Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX4367

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2006
Datum publicatie
01-06-2006
Zaaknummer
AWB 05/13937, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Syrië / buitenschuldcriterium / staatlozen / inherente afwijkingsbevoegdheid / wijziging van beleid / WBV 2005/11.

Eisers stellen buiten hun schuld niet uit Nederland te kunnen worden verwijderd en beroepen zich hiertoe op WBV 2005/11 waarin onder meer als voorwaarde ter verkrijging van de verblijfsvergunning voor is gesteld dat de vreemdeling, al dan niet door tussenkomst van de vreemdelingendienst, om bemiddeling van de IND heeft verzocht bij het verkrijgen van de benodigde documenten van de autoriteiten van het land waar hij naar toe kan gaan, welke bemiddeling niet het gewenst resultaat heeft gehad. Eisers hebben hiertoe per brief een verzoek gedaan, waarvan verweerder ter zitting niet heeft kunnen aangeven of op deze brief is gereageerd. In dit verband is van belang dat in het individueel ambtsbericht van 6 september 2004 is neergelegd dat de door eiser overgelegde authentiek bevonden verklaring bijzondere persoonsregistratie in de registers voor vreemdelingen van de regio/provincie Al-Hasakah het enige document is dat eiser kan overleggen omtrent zijn identiteit en enkel dit document niet zal volstaan om terug te kunnen keren naar Syrië. In het ambtsbericht is vervolgens vermeld dat, indien deze verklaring is vergezeld van een verzoek van de Nederlandse overheid, de Syrische autoriteiten naar verwachting eerder geneigd zullen zijn mee te werken aan zijn terugkeer. In dit licht bezien heetf verweerder het bemiddelingsverzoek van eisers in redelijkheid niet kunnen passeren en aldus ten onrechte ambtshalve de verblijfsvergunning geweigerd. Beroep gegrond, toewijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/234

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nrs.: AWB 05/13937 BEPTDN en 05/13939 BEPTDN (beroepszaken)

AWB 05/21105 BEPTDN en 05/21102 BEPTDN (voorlopige voorzieningen)

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter, inzake de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening van:

A, geboren op […] 1970, en

B, geboren op […] 1981, beiden staatloos,

mede ten behoeve van hun twee minderjarige kinderen, eisers/verzoekers,

gemachtigde: mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht,

tegen de besluiten van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. S. de Schutter, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. INLEIDING

Bij beslissingen van 13 april 2005 heeft verweerder het bezwaar van eisers/verzoekers (hierna te noemen: eisers) tegen zijn besluiten van 2 juli 2002 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemde besluiten heeft verweerder ambtshalve besloten dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) juncto artikel 3.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Eisers hebben tegen de beslissingen van 13 april 2005 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Eisers hebben de rechtbank tevens verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting achterwege dient te blijven, totdat op de beroepen is beslist.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 9 maart 2006, waar eisers in persoon zijn verschenen. Eisers en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

2. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van de beroepen

In geschil is of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Verweerder heeft de bestreden beslissingen, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Aan het verzoek van eisers om af te wijken van het algemeen beleid voor staatlozen kan niet voldaan worden. Eisers hebben nog steeds geen verklaring overgelegd van de vertegenwoordiging van het land waar zij eerder hun gewone verblijfplaats hadden, te weten Syrië, waarin is opgenomen dat zij zowel bij vrijwillige als bij onvrijwillige terugkeer geen toegang tot dat land zullen verkrijgen. Evenmin hebben zij aangetoond dat de Syrische autoriteiten een dergelijke verklaring niet willen afgeven.

Eisers bestrijden deze besluiten en voeren daartegen aan dat verweerder in de bestreden beschikkingen ten onrechte voorbij is gegaan aan de recente wijziging van het beleid met betrekking tot het buitenschuldcriterium. Onderdeel van het nieuwe beleid is een verzoek om bemiddeling door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). In casu is bij schrijven van 5 mei 2004 om medewerking van de Vreemdelingenpolitie (VD) verzocht, zonder dat verweerder hieraan gevolg heeft gegeven. Thans wordt nogmaals verzocht om bemiddeling van de IND. De bestreden besluiten zijn onzorgvuldig totstandgekomen nu verweerder op geen enkele wijze behulpzaam heeft willen zijn bij de pogingen van eisers om aan te tonen dat zij geen toegang tot Syrië zullen verkrijgen.

Uit het individueel ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 6 september 2004 blijkt dat de door eisers overgelegde documenten onvoldoende zullen zijn om een terugkeer naar Syrië te kunnen bewerkstelligen. Ondanks het risico dat eiser liep om zonder reisbescheiden een bezoek aan de Syrische ambassade te België te brengen heeft hij dit op 15 juni 2004 gedaan, terzake waarvan hij een verklaring overlegt.

Eisers zijn van mening dat zij op grond van het thans geldende beleid voldaan hebben aan de voorwaarde om aan te tonen zelf actie ondernomen te hebben, dat zij vervolgens de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) verzocht hebben om hulp maar dat dit alles, buiten hun schuld, niet heeft geleid tot afgifte van documenten -een laissez-passer-, dan wel terugkeer naar het land van herkomst. Er zijn objectief verifieerbare feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat terugkeer naar Syrië niet mogelijk is voor eisers.

Ten slotte zijn eisers van mening dat zij ten onrechte niet zijn gehoord, ondanks de toezegging van verweerder voor de hoorzitting.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank overweegt allereerst dat niet in geschil is dat eisers staatloos zijn.

Evenmin is in geschil dat Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2005/11 van toepassing is.

In WBV 2005/11 is onder meer als voorwaarde ter verkrijging van de verblijfsvergunning voor vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken gesteld dat de vreemdeling, al dan niet door tussenkomst van de VD, om bemiddeling van de IND heeft verzocht bij het verkrijgen van de benodigde documenten van de autoriteiten van het land waar hij naar toe kan gaan, welke bemiddeling niet het gewenst resultaat heeft gehad.

De rechtbank overweegt dat eisers ten behoeve van het leveren van hun inspanningen om aan te tonen dat zij niet kunnen terugkeren naar Syrië -onder meer- in hun brief van 5 mei 2004 aan de VD, met kopie hiervan aan verweerder, hebben verzocht hen behulpzaam te willen zijn bij het bezoeken van de Syrische ambassade in Brussel door hen de benodigde reisbescheiden/vrijgeleide te verstrekken. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat niet bekend is of de VD dan wel verweerder op voornoemde brief van eisers heeft gereageerd. Uit het dossier is van een reactie van verweerder niet gebleken. Eisers hebben zich daarop op 15 juni 2004 zelf tot de Syrische ambassade in België gewend. In dit verband is van belang dat in het individueel ambtsbericht van 6 september 2004 is neergelegd dat de door eiser overgelegde in de Arabische taal gestelde, oranjekleurige, originele verklaring bijzondere persoonsregistratie in de registers voor vreemdelingen van de regio/provincie Al-Hasakah, van 5 juni 1998, hetgeen een authentiek document is, het enige document is dat eiser kan overleggen omtrent zijn identiteit en enkel dit document niet zal volstaan om terug te kunnen keren naar Syrië. In het ambtsbericht is vervolgens vermeld dat, indien deze verklaring is vergezeld van een verzoek van de Nederlandse overheid, de Syrische autoriteiten naar verwachting eerder geneigd zullen zijn mee te werken aan zijn terugkeer.

Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het bemiddelingsverzoek van eisers in redelijkheid niet kunnen passeren en heeft verweerder aldus ten onrechte de verblijfsvergunningen ambtshalve geweigerd. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten niet berusten op een zorgvuldige voorbereiding als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en voorts niet zijn voorzien van een deugdelijke motivering, zoals voorgeschreven in artikel 7:12 Awb.

De beroepen zijn mitsdien gegrond. De bestreden beschikkingen kunnen niet in stand blijven. Verweerder zal worden opgedragen nieuwe beschikkingen te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De overige grieven behoeven derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking meer.

Ten aanzien van de voorlopige voorzieningen

Na deze uitspraak treedt de fase van bezwaar opnieuw in. Nu verweerder opnieuw een inhoudelijk standpunt in zal dienen te nemen, kan het bezwaar een redelijke kans van slagen niet ontzegd worden. Aangezien het bezwaarschrift in dit geval geen schorsende werking heeft, hebben eisers een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Ten aanzien van de voorlopige voorzieningen en de beroepen

In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-).

Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal € 138,- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

ten aanzien van de hoofdzaken:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten;

draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van eisers, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet voldoen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad € 138,-.

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorzieningen:

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe;

verbiedt verweerder eisers uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet voldoen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad € 138,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.A. Buijs, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2006, in tegenwoordigheid van mr. S. de Regt als griffier.

de griffier de rechter

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Tegen deze uitspraak staat, voorzover die betreft het verzoek om een voorlopige voorziening, ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder d, Wet op de Raad van State geen hoger beroep open.