Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX6296

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
07-06-2006
Zaaknummer
AWB 06/15522
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / vervolgberoep / zicht op uitzetting / belangenafweging.

Eiser is ongewenst verklaard en verblijft sinds 1 maart 2004 in vreemdelingenbewaring, slechts onderbroken door een tweetal strafrechtelijke inverzekeringstellingen en een mislukte uitzetting naar Turkije. Op 8 december 2005 heeft eiser alsnog een handtekening gezet onder een verzoek tot herkrijging van de Turkse nationaliteit. Dat verzoek is nu vier maanden in behandeling en is herhaaldelijk onder de aandacht van de Turkse autoriteiten gebracht. Het is nog onduidelijk wanneer de procedure in Turkije wordt afgerond. De rechtbank overweegt dat niet kan worden gesteld dat verweerder met onvoldoende voortvarend aan de uitzetting werkt noch dat geen reëel zicht op uitzetting bestaat. Nu de bewaring al meer dan twee jaar duurt is voortduring slechts aanvaardbaar voor een beperkte periode, indien een concrete datum bekend is waarop de uitzetting wordt geëffectueerd. Er is geen officiële informatie voorhanden afkomstig van de Turkse autoriteiten en gericht aan de Nederlandse autoriteiten waarin expliciet wordt bevestigd dat eiser daadwerkelijk de Turkse nationaliteit zal herkrijgen. Daarnaast blijkt niet van een concrete datum voor uitzetting op korte termijn. Onder deze omstandigheden dient het belang van eiser bij opheffing zwaarder te wegen. Beroep gegrond, opheffing bewaring en afwijzing schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/227

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE, zittinghoudende te ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/15522

Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 april 2006

inzake

A,

geboren op […] 1962,

nationaliteit Turkse,

verblijvende te Rotterdam in het Uitzetcentrum Zestienhoven,

eiser,

gemachtigde mr. V. Senczuk,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. P. van Zeyl.

Procesverloop

Op 24 maart 2005 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 11 april 2005, 24 mei 2005, 28 juni 2005, 27 juli 2005, 13 september 2005, 12 oktober 2005, 12 december 2005, 10 januari 2006 en 7 maart 2006, zijn eerdere beroepen, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 27 maart 2006 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder op 30 maart 2006 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet gereageerd.

Het beroep is behandeld op de zitting van 18 april 2006, waar eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ter beoordeling ligt thans de vraag voor of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van eiser en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te effectueren. Voorts is van belang te beoordelen of voortzetting van de bewaring ook overigens, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid nog gerechtvaardigd is.

2. Namens eiser is - kort weergegeven - aangevoerd dat eiser feitelijk sinds 1 maart 2004 in vreemdelingenbewaring verblijft. De bewaring duurt thans ruim twee jaar voort, slechts onderbroken door een tweetal strafrechtelijke inverzekeringstellingen en een mislukte uitzetting naar Turkije. Uitzetting van eiser is slechts mogelijk indien hij zijn handtekening zet onder een verzoek tot herkrijging van de Turkse nationaliteit. Daar eiser deze handtekening pas wil zetten nadat er een voldoende concreet terugkeerplan ligt, is er nog immer sprake van een patstelling. Ondanks het feit dat eiser zich sinds 8 december 2005 coöperatief opstelt en er overleg is tussen Nederland en Turkije op het hoogste overheidsniveau is er nog steeds geen concreet zicht op uitzetting van eiser. Verweerder handelt onvoldoende voortvarend. De belangenafweging moet, gelet op de zeer lange duur van de bewaring, in het voordeel van eiser uitvallen.

3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser op 2 maart 2004, na een langdurige strafrechtelijke detentie, in bewaring is gesteld. Eiser bevindt zich thans feitelijk ruim twee jaar in vreemdelingenbewaring.

Omdat eiser zijn Turkse nationaliteit heeft verloren is uitzetting van eiser naar Turkije slechts mogelijk indien eiser een aanvraag tot herkrijging van de Turkse nationaliteit indient bij de Turkse autoriteiten. Eiser heeft tot 8 december 2005 geweigerd zijn medewerking aan een dergelijke aanvraag te verlenen. Eiser stelt diverse voorwaarden aan het verlenen van zijn medewerking, waaronder het afkopen van zijn dienstplicht en financiële ondersteuning om een nieuw bestaan op te bouwen in Turkije. Op basis van ter zitting door gemachtigde van verweerder verstrekte informatie, staat voor de rechtbank vast dat eiser op 8 december 2005 alsnog voornoemd verzoek aan de Turkse autoriteiten ter herkrijging van zijn nationaliteit heeft ondertekend. Inmiddels is het naturalisatieverzoek ruim vier maanden in behandeling. Het dossier van eiser is sindsdien herhaaldelijk nadrukkelijk onder de aandacht van de Turkse autoriteiten gebracht. Het is nog onduidelijk wanneer de procedure in Turkije wordt afgerond.

4. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat verweerder met onvoldoende voortvarendheid aan de uitzetting werkt. Evenmin kan worden gezegd dat er in het onderhavige geval geen reëel zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank ziet er voorts niet aan voorbij dat ten aanzien van eiser sprake is van zware criminele antecedenten alsmede dat eiser ongewenst is verklaard. Daar staat echter tegenover dat de bewaring thans reeds zeer lang – meer dan twee jaar – duurt. In een dergelijke situatie is voortduring van de bewaring slechts aanvaardbaar voor een beperkte periode, indien een concrete datum bekend is waarop de uitzetting zal worden geëffectueerd. In casu is daarvan geen sprake. Om de actuele stand van zaken aan te geven heeft verweerders gemachtigde ter zitting niet meer kunnen aanreiken dan een faxmemo van 17 april 2006 van de adviseur directie terugkeer IND, waarin melding wordt gemaakt van de weergave door eiser van de inhoud van een telefoongesprek dat hij heeft gehad met een Turks ministerie en waarin hem is meegedeeld dat zijn dossier door de veiligheidsdienst is vrijgegeven en doorgestuurd naar de minister van buitenlandse zaken ter verkrijging van zijn nationaliteit. Volgens genoemde adviseur directie terugkeer IND zal het naar verwachting ongeveer vier weken duren voordat de handtekening van de minister op het document komt waarmee eiser zijn Turkse nationaliteit terug zal krijgen. De rechtbank stelt vast dat er geen officiële informatie voorhanden is afkomstig van de Turkse autoriteiten en gericht aan de Nederlandse autoriteiten waarin expliciet wordt bevestigd dat eiser daadwerkelijk de Turkse nationaliteit zal herkrijgen. Daarnaast blijkt niet van een concrete datum voor uitzetting op korte termijn. Onder deze omstandigheden dient tegen de achtergrond van de inmiddels zeer lange duur van de bewaring het belang van eiser bij opheffing van die bewaring zwaarder te wegen dan het belang van verweerder bij voortzetting daarvan. De rechtbank zal dan ook de opheffing van de bewaring bevelen onder gegrondverklaring van het beroep.

4. Nu niet is gebleken dat de bewaring voorafgaand aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geworden, wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

5. Wel acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal € 644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,-;

• wegingsfactor 1.

6. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

7. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 19 april 2006;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden, te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. E.H.M. Druijf als voorzitter en mrs. A.B.M. Hent en E.H.B.M. Potters als leden van de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. de Win als griffier op 19 april 2006.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: