Haaglanden aangehouden op grond van vermoedelijke overtreding van (onder meer) artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Bij uitspraak van 5 juni 2003 is eiser door de rechtbank Rotterdam in het zogenaamde “Jihadproces” van de hem tenlastegelegde feiten vrijgesproken. Direct aansluitend is eiser in vreemdelingenbewaring gesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Dordrecht, heeft bij uitspraak van 7 augustus 2003 met ingang van 18 juli 2003 de opheffing van de bewaring bevolen. Het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 5 juni 2003 is op 6 september 2005 ingetrokken.

3. Op 24 juli 2003 is de door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een individueel ambtsbericht met betrekking tot eiser uitgebracht (kenmerk: 2032774/01). De AIVD heeft hierin geconcludeerd dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

III. ASIELRELAAS

1. Tijdens de eerste asielprocedure heeft eiser heeft het volgende relaas - zakelijk weergegeven - aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser behoort tot de Soninké-stam en is soennitisch moslim. Vanwege zijn afkomst heeft eiser in Mauritanië problemen ondervonden. Eiser en zijn familie werden op grond van hun donkere huidskleur gediscrimineerd. Tot twee maal toe heeft eiser op grond daarvan bovendien problemen ondervonden van de zijde van de familie van de twee vrouwen met wie hij in Mauritanië verloofd is geweest. Zo werd eiser in februari 1999 op straat bedreigd door de broer van zijn toenmalige verloofde. Eiser en de broer werden vanwege de ontstane ruzie door de politie opgepakt, maar beiden zijn vrijgelaten. Vanwege de toenemende discriminatie heeft eiser in oktober 1999 besloten om zijn land te verlaten. Eiser is met een boot naar Nederland gereisd. Eiser heeft geen documenten meegenomen omdat zijn vertrek plotseling was en de reisagent hem had geadviseerd om geen documenten mee te nemen.

2. Bij de onderhavige aanvraag heeft eiser het volgende relaas - zakelijk weergegeven - naar voren gebracht. Eiser heeft tijdens de eerste procedure niet de waarheid verteld omdat hij bang was dan naar Mauritanië te zullen worden uitgezet en dat de Nederlandse autoriteiten informatie zouden uitwisselen met andere landen. Ook was hij niet op de hoogte van de voor de procedure relevante bijzonderheden en vertrouwde hij de procedure niet. Hij heeft toen alles door elkaar gehaald en heeft daar achteraf spijt van. Eiser was in Mauritanië salafist maar is in Europa tablir geworden. In Mauritanië verrichtte eiser op eigen titel voorlichtingsactiviteiten aan minderheden voor de UFDE, een oppositiepartij. Eiser heeft hierdoor van de zijde van de autoriteiten problemen ondervonden en is drie maal gearresteerd. Tijdens de detenties is eiser mishandeld en bedreigd. De laatste keer was in 1999. Eiser heeft toen twee weken vastgezeten. Eiser is vanuit Senegal per vliegtuig naar Frankrijk gereisd met een geldig visum voor dat land. Vanuit daar is eiser naar Italië gegaan waar hij een maand heeft verbleven. Vervolgens is eiser via Frankrijk naar Groot-Brittannië gereisd. Hij werd echter in Calais door de Britse politie direct teruggestuurd naar Frankrijk. Eiser moest Frankrijk daarna binnen 48 uur verlaten en is naar Nederland gegaan. Eiser had, in tegenstelling tot hetgeen hij in 1999 verklaarde, wel documenten meegenomen en beschikt thans nog over een identiteitskaart en een nationaliteitsverklaring. Zijn paspoort ligt nu bij zijn broer in Spanje. Na de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag verbleef eiser illegaal in Nederland. Vanuit Nederland heeft hij financiële steun aan zijn familie en de UFDE gegeven. Eiser heeft van zijn familie vernomen dat zijn vader is gestorven nadat hij door de politie was opgepakt en gemarteld. In de ogen van eiser is er voor wat de redenen voor zijn vertrek uit Mauritanië betreft geen verschil tussen zijn eerste en zijn tweede asielaanvraag.

Eiser vreest nu echter voorts voor vervolging van de zijde van de Mauritaanse autoriteiten vanwege hetgeen hem in de strafzaak in het “Jihadproces” ten laste is gelegd. Die strafzaak heeft in de media veel aandacht gekregen. Eiser heeft bovendien van zijn advocaat gehoord dat de ambassadeur van Mauritanië tijdens het strafproces aanwezig was. De houding van de Mauritaanse autoriteiten ten aanzien van moslim-extremisme is de afgelopen jaren voor moslim-extremisten in negatieve zin gewijzigd.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2.1. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2.2. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

2.3. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.4. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.5.1. Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

2.5.2. Ingevolge het tweede lid van artikel 83 van de Vw 2000 wordt met feiten en omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, alleen rekening gehouden, indien deze voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33, relevant kunnen zijn.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord welke door partijen in beroep aangehaalde feiten en omstandigheden op grond van artikel 83 van de Vw 20000 in de beoordeling van de rechtbank kunnen worden meegenomen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) dient de vraag of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83 van de Vw 2000 te worden beantwoord aan de hand van dezelfde criteria als die welke gelden bij de toepassing van artikel 4:6, eerste lid, Awb.

3.2. Eiser heeft in beroep een brief van een jeugdvriend van 20 december 2004 overgelegd. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat deze brief niet op grond van artikel 83 van de Vw 2000 in de beoordeling kan worden meegenomen. Hiertoe is redengevend dat eiser voor de late overlegging slechts een te algemene en onvoldoende overtuigende verklaring heeft gegeven om te kunnen concluderen dat eiser deze brief niet eerder over had kunnen leggen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de onderhavige procedure reeds sinds 28 mei 2003 loopt. Na de voornemens van 28 juni 2003 en 8 april 2004 was eiser bekend met het voornemen van verweerder om zijn asielaanvraag af te wijzen. Uit de brief van de jeugdvriend blijkt niet dat eiser eerder, bijvoorbeeld na de bekendmaking van het eerste voornemen, pogingen heeft ondernomen om een verklaring van hem te verkrijgen.

3.3. Eiser heeft in beroep voorts een verklaring van dr. M. Marty van 29 april 2005 overgelegd. Niet in geschil is dat deze verklaring is aan te merken als een nadere onderbouwing van de eerder door eiser aangevoerde en onderbouwde stelling dat de houding van de Mauritaanse autoriteiten ten aanzien van extremistisch islamisme na 1999 voor extremistische islamisten in negatieve zin is gewijzigd. Gelet hierop kan deze verklaring, ongeacht het bepaalde in artikel 83 van de Vw 2000, in de beoordeling worden meegenomen.

3.4.1. Verweerder heeft in zijn brief van 7 oktober 2005 gewezen op de omstandigheid dat op 3 augustus 2005 militairen op vreedzame wijze de macht in Mauritanië hebben overgenomen en dat aan het regime van president Ould Taya een einde is gekomen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd nader toegelicht dat deze machtswisseling op grond van artikel 83 van de Vw 2000 in de beoordeling meegenomen dient te worden. Uit openbare bronnen, zoals Irinnews, blijkt dat voormalige oppositieleden na de machtswisseling inmiddels naar Mauritanië zijn teruggekeerd en dat vele gevangenen, onder wie vermeende islamistische extremisten, zijn vrijgelaten. Deze omstandigheden vergroten eisers vrees voor vervolging dan wel voor schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in ieder geval niet, aldus verweerder.

3.4.2. Met betrekking tot gevolgen van de genoemde machtswisseling overweegt de rechtbank dat deze machtswisseling als zodanig is te beschouwen als een nieuw feit of omstandigheid die op grond van artikel 83 van de Vw 2000 in de beoordeling kan worden meegenomen. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat verweerder (de gevolgen van) deze machtswisseling in strijd met de goede procesorde aan de orde heeft gesteld. Niet kan immers worden geconcludeerd dat verweerder (de gevolgen van) deze machtswisseling op grond van de goede procesorde eerder naar voren had moeten brengen.

De rechtbank overweegt evenwel dat een toegespitste concretisering van met name welke gevolgen hier voor het onderhavige beroep aan moeten worden verbonden, door verweerder achterwege is gelaten. Daarbij komt dat naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden volgehouden dat de gevolgen van de machtswisseling al ten volle zijn uitgekristalliseerd. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van feiten en omstandigheden die voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 relevant kunnen zijn, zodat derhalve niet wordt voldaan aan het in artikel 83, tweede lid, van de Vw 2000 vermelde vereiste.

3.4.3. Hetgeen zich in Mauritanië op en na 3 augustus 2005 heeft voorgedaan zal door de rechtbank dan ook buiten beschouwing worden gelaten.

4. De rechtbank is voorts met partijen van oordeel dat sprake is van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

5.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

5.2. Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

5.3. Bij de door de rechter te verrichten beoordeling in geval van een besluit op een herhaalde aanvraag, dient de rechter volgens vaste jurisprudentie van de AbRS direct te treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn opgekomen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstbedoelde bepaling, behoorden te worden overgelegd.

5.4. Is hieraan voldaan, dan is, nog steeds volgens de vaste jurisprudentie, niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen, waarop dat rust. Als dit niet op voorhand is uitgesloten, kan het door eiser ingestelde beroep leiden tot de beoordeling of zich na het eerdere in rechte onaantastbare besluit van 16 november 1999 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan die verweerder tot heroverweging noopten. Slechts onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan volgens vaste jurisprudentie van de AbRS noodzaak bestaan om deze in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen.

6.1. Met betrekking tot de vraag of eisers relaas, voor zover dit ziet op thans gestelde gebeurtenissen die in Mauritanië tot aan zijn vertrek in oktober 1999 hebben plaatsgevonden en zakelijk zijn weergegeven onder III.2 van deze uitspraak, is aan te merken als nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb, overweegt de rechtbank als volgt.

6.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers nieuwe relaas met betrekking tot de gebeurtenissen tot aan zijn vertrek in 1999 ongeloofwaardig is omdat zijn verklaringen in de onderhavige procedure in het geheel niet stroken met de verklaringen die hij in de eerste asielprocedure heeft afgelegd. Er kan in ieder geval geen sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb omdat eiser reeds in de eerste asielprocedure zijn ware relaas en de daaraan ten grondslag liggende documenten had dienen aan te voeren.

6.3. Als reden voor het opgeven van een ander relaas heeft eiser aangegeven dat hij bang was naar Mauritanië te zullen worden uitgezet en dat de Nederlandse autoriteiten informatie zouden uitwisselen met andere landen. Ook was hij niet op de hoogte van de voor de procedure relevante bijzonderheden en vertrouwde hij de procedure niet. Hij heeft toen alles door elkaar gehaald en heeft daar achteraf spijt van.

6.4. De rechtbank overweegt dat de eerdere keuze van eiser om zich te verlaten op zijn eigen inschatting van de aan een waarheidsgetrouwe verklaring verbonden risico’s en adviezen van derden een voor zijn rekening komende omstandigheid vormen. Hetzelfde geldt voor de overige door eiser aangevoerde omstandigheden.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de door eiser in het kader van de onderhavige aanvraag afgelegde verklaringen, voor zover deze betrekking hebben op de door eiser gestelde gebeurtenissen voorafgaand aan zijn vertrek in 1999 uit Mauritanië, niet zijn aan te merken als nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Hetgeen eiser thans heeft verklaard had hij immers reeds in 1999 kunnen en moeten verklaren. Voorts is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging III.5.4 van deze uitspraak.

7.1. Eiser heeft voorts aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd de gevolgen van de omstandigheid dat hij verdachte was in het Rotterdamse zogenoemde ‘Jihadproces’, dat in de media buitengewoon veel aandacht heeft gekregen, en in samenhang daarmee de gewijzigde politieke en maatschappelijke houding van de Mauritaanse autoriteiten ten aanzien van extremistisch islamisme. Eiser vreest voor vervolging van de zijde van de Mauritaanse autoriteiten nu hij als een ‘refugié sur place’ aangemerkt dient te worden. De handelingen die eiser in Mauritanië als salafist voor zijn vertrek uit dat land verrichtte, heeft hij in Nederland voortgezet.

Voorts zal bij gedwongen terugkeer sprake zijn van schending van artikel 3 van het EVRM.

Reeds vanwege de aanwezigheid van een persoon van de Mauritaanse vertegenwoordiging bij het strafproces zijn de Mauritaanse autoriteiten op de hoogte van de beschuldigingen in Nederland ten aanzien van eiser. Bovendien is eiser met naam en toenaam in de media genoemd. De omstandigheid dat eiser in Nederland is vrijgesproken doet aan het voorgaande niets af. Ter onderbouwing van de gewijzigde houding van de Mauritaanse autoriteiten heeft eiser diverse stukken overgelegd. Verweerder heeft zich ten onrechte gebaseerd op een verouderd en achterhaald ambtsbericht met betrekking tot Mauritanië van de Minister van Buitenlandse Zaken van 20 mei 2000.

7.2. De rechtbank is met partijen van oordeel dat de door eiser aangevoerde omstandigheden, te weten dat eiser op verdenking van deelname aan een terroristische organisatie in Nederland is gearresteerd maar hiervan door de rechtbank Rotterdam is vrijgesproken en dat deze strafzaak aanzienlijke publieke aandacht heeft getrokken, zijn aan te merken als feiten of omstandigheden die zijn opgekomen na het nemen van het eerdere besluit van 16 november 1999, en niet vóór het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd. In geschil is derhalve vervolgens of op voorhand is uitgesloten dat deze feiten en omstandigheden kunnen afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

7.3. De rechtbank is van oordeel dat niet op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat de in rechtsoverweging III.7.2. weergegeven omstandigheden in het licht van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kunnen afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust. De rechtbank zal onderstaand beoordelen of de door eiser aangevoerde nova verweerder tot een andersluidend standpunt hadden moeten nopen ten opzichte van diens beslissing op eisers eerste asielverzoek.

7.4.1. Ter onderbouwing van zijn vrees voor vervolging als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 door de Mauritaanse autoriteiten op grond van hetgeen in het Jihadproces over eiser naar voren is gekomen en de houding van die autoriteiten ten aanzien van (vermeende) islamisten heeft eiser - onder meer - een brief Amnesty International van 7 juli 2003 gericht aan eisers gemachtigde overgelegd.

7.4.2. In de brief van Amnesty International is - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

“Amnesty International is bekend met het feit dat uw cliënt, de heer A, voor de rechtbank in Rotterdam is aangeklaagd wegens vermeende banden met een terroristische organisatie. Daarmee is uw cliënt waarschijnlijk persoonlijk in de negatieve belangstelling van de Mauritaanse autoriteiten komen te staan. Juist mensen die ervan worden beschuldigd islamist te zijn of te behoren tot een Jihad-groep, kunnen het speciale doelwit zijn van repressie door de Mauritaanse autoriteiten. Gezien de huidige situatie in Mauritanië vreest Amnesty International dat de vrijspraak die door de Rotterdamse rechtbank is uitgesproken ten aanzien van uw cliënt, niet zal leiden tot een verminderde negatieve belangstelling van de Mauritaanse autoriteiten.

In april 2003 zijn de autoriteiten van Mauritanië begonnen met een onderdrukkingscampagne tegen niet alleen verschillende politieke en religieuze mensen maar tegen een ieder die ervan verdacht wordt banden te hebben met religieuze groepen die door de regering van Mauritanië als “extremistisch” worden beschouwd. (...)

In geval van arrestatie en detentie, loopt uw cliënt eveneens het risico om te worden onderworpen aan marteling. Amnesty International ontvangt regelmatig rapporten dat mensen tijdens hun detentie worden gemarteld. Het terugsturen van uw cliënt naar Mauritanië betekent dan ook mogelijk schending van de refoulementverboden zoals genoemd in de artikelen 3 van het EVRM en het Anti-Folterverdrag.

Bovendien vreest Amnesty International dat als uw cliënt teruggestuurd wordt naar Mauritanië, hij doorgestuurd wordt naar de militaire basis van de Verenigde Staten in Guantanamo Bay in Cuba. (...)”

7.4.3. Eiser heeft voorts een brief van Human Rights Watch (HRW) van 2 september 2003, getiteld “Mauritania: Harassment of Opposition Undermines Free and Fair Elections, Open letter to President Taya” overgelegd. In deze brief geeft HRW uiting aan haar bezorgdheid over de recente politiek-gemotiveerde arrestaties van onder meer religieuze leiders in Mauritanië.

In dit schrijven is - zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang - voorts vermeld dat er sinds april 2003 veel mensen zijn gearresteerd, waaronder imams en religieuze leraren die ervan werden beschuldigd lid te zijn van een islamistische beweging. De arrestaties werden gerechtvaardigd onder het mom van terrorismebestrijding, maar zij waren er eerder op gericht om mensen die kritisch ten aanzien van het regime waren het zwijgen op te leggen.

7.4.4. In een door eiser overgelegd artikel van 19 augustus 2004 van United Press International “Diversity and racism thrive in Mauritania” is vermeld dat “ Taya, too, has cracked down on Muslim extremism since 2001, arresting dozens of alleged fundamentalists and closing some mosques.”

7.4.5. In de vertaling van het schrijven van dr. Marty van 29 april 2005 is het volgende - onder meer - vermeld:

“Sinds de aankondiging van het politieke overgangsproces in Mauritanië in 1991, zijn de islamieten, de geprobeerd hebben zich te organiseren, altijd vervolgd en gestraft door het regime van M. Ould Taya. (...) Daarnaast hebben enkele onafhankelijke journalisten niet geaarzeld om het verband te leggen tussen enerzijds de recente verklaring over diplomatieke betrekkingen met Israël, de toenadering met de Verenigde Staten en de arrestatie van de islamieten, als een blijk van goede wil tegenover deze nieuwe bondgenoten. Sinds 11 september 2001, is vooral de toenadering met de Verenigde Staten actueel: die hebben in Mauritanië een bondgenoot gevonden wiens geostrategische positie een buitenkansje is. (...)

Het Mauritaanse regime is vaak aan de kaak gesteld in verband met martelingen. (...)

Vanwege de systematische onderdrukking van de islamieten, of van de veronderstelde islamieten, en verscheidene aantijgingen over martelingen, lijkt mij dat er een [de rechtbank begrijpt op grond van de originele Franse tekst “geen”] gerede twijfel bestaat over de angst van uw cliënt.”

7.5.1. Gelet op hetgeen door eiser is aangevoerd, in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet zonder meer op het standpunt heeft kunnen stellen dat hetgeen door eiser is aangevoerd niet kan afdoen aan de eerdere bestuurlijke besluitvorming met betrekking tot de vraag of eiser bij terugkeer naar Mauritanië in vluchtelingrechtelijke zin zal worden vervolgd.

Uit hetgeen door eiser is aangevoerd, komen naar het oordeel van de rechtbank voldoende concrete aanknopingspunten naar voren die het door eiser geschetste beeld bevestigen dat de Mauritaanse overheid (vermeende) islamisten sinds met name na 2001 repressief dan wel repressiever heeft aangepakt. De kans op vluchtelingrechtelijke vervolging kan in eisers geval dan ook geenszins uitgesloten worden geacht. Ook verweerder heeft ter zitting van 17 oktober 2005 bevestigd dat er in 2003 “erge dingen” onder de verantwoordelijkheid van president Maaouys Ould Taya hebben plaatsgevonden, nu president Taya, onder het mom van de zoektocht naar opponenten van het regime, veel islamisten heeft opgepakt om te bereiken dat hij in het zadel kon blijven. Uit het voorgaande volgt thans dat niet zonder meer kan worden gezegd dat het vereiste van herleidbaarheid tot een vervolgingsgrond ontbreekt.

7.5.2. Vastgesteld kan worden dat relevante informatie over de situatie in Mauritanië met betrekking tot de van belang zijnde periode vanaf 2000 ontbreekt. In het verlengde van deze vaststelling overweegt de rechtbank dan ook dat niet kan worden geconcludeerd dat door eiser geen concrete aanknopingspunten zijn aangevoerd voor twijfel aan de volledigheid van het ambtsbericht met betrekking tot Mauritanië van mei 2000.

7.6.1. Eiser heeft in verband met zijn beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 voorts aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte niet als een “refugié sur place” heeft aangemerkt nu door verweerder ten onrechte het zogenaamde continuïteitsvereiste is gehanteerd. Het beleid in paragraaf C1/4.2.6 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is volgens eisers gemachtigde in strijd met het Vluchtelingenverdrag, het “Handbook on procedures and criteria for determining refugee status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees” (hierna: Handbook) van de United Nations High Commissioner for Refugees, Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als een persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Richtlijn 2004/83/EG) en met internationale rechtspraak.

7.6.2. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De stelling van de gemachtigde van eiser dat het continuïteitsvereiste niet gesteld mag worden, komt er op neer dat dit vereiste, dat sinds jaar en dag in de Nederlandse rechtspraak is aanvaard en als beleidsregel ook in de Vc 2000 is neergelegd, wegens strijd met het internationale recht buiten toepassing moet worden gelaten en zich overigens evenmin verdraagt met de uitgangspunten voor een redelijke beleidsbepaling.

Naar het oordeel van de rechtbank dient deze stelling te falen. Daartoe is het volgende van belang. Niet kan worden geconcludeerd dat uit het Vluchtelingenverdrag volgt dat het continuïteitsvereiste niet mag worden gesteld.

De stelling dat het continuïteitsvereiste niet mag worden gesteld op grond van artikel 5, derde lid, van Richtlijn 2004/83/EG, kan reeds hierom niet slagen nu op grond van artikel 38, eerste lid, van die Richtlijn de implementatietermijn van 10 oktober 2006 nog niet is verstreken. Voorts is van belang dat volgens vaste rechtspraak van de AbRS het Handbook geen regels bevat die verweerder binden bij zijn beoordeling of een vreemdeling gegronde reden voor vervolging heeft te vrezen.

7.6.3. Subsidiair heeft eiser - eerst ter zitting - aangevoerd dat verweerder zijn eigen beleid met betrekking tot het continuïteitsvereiste, zoals neergelegd in paragraaf C1/4.2.6 van de Vc 2000, niet heeft gevolgd omdat verweerder niet heeft getoetst aan de tweede mogelijkheid die in die paragraaf wordt genoemd. Eiser voldoet hier immers aan omdat tijdens zijn verblijf buiten Mauritanië de houding van de Mauritaanse autoriteiten de afgelopen jaren, met name sinds 11 september 2001, sterk is verslechterd ten aanzien van vermeende terroristen, politieke opposanten alsmede islamisten.

7.6.4. De rechtbank stelt vast dat in voormeld beleid het volgende met betrekking tot het continuïteitsvereiste wordt bepaald:

“Er zijn twee mogelijke omstandigheden die iemand tot refugié sur place maken.

Het is ten eerste mogelijk dat iemand ten gevolge van zijn eigen activiteiten buiten het land van herkomst, bijvoorbeeld door het deelnemen aan demonstraties gericht tegen het eigen regime, het aanbieden van petities aan de ambassade van zijn land, of het publiceren van kritische stukken over de politieke situatie in zijn land, gegronde reden heeft voor vervolging te vrezen als hij naar dat land zou terugkeren. Deze activiteiten kunnen pas dan aanleiding zijn voor statusverlening als het gaat om een voortzetting van het gedrag dat in het land van herkomst aanleiding had kunnen geven tot moeilijkheden, dus een voortzetting van activiteiten die de asielzoeker in het land van herkomst heeft ontplooid (het zogenaamde continuïteitsvereiste).

Een asielzoeker wiens omstandigheden op zichzelf geen aanleiding vormen voor het aannemen van vluchtelingschap, kan ook geen aanspraak maken op vluchtelingschap door met opzet de publieke aandacht op zijn persoon te vestigen.

Ten tweede kan iemand een refugié sur place worden, doordat tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst de omstandigheden in het land van herkomst zich zodanig wijzigen, bijvoorbeeld door een machtswisseling, waardoor hij bij terugkeer gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Indien de politieke overtuiging pas wordt verkondigd na vertrek uit het land van herkomst, dient de asielzoeker aannemelijk te maken dat de overtuiging reeds bestond in het land van herkomst, dat de autoriteiten in het land van herkomst van deze overtuiging op de hoogte zijn of kunnen geraken en dat het bekend zijn van deze overtuiging een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag oplevert.”

7.6.5. Gelet op de laatste volzin van voormelde passage, wordt ook bij de tweede mogelijkheid het continuïteitsvereiste als voorwaarde gesteld. Eiser is derhalve naar het oordeel van de rechtbank van een onjuiste lezing van het beleid uitgegaan. Mitsdien kan ook deze beroepsgrond van eiser niet slagen.

7.6.6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet als een refugié sur place kan worden aangemerkt. De vraag of eiser zelf heeft te vrezen voor vervolging kan derhalve onbesproken blijven omdat eisers beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 reeds vanwege het niet voldoen aan het continuïteitsvereiste niet kan slagen.

7.7. De conclusie is dan ook dat hetgeen door eiser in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit op dit punt niet heeft kunnen nemen dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd.

8.1. Met betrekking tot hetgeen door eiser in verband met zijn beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is aangevoerd, overweegt de rechtbank als volgt.

8.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Mauritaanse autoriteiten daadwerkelijk op de hoogte zijn van de verdenkingen die in 2002 in Nederland tegen hem zijn gerezen. Eiser baseert zich daartoe slechts op vermoedens en beschikt niet over concrete aanwijzingen die deze vermoedens kunnen schragen. De enkele omstandigheid dat in de nationale en internationale media aandacht is besteed aan het strafproces waarin eiser zich terzake van die verdenkingen moest verantwoorden, is daartoe onvoldoende. De door eiser overgelegde krantenartikelen vormen onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de Mauritaanse autoriteiten door deze publicaties op de hoogte zouden zijn geraakt van de tegen eiser gerezen verdenkingen, omdat eiser in deze publicaties niet, althans niet met zijn volledige personalia of bij zijn werkelijke naam wordt genoemd. Ook als van de aanwezigheid van de Mauritaanse consul bij enkele zittingsdagen in het genoemde strafproces moet worden uitgegaan, dan is dat onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van een in dit verband relevante negatieve belangstelling. De door eiser overgelegde brieven van zijn broer en jeugdvriend zijn hiertoe evenmin voldoende, reeds omdat zij niet als een objectieve bron van informatie kunnen worden beschouwd.

De brief van Amnesty International van 7 juli 2003 is niet onderbouwd met concrete feiten. Gezien het speculatieve karakter van deze brief en het ontbreken van enige nadere onderbouwing, was verweerder op grond daarvan niet gehouden nader onderzoek te verrichten. Verweerder heeft geconcludeerd dat zelfs indien de Mauritaanse autoriteiten op de hoogte zijn van de in Nederland jegens eiser gerezen verdenkingen, dit - gezien het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken met betrekking tot Mauritanië van 22 mei 2000 en de door eiser aangedragen informatie - niet kan afdoen aan het eerdere besluit met betrekking tot artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en de overwegingen waarop dit besluit in zoverre rust.

8.3. De rechtbank stelt voorop voldoende aannemelijk te achten dat de Mauritaanse autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de in Nederland jegens eiser gerezen verdenkingen. Zo dit al niet rechtstreeks voortvloeit uit de omstandigheid dat de Mauritaanse vertegenwoordiging hier te lande zich heeft doen informeren over hetgeen tijdens het proces voorviel, - welke omstandigheid op grond van de verklaring van mr. V.L. Koppe voldoende aannemelijk is geworden - vindt deze aanname voldoende steun in de door eiser overgelegde krantenartikelen. In die publicaties is eiser, soms vergezeld van een foto waarvan onbetwist is gebleven dat die eiser afbeeldt, aangeduid onder vermelding van zijn nationaliteit dan wel zijn initialen en in een enkel geval met zijn bijnaam. Gelet hierop heeft verweerder niet op de daartoe voorgedragen gronden kunnen concluderen dat de - mogelijk - negatieve belangstelling voor eiser van de Mauritaanse autoriteiten reeds niet aannemelijk is omdat de belangstelling niet voorvloeit uit de aandacht die eiser in de media heeft gehad.

8.4. Voorts overweegt de rechtbank dat eiser, gelet op hetgeen door hem met betrekking tot de situatie in Mauritanië is aangevoerd, waarbij verwezen wordt naar hetgeen is weergegeven onder 7.4.1. tot en met 7.4.5 van deze uitspraak, voldoende gegevens heeft aangedragen die door verweerder uit het oogpunt van een zorgvuldige besluitvorming niet zonder toegespitste motivering buiten beschouwing konden worden gelaten.

In het verlengde van de vaststelling dat relevante informatie over de situatie in Mauritanië met betrekking tot de van belang zijnde periode vanaf 2000 ontbreekt, overweegt de rechtbank dan ook dat verweerder ten onrechte op de daartoe aangevoerde gronden heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij gedwongen terugkeer het reële risico op schending van artikel 3 van het EVRM loopt.

8.5. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat hetgeen door eiser in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is aangevoerd tot het oordeel leidt dat verweerder het bestreden besluit op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd.

9. Hetgeen door partijen met betrekking tot het individuele ambtsbericht van de AIVD is aangevoerd, behoeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen bespreking. Daartoe is van belang dat het genoemde ambtsbericht weliswaar ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 mede bij de beoordeling is betrokken, maar dat verweerder in de als gevolg van deze uitspraak openvallende besluitvorming alsnog zal kunnen bezien welke rol het ambtsbericht - in het kader van de te onderzoeken feiten en de op grond daarvan te trekken conclusies - zal kunnen spelen. In dit licht komt het de rechtbank niet opportuun voor thans op de nadere besluitvorming van verweerder vooruit te lopen.

De rechtbank tekent hierbij overigens aan dat de beslissing minder juist lijkt daar waar zij er vanuit lijkt te gaan dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 ook kan worden betrokken bij de vraag of sprake is van vluchtelingschap.

10. De conclusie is dan ook dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

11. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644 ,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Gewezen door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, en mrs. P.H.A. Knol en J. Recourt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier.

Openbaar gemaakt op 16 maart 2006.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: DS

Coll: HK

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.