Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AX1347

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2006
Datum publicatie
23-05-2006
Zaaknummer
246207
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

echtscheiding

voortgezet gebruik echtelijke woning

afgifte gouden hanger aan de vrouw

verdeling van goederen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Scheiding

6x

rekestnummer: FA RK 05-3936

zaaknummer: 246207

datum beschikking: 27 maart 2006

BESCHIKKING op het op 7 juli 2005 ingekomen verzoek van:

[voornamen] [achternaam],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. J.G.M. Lambregts,

advocaat: mr. C.S.F. de Nijs te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[voornamen] [achternaam],

de man,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. I.W.E. Lansen.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- de brief d.d. 20 januari 2006 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;

- de brief d.d. 20 januari 2006 van de zijde van de man, met bijlagen.

Op 30 januari 2006 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn procureur. Beide partijen hebben pleitnotities overgelegd. De man heeft voorts een door hem opgestelde draagkrachtberekening betreffende de vrouw overgelegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- het faxbericht d.d. 15 februari 2006 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;

- de brief d.d. 20 februari 2006 van de zijde van de man, met bijlagen;

- het faxbericht d.d. 21 februari 2006 van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 23 februari 2006 van de zijde van de man.

VERZOEK EN VERWEER

Het verzoek van de vrouw, zoals dat thans luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ad € 1.200,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen,

- vaststelling van de wijze van verrekening, conform de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden,

- afgifte door de man van de hanger die heeft toebehoord aan de moeder van de vrouw;

- bepaling dat de man als redelijke vergoeding voor het voortgezette gebruik van de echtelijke woning alle vaste lasten, verbonden aan die woning, voor zijn rekening dient te nemen;

- bepaling dat de man een bedrag ad € 258,84 aan de vrouw dient te betalen, zijnde de helft van de door hem aangerichte schade aan een computerkastje en twee schilderijen;

- kostenveroordeling, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert – onder referte voor het overige – thans nog verweer tegen de verzochte partneralimentatie, de afgifte van de hanger en de schadevergoeding.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht:

- echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

- voor het geval dat een uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw wordt vastgesteld: vaststelling van een termijn voor de alimentatieverplichting van de man, welke maximaal gelijk is aan de duur van het huwelijk;

- vaststelling van de wijze van verrekening, conform de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden en met inachtneming van hetgeen de man in het verweerschrift hierover heeft gesteld;

- afgifte door de vrouw van een aantal inboedelgoederen;

- bepaling dat de vrouw een bedrag ad € 357,-- aan de man dient te betalen, zijnde de schade die zij heeft toegebracht aan de echtelijke woning;

- voortgezet gebruik van de echtelijke woning te ([postcode]) [woonplaats], [a-straat] [huisnummer]

primair tot aan de datum waarop die woning aan een koper zal zijn geleverd,

subsidiair voor de duur van zes maanden vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding;

- kostenveroordeling,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert naar de rechtbank begrijpt uitsluitend verweer tegen de door de man verzochte nevenvoorzieningen. Zij stemt evenwel in met het subsidiaire verzoek van de man om het gebruik van de echtelijke woning voort te zetten gedurende zes maanden vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding, met dien verstande dat wanneer de woning voortijds zal zijn verkocht de man zijn medewerking zal verlenen aan de oplevering van de woning en de woning alsdan zal verlaten.

BEOORDELING

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Gelet op de door partijen overgelegde bewijsstukken, te weten een –ongewaarmerkte– kopie van een op [datum] 1999 te [P.] opgemaakte huwelijksakte, een gewaarmerkt afschrift van de akte van inschrijving van bedoelde buitenlandse huwelijksakte alsmede het originele trouwboekje, afgegeven door de burgerlijke stand te [P.], acht de rechtbank genoegzaam aangetoond dat de echtgenoten op [datum] 1999 te [P.] met elkaar zijn gehuwd.

Echtscheiding

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat de daarop steunende niet weersproken verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.

Voortgezet gebruik echtelijke woning; gebruiksvergoeding

De rechtbank zal het subsidiaire verzoek van de man toewijzen, nu de vrouw zich daartegen niet heeft verzet. De man heeft aangevoerd dat hij wenst dat de woning zo spoedig mogelijk zal zijn verkocht, aangezien het voor hem niet mogelijk is om alle daaraan verbonden kosten voor zijn rekening te blijven nemen. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat wanneer de woning binnen zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding kan worden geleverd aan een koper, de man daaraan zal meewerken.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toe te wijzen voor een langere termijn dan de gebruikelijke termijn van zes maanden. De rechtbank wijst het primaire verzoek van de man af, nu bij toewijzing daarvan het gebruik van de echtelijke woning gedurende een langere termijn dan zes maanden zou kunnen worden voortgezet en de vrouw daartegen verweer heeft gevoerd.

De vrouw heeft verzocht om te bepalen dat de man als redelijke vergoeding voor het voortgezet gebruik van de echtelijke woning alle vaste lasten, verbonden aan die woning, voor zijn rekening dient te nemen.

De rechtbank zal dit verzoek als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Afgifte hanger

Tussen partijen is in geschil aan wie van hen de gouden hanger toekomt die heeft toebehoord aan de inmiddels overleden moeder van de vrouw.

De man heeft aangevoerd dat hij de hanger van de vrouw heeft ontvangen na het overlijden van haar moeder en dat hij de hanger gedurende het huwelijk heeft gedragen en nog steeds draagt. De man is van mening dat hij aanspraak maakt op toedeling van de hanger aan hem, nu hij door de moeder van de vrouw als executeur-testamentair van de nalatenschap is benoemd doch niet voor zijn werkzaamheden is betaald. De man heeft aangevoerd dat wanneer de hanger aan de vrouw wordt toebedeeld, de vrouw de gehele geldelijke waarde daarvan aan hem dient te vergoeden. De man heeft voorts aangevoerd dat hij bereid is om de hanger aan de vrouw af te geven, indien de vrouw de goederen, die zijn vermeld op de lijst van inboedelgoederen die is overgelegd bij de brief van 20 januari 2006, aan hem retourneert.

De vrouw heeft aangevoerd dat haar moeder de gouden hanger bij testament aan haar heeft nagelaten en dat deze hanger voor haar een grote emotionele waarde heeft. Zij heeft niet betwist dat de man de hanger gedurende het huwelijk heeft gedragen. Zij heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de man tijdens het huwelijk meermalen heeft gevraagd om de hanger aan haar terug te geven, doch dat de man dat heeft geweigerd.

De rechtbank is van oordeel dat nu de man niet heeft weersproken dat de moeder van de vrouw de hanger bij testament aan de vrouw heeft nagelaten, noch dat de vrouw tijdens het huwelijk meermalen heeft verzocht om de hanger aan haar terug te geven, de hanger als een verknocht goed toekomt aan de vrouw. Het verzoek van de vrouw tot afgifte van de hanger aan haar zal daarom worden toegewezen. De rechtbank zal het verzoek van de man betreffende een door de vrouw te betalen vergoeding voor de hanger afwijzen, nu daarvoor geen rechtsgrond bestaat.

Verrekening, alsmede verdeling van enkele gemeenschappelijke goederen

Partijen zijn ingevolge de op [datum] 1999 opgemaakte huwelijkse voorwaarden gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. Ingevolge artikel 15, lid 2 van de huwelijkse voorwaarden wordt bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding afgerekend alsof tussen de echtgenoten algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan, zulks met dien verstande dat niet in de verrekening worden betrokken:

a. alle aanbrengsten ten huwelijk, welke staan vermeld op de staat van aanbrengsten;

b. al hetgeen voor de sub a. bedoelde goederen in de plaats is gekomen,

en geschiedt de afrekening naar de toestand en de waarde per de datum waarop de echtscheidings-procedure aanhangig werd gemaakt.

Er is tussen partijen een beperkte gemeenschap van goederen ontstaan. Partijen hebben gezamenlijk de echtelijke woning gekocht en hebben daartoe een hypothecaire geldlening afgesloten. Partijen hebben enkele gezamenlijke bankrekeningen.

Partijen zijn het er over eens dat de rechtbank over de volgende vermogensbestanddelen dient te beslissen:

1. de echtelijke woning te ([postcode]) [woonplaats], [a-straat] [huisnummer];

2. de aan de echtelijke woning verbonden hypothecaire geldlening bij Avero Achmea;

3. de Postbankrekening nummer [nr 1.] op naam van beide partijen;

4. de Postbankrekening nummer [nr. 2] op naam van beide partijen;

5. het vermogensplan bij Avero Achmea met polisnummer [nr 3.] op naam van de man;

6. de lijfrente bij Avero Achmea met polisnummer [nr 4.] op naam van de man;

7. de levensverzekering bij AMEV Levensverzekering N.V. met polisnummer [nr 5] op naam van de man;

8. de levensverzekering bij Conservatrix N.V. met polisnummer [nr 6.] op naam van de man;

9. de levensverzekering bij Nationale Nederlanden N.V. met polisnummer [nr 7.] op naam van de vrouw;

10. de auto van het merk Opel Astra;

11. de motor van het merk Kawasaki Vulcan 1500 met kenteken;

12. de inboedel van de echtelijke woning;

13. eventuele aanslagen inkomstenbelasting over 2004 en 2005.

Ad 1 en 2

Partijen zijn overeengekomen dat de echtelijke woning zal worden verkocht. Van de verkoop-opbrengst zal allereerst de hypothecaire geldlening dienen te worden afgelost.

Partijen zijn het erover eens dat van de resterende overwaarde van de echtelijke woning de opbrengst van de woning aan de [adres] te [woonplaats] aan de man dient te worden uitgekeerd, nu de man die woning ten huwelijk heeft aangebracht. De man is in de gelegenheid gesteld om daarvan na de zitting een bewijsstuk in het geding te brengen.

Uit de door de man overgelegde afrekening van 15 september 2004 van notariskantoor R.M. Dom volgt dat de opbrengst van de woning aan de [adres] te [woonplaats] € 50.839,83 bedroeg, alsmede dat dit bedrag is aangewend voor de aankoop van de echtelijke woning aan de [a-straat] [huisnummer] te [woonplaats].

Partijen zijn ten slotte overeengekomen dat wanneer na de uitkering van € 50.839,83 aan de man nog een bedrag aan overwaarde van de echtelijke woning resteert, partijen dit bij helfte zullen verdelen.

Ad 3 en 4

De Postbankrekening nummer [nr 1.] is, met een saldo van ƒ 120.000,--, door de man ten huwelijk aangebracht. De man heeft onweersproken gesteld dat deze rekening, die inmiddels op naam van beide partijen staat, uitsluitend door hem is gebruikt en dat hij degene is die daarop gelden heeft doen storten en/of opnemen.

De Postbankrekening nummer [nr. 2], die eveneens op naam van beide partijen staat, wordt uitsluitend door de vrouw gebruikt.

Partijen zijn het erover eens dat de Postbankrekening nummer [nr 1.] met het daarop staande saldo aan de man dient te worden toebedeeld en de Postbankrekening nummer [nr. 2] aan de vrouw, zonder verrekening.

Ad 5, 6, 7 en 8

De man heeft zich bij zijn zelfstandig verzoek tot verrekening op het standpunt gesteld dat de waarde van de levensverzekeringen slechts voor zover deze ten tijde van het huwelijk zijn opgebouwd tussen partijen verrekend dient te worden.

De vrouw heeft daarmee ingestemd.

De man heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat hij de op zijn naam staande levensverzekeringen, hiervoor vermeld onder nummers 5 tot en met 8, zal voortzetten. De man heeft daarbij geen voorbehoud gemaakt. Partijen zijn vervolgens overeengekomen dat de man de helft van de contante waarde van de diverse polissen aan de vrouw zal vergoeden. In verband daarmee is de man in de gelegenheid gesteld om daarvan na de zitting schriftelijk opgave te doen.

De man heeft bij schrijven van 20 februari 2006 brieven van verschillende verzekeraars overgelegd betreffende de waarde van het vermogensplan bij Avero Achmea met polisnummer [nr 3.], de lijfrente bij Avero Achmea met polisnummer [nr 4.], de levensverzekering bij AMEV Levensverzekering N.V. met polisnummer [nr 5] en de levensverzekering bij Conservatrix N.V. met polisnummer [nr 6.].

De man heeft bij voormelde brief van 20 februari 2006 voorts ten aanzien van de verzekeringen bij Avero Achmea verzocht om niet de “unitwaarde” – naar de rechtbank begrijpt de contante waarde – in de verrekening te betrekken, maar de afkoopwaarde. De man heeft in dit verband gesteld dat hij er de voorkeur aan geeft om alle levensverzekeringen voort te zetten, maar dat de kans groot is dat dat niet mogelijk is wanneer hij partneralimentatie dient te betalen en de aan hem toebedeelde vermogens-bestanddelen met de vrouw moet verrekenen.

De rechtbank wijst dit verzoek af, nu dit niet overeenstemt met hetgeen partijen ter terechtzitting hebben afgesproken en de vrouw hiertegen bij faxbericht van 21 februari 2006 bezwaar heeft gemaakt.

De rechtbank stelt met inachtneming van het voorgaande de waarde van de diverse polissen van de man vast als volgt:

nr. 5 - het vermogensplan bij Avero Achmea, polisnummer [nr 3.]: € 8.781,67,

nr 6 - de lijfrente bij Avero Achmea, polisnummer [nr 4.]: € 21.943,--,

nr.7 - de levensverzekering bij AMEV Levensverz. N.V., polisnummer [nr 5]: € 13.099,--,

nr 8 - de levensverzekering bij Conservatrix N.V., polisnummer [nr 6.]: € 2.037,--,

zodat de man in verband met deze polissen in totaal een bedrag ad € 22.930,34 aan de vrouw zal dienen te vergoeden.

Ad 9

De vrouw heeft bij haar verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van de man een afschrift overgelegd van een brief van Nationale Nederlanden van 27 september 2005 betreffende de levensverzekering met polisnummer [nr 7.]. Uit die brief volgt dat de afkoopwaarde per 7 juli 2005 (de peildatum) € 1.249,-- bedraagt, dat de verzekering niet kan worden afgekocht en dat de verzekering per 1 oktober 2005 zal worden gewijzigd, waarbij is verwezen naar een eerder schrijven van Nationale Nederlanden. Blijkens de door de vrouw bij faxbericht van 15 februari 2006 overgelegde brief van Nationale Nederlanden van 14 september 2005 is Nationale Nederlanden tot wijziging van de verzekering overgegaan naar aanleiding van een verzoek van de vrouw om de polis premievrij te maken.

De vrouw heeft ter terechtzitting gesteld dat de waarde van de polis per 7 juli 2005 niet veel zal verschillen van de afkoopwaarde. In het faxbericht van 15 februari 2006 heeft de vrouw echter gesteld dat door de omzetting van de verzekering tot een risicoverzekering de polis geen waarde meer vertegenwoordigt, althans dat het rekenteam van Nationale Nederlanden is verzocht om informatie over de afkoopwaarde van de polis per 7 juli 2005.

De man heeft bij brief van 20 februari 2006 gesteld dat nu de polis is omgezet op 14 september 2005, derhalve na de peildatum, uitgegaan dient te worden van de waarde van de oorspronkelijke polis per 7 juli 2005.

Nu de vrouw de polis ná de peildatum heeft doen omzetten terwijl de noodzaak daartoe niet is gebleken, acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van de waarde van de oorspronkelijke polis per 7 juli 2005. De man heeft ter terechtzitting de stelling van de vrouw, dat de waarde ongeveer gelijk zal zijn aan de afkoopwaarde, niet weersproken. De rechtbank zal daarom de waarde van de polis vaststellen op een bedrag van € 1.249,--. De vrouw zal derhalve in verband met deze polis een bedrag ad € 624,50 aan de man dienen te vergoeden.

Ad 10 en 11

De auto en de motor zijn vermeld op de staat van aanbrengsten ten huwelijk. Partijen zijn het erover eens dat deze aan de man dienen te worden toebedeeld en buiten de verrekening blijven.

Ad 12

De man heeft bij schrijven van 20 januari 2006 een lijst overgelegd van inboedelgoederen die

– volgens de man – van hem zijn, die door de vrouw zijn meegenomen en waarvan hij de afgifte verlangt. Ter terechtzitting heeft de man verklaard dat het hem met name gaat om de antieke bloempot Gouds plateel van zijn oma, vier antieke schalen van zijn oma en een mondharmonica van opa.

De vrouw heeft ter terechtzitting verklaard dat zij alleen de bloempot en de mondharmonica in haar bezit heeft en dat zij bereid is tot afgifte daarvan aan de man.

De rechtbank zal daarom het verzoek van de man in zoverre toewijzen.

Van de overige op de lijst van de man vermelde inboedelgoederen is niet komen vast te staan dat de vrouw daarover beschikt. De rechtbank zal het verzoek van de man derhalve voor het overige afwijzen.

Ad 13

De vrouw heeft verzocht om verrekening van de door de man ontvangen teruggaven van de belastingdienst ad € 342,-- (aanslag d.d. 28 juli 2004) en € 189,-- (aanslag d.d. 29 juli 2005). Laatstvermelde aanslag betreft de voorlopige aanslag over 2004.

De rechtbank zal dit verzoek als niet weersproken toewijzen.

De man heeft op zijn beurt verzocht om verrekening van de (definitieve) aanslag inkomstenbelasting over 2004 ad € 5.830,--. De man heeft deze vordering van de fiscus nog niet voldaan.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij heeft evenwel ter terechtzitting verklaard dat zij bereid is om de helft van de definitieve aanslag 2004 aan de man te vergoeden, mits de man daarvan een bewijsstuk overlegt alsmede de door hem gedane aangifte over 2004.

De man is vervolgens in de gelegenheid gesteld om bedoelde stukken alsnog over te leggen.

De man heeft bij brief van 20 februari 2006 geen stukken met betrekking tot de (definitieve) aanslag inkomstenbelasting over 2004 overgelegd, doch slechts verwezen naar de door hem bij zijn verweerschrift tevens zelfstandig verzoek overgelegde productie 9, dat echter een concept aangifte inkomstenbelasting over 2004 betreft, welke door administratiekantoor A.F.M. B.V. bij schrijven van 16 april 2005 aan de man was toegezonden.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat aan de man een aanslag inkomstenbelasting over 2004 ad € 5.830,-- is opgelegd, zodat de door de man verzochte verrekening van deze post zal worden afgewezen.

Door de man vanaf 9 juni 2005 betaalde hypotheekrente

De man heeft gesteld dat bij de beschikking voorlopige voorzieningen van 9 juni 2005 is bepaald dat hij partneralimentatie ad € 452,-- per maand aan de vrouw diende te betalen, en niet dat hij tevens de lasten verbonden aan de echtelijke woning zou dienen te betalen. De man verzoekt verrekening van de door hem over de periode van 9 juni 2005 tot 1 oktober 2005 (de datum waarop de vrouw een huurwoning heeft betrokken en de man in de echtelijke woning is gaan wonen) betaalde netto-woonlasten ad € 2.719,80 alsmede € 356,75 aan onroerende zaak belasting.

De vrouw heeft gesteld dat een rechtsgrond voor deze verrekening ontbreekt, alsmede dat bij de beschikking voorlopige voorzieningen rekening is gehouden met voor rekening van de man komende woonlasten tot een bedrag van € 800,-- per maand, terwijl de man in voormelde periode geen woonlasten had aangezien hij inwoonde bij zijn dochter.

De rechtbank overweegt het volgende.

De vrouw heeft niet weersproken dat de man over de periode van 9 juni 2005 tot 1 oktober 2005 een bedrag ad € 3.076,55 aan woonlasten voor de echtelijke woning heeft betaald. De vrouw heeft betwist dat de man daarnaast nog in verband met de inwoning bij zijn dochter kosten heeft gemaakt. Nu de man vervolgens niet heeft aangetoond dat hij kostgeld heeft betaald, gaat de rechtbank ervan uit dat de man niet meer dan € 3.076,55 aan woonlasten heeft betaald in voormelde periode.

De man heeft in de voorlopige voorzieningen procedure – zie het in die procedure door hem ingediende verweerschrift, nr. 10 – er bezwaar tegen gemaakt dat de vrouw in haar behoefteberekening hypotheek- en andere eigenaarslasten had opgevoerd. De man heeft gesteld dat hij degene is die deze lasten steeds voor zijn rekening heeft genomen, aangezien het inkomen van de vrouw het niet toelaat om die kosten te voldoen.

De man heeft in die procedure voorts gesteld dat wanneer de woning aan de vrouw zou worden toegewezen, hij niet langer in staat zou zijn om hypotheekrente te betalen. In het kader van de berekening van zijn draagkracht heeft de man zich dan ook op het standpunt gesteld – zie het in die procedure ingediende verweerschrift, nr. 16 – dat voor het geval het gebruik van de woning aan de vrouw zou worden toegewezen, geen rekening gehouden diende te worden met het eigenwoningforfait en de hypotheekrente. Wel zou dan, aldus de man, een fictief bedrag aan kale huur meegenomen moeten worden, dat op een derde van het besteedbaar inkomen van de man gesteld kon worden, te weten € 800,-- per maand. Zulks is geschied: in de beschikking voorlopige voorzieningen is gelet op voormeld standpunt van de man rekening gehouden met een bedrag aan kale huur van € 800,-- per maand. Over de periode van 9 juni tot 1 oktober 2005 is derhalve rekening gehouden met voor rekening van de man komende woonlasten ad € 2.987,-- (€ 587,-- voor de periode van 9 t/m 30 juni en € 2.400,-- voor de periode van juli t/m september 2005).

Het enkele feit dat de woonlasten die in werkelijkheid voor rekening van de man zijn gekomen meer hebben bedragen (namelijk € 3.076,55) dan door de man in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure was voorzien (€ 2.987,--) is onvoldoende grond voor verrekening.

De rechtbank wijst het verzoek van de man tot verrekening van de door hem betaalde woonlasten dan ook af.

Partneralimentatie

Behoefte

De vrouw heeft twee behoefteberekeningen overgelegd:

1) als productie 6 bij haar verzoekschrift: een met behulp van een alimentatieprogramma opgestelde behoefteberekening, waarbij de vrouw, rekening houdend met haar inkomen uit haar dienstverband in de thuiszorg en de fiscale heffingskortingen, uitkomt op een negatieve draagkrachtruimte van netto € 1007,95. De vrouw begroot aan de hand daarvan haar behoefte aan een uitkering van de man op bruto € 1.200,-- per maand.

2) als productie 16 bij haar brief van 20 januari 2005: een uitgavenoverzicht, waaruit volgt dat de vrouw een (totale) behoefte heeft van € 1.490,02 per maand, te vermeerderen met het premiebedrag van de WA-verzekering.

De man heeft de beide behoefteberekeningen van de vrouw gemotiveerd betwist. De man heeft onder meer aangevoerd dat in de eerste behoefteberekening een (veel) te hoog bedrag aan huurlasten is opgenomen en dat ten onrechte rekening is gehouden met de eenoudernorm, terwijl de man niet alimentatieplichtig is voor [dochter van de vrouw]. De man heeft met betrekking tot de tweede behoefteberekening onder meer aangevoerd dat daarin ten onrechte de kosten van de dochter van vrouw zijn opgenomen. De rechtbank acht het verweer van de man gegrond. Nu de rechtbank onvoldoende inzicht heeft in de concrete uitgavenposten van de vrouw, zal de rechtbank de totale behoefte van de vrouw vaststellen op 60% van het netto-gezinsinkomen ten tijde van de samenwoning.

Vast staat dat de vrouw een parttime dienstverband heeft in de thuiszorg waarmee zij netto ongeveer € 446,-- per maand verdient. De vrouw heeft voorts gesteld dat zij in 2004 een cursus voetreflexologie alsmede een workshop voetverzorging heeft gevolgd. Zij gaat ervan uit dat zij met het geven van voetreflexmassages, na aftrek van kosten, € 65,-- tot € 100,-- per maand kan verdienen. Aangezien de vrouw blijkens de overgelegde salarisspecificaties sedert 1999 bij [haar werkgever] in dienst is en zij ook reeds in 2004 voetreflexmassages gaf, gaat de rechtbank uit van een inkomen van de vrouw ten tijde van de samenwoning van ongeveer € 530,-- per maand.

Uit de man overgelegde salarisspecificaties volgt dat zijn inkomen uit hoofde van zijn dienstverband bij [naam] netto ongeveer € 1.990,-- per maand bedraagt. In geschil is of de man daarnaast nog inkomsten geniet als portier en/of hij zich ten onrechte uit de onderneming [naam] v.o.f. heeft teruggetrokken.

Uitgaande van een gezinsinkomen van (tenminste) € 2.520,-- netto per maand kan de totale behoefte van de vrouw worden gesteld op een bedrag van € 1.512,-- netto per maand. De rechtbank acht het in het licht van de door de vrouw overgelegde – door de man betwiste – behoefteberekeningen, redelijk om de totale behoefte van de vrouw vast te stellen op niet meer dan € 1.512,-- netto per maand. De eventuele overige inkomsten of verdiencapaciteit van de man naast zijn inkomen bij [naam], waarop in het kader van de bepaling van de draagkracht van de man nog zal worden ingegaan, kunnen hier in het midden blijven.

De vrouw heeft een verklaring overgelegd van haar werkgever van 19 oktober 2005, waaruit blijkt dat haar contract (12 uur per week) thans niet kan worden uitgebreid.

De man heeft gesteld dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij op andere wijze tracht haar werkzaamheden uit arbeid uit te breiden.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, die de zorg heeft voor haar dochter en naast haar parttime dienstverband in de thuiszorg een opleiding voetreflexologie heeft gevolgd en voetreflex-massages verricht, zich in dit opzicht voldoende heeft ingespannen. De rechtbank ziet thans geen aanleiding om aan de zijde van de vrouw van een hogere verdiencapaciteit dan ongeveer € 530,-- netto per maand uit te gaan.

De rechtbank verwerpt het betoog van de man dat de vrouw in verband met de voetreflexmassages € 400,-- tot € 500,-- netto per maand verdient. Weliswaar volgt uit de door de man overlegde kopieën uit de agenda van de vrouw dat de vrouw in de betreffende maand (april 2004) ongeveer 15 voetreflex-afspraken had vermeld, de vrouw heeft ter terechtzitting daarvoor als verklaring gegeven dat zij in die periode veel moest oefenen in verband met de opleiding voetreflexologie en dat zij toen voetreflexmassages heeft gegeven aan vrienden en kennissen. De man heeft deze verklaring van de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist.

De man heeft na de zitting nog ongevraagd een aantal verklaringen ingezonden betreffende de omvang van de werkzaamheden van de vrouw met betrekking tot de voetreflexmassages. De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Nu de man deze verklaringen, waarover hij reeds ten tijde van de zitting beschikte, niet ter zitting heeft overgelegd, zodat deze niet met partijen konden worden besproken, gaat de rechtbank aan de inhoud daarvan voorbij.

Het besteedbare inkomen van de vrouw bedraagt, uitgaande van voormelde inkomsten en rekening houdend met de fiscale heffingskortingen, ongeveer € 620,-- netto per maand.

Nu de totale behoefte van de vrouw op € 1512,-- netto per maand is vastgesteld, stelt de rechtbank de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man vast op € 892,-- netto per maand. Dit komt– rekening houdend met de fiscale consequenties en de van toepassing zijnde heffingskortingen – neer op € 1.100,-- bruto per maand.

De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen de duur van het huwelijk en de mate van welstand van partijen gedurende het huwelijk.

Draagkracht

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de man in ieder geval uit van zijn inkomen bij [naam] van € 38.851,-- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de jaaropgave 2005.

Vast staat dat de man met zijn voormalige zakenpartner M. Saneie in 2002 een bedrijf heeft opgestart, genaamd [naam] v.o.f. De man was in dat kader – naast zijn werk bij [naam] – werkzaam als beveiliger bij discotheken en andere uitgaansgelegenheden. Het jaar 2002 betrof een opstartjaar, aldus de man, waarin geen winst is behaald. Blijkens de door de man overgelegde jaarrekening 2004 heeft de onderneming in 2003 een bruto-resultaat behaald van € 4.720,-- en in 2004 van € 33.929,--.

De man heeft zich in april 2005 als vennoot doen uitschrijven. De man stelt dat hij om medische redenen (diabetes) het werk heeft moeten beëindigen.

De vrouw heeft gesteld dat het niet noodzakelijk was dat de man zijn werkzaamheden als vennoot van genoemde onderneming heeft beëindigd en dat hij zulks, ook gelet op zijn verplichtingen jegens de vrouw, niet had behoren te doen. De vrouw heeft voorts gesteld dat de man nog immer als beveiliger/portier werkzaam is.

De man heeft een verklaring overgelegd van zijn huisarts van 19 juli 2005, inhoudend: “Gezien de medische omstandigheden van dhr. [achternaam] is het verstandiger de werkzaamheden binnen het beveiligingsbedrijf te minderen” en van internist dr. [naam] van 9 augustus 2005 inhoudend: “In verband met diabetes is een geregeld leven zonder onregelmatige diensten zeer aanbevelenswaardig”.

De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaringen, opgesteld meer dan drie maanden nadat de man zich reeds uit de v.o.f. had doen uitschrijven, onvoldoende blijkt van een medische noodzaak om de werkzaamheden als beveiliger/portier te beëindigen, temeer nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat de man reeds diabetespatiënt was toen de onderneming in 2002 werd opgezet en de man geen medische stukken heeft overgelegd betreffende zijn medische situatie vóór april 2005.

Voorzover ervan dient te worden uitgegaan dat de man, zoals hij stelt doch de vrouw betwist, zijn werkzaamheden als beveiliger/portier geheel heeft gestaakt, is de rechtbank van oordeel dat de man zulks, ook gelet op zijn verplichtingen jegens de vrouw, niet had behoren te doen. Derhalve kan in het midden blijven in hoeverre de man thans daadwerkelijk nog werkzaamheden als beveiliger/portier verricht.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man over een verdiencapaciteit beschikt ter grootte van het hem als vennoot toekomende deel (de helft) van de jaarlijkse winst. Nu de onderneming pas in 2002 is gestart en in 2003 -in verhouding tot het resultaat in het daaropvolgende jaar- slechts een beperkte winst heeft behaald, gaat de rechtbank ervan uit dat de man, bij voortzetting van de werkzaamheden in de onderneming, tenminste het hem toekomende deel van het resultaat over 2004 kan behalen, derhalve € 16.965,--. De man heeft geen gegevens overgelegd betreffende de door de onderneming, na zijn terugtreden, in 2005 behaalde winst, zodat de rechtbank in dit geval niet anders kan dan het resultaat over het jaar 2004 tot uitgangspunt te nemen voor de toekomstige draagkracht van de man.

De vrouw heeft voorts gesteld dat in de onderneming van de man te hoge onkosten op het resultaat over 2004 in mindering zijn gebracht. De vrouw heeft in dit verband de volgende posten betwist:

- de km. vergoeding auto’s ad € 5.794,--;

- de vaste maandvergoedingen ad € 1.680,--;

- telefoon/portikosten ad € 3.030,--;

- bedrijfskleding ad € 3.208,--.

De vrouw stelt dat de helft van het totaalbedrag, derhalve € 6.856,-- per jaar, als inkomen van de man heeft te gelden, aangezien deze posten slechts als fiscaal aftrekbare posten zijn opgevoerd om de te betalen belasting te drukken. Zij stelt dat de portierspakken door [naam werkgever] werden betaald en dat het eten en drinken voor de portiers gratis was.

De man stelt dat de opgevoerde bedragen voor reiskosten, telefoonkosten en bedrijfskleding daadwerkelijk zijn gemaakt. De vaste maandvergoeding betreft een vergoeding van € 70,-- per vennoot per maand voor kleine onkosten, zoals eten en drinken.

De man heeft voorts een verklaring overgelegd van [naam] van administratiekantoor A.F.M. B.V., waarin voorzover hier van belang het volgende is vermeld:

“Bedrijfskosten.

De verantwoorde kosten betreffen kosten gemaakt in de verslagperiode, gedaan per kas of bank, betrekking hebbend op het lopende boekjaar.

De verantwoorde kostenvergoedingen hebben betrekking op privé betaalde zakelijke uitgaven voor de vennootschap.

N.B. De jaarrekening over 2004 is de fiscale jaarrekening, zoals deze aan de fiscus wordt gepresenteerd.”

De rechtbank is van oordeel dat de man, na de betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de betreffende posten niet slechts om fiscale redenen zijn opgevoerd, doch daadwerkelijk voor zijn rekening zijn gekomen. De ongemotiveerde verklaring van A.F.M. B.V., waarin tevens is opgemerkt dat het hier een fiscale jaarrekening betreft, is onvoldoende om aan te nemen dat de man bedoelde kosten daadwerkelijk voor zijn rekening heeft genomen. In ieder geval heeft de man nagelaten om bedoelde posten te specificeren en/of met bewijsstukken te onderbouwen.

De rechtbank beschouwt de helft van het totaal van deze posten, derhalve een bedrag ad € 6.856,-- per jaar, dan ook als inkomen van de man.

De rechtbank gaat derhalve voor de draagkracht van de man uit van een inkomen uit dienstverband van € 38.851,-- bruto per jaar, inclusief vakantiegeld, en een inkomen uit onderneming van € 23.821,-- per jaar.

De rechtbank neemt de volgende niet – danwel onvoldoende – betwiste lasten in aanmerking:

- eigenaarslasten ad € 95,--.

De vrouw heeft de volgende opgevoerde lasten betwist:

- de hypotheekrente ad € 1.033,08;

- de premie levensverzekering ad € 208,10;

- ziektekostenpremie ad € 122,--;

- de advocaatkosten ad € 200,--.

De rechtbank acht de door de man opgevoerde woonlasten (hypotheekrente én premie levensverzekering), gelet op de hoogte van de verdiencapaciteit van de man die de rechtbank in aanmerking heeft genomen, niet onredelijk, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden.

De man heeft een kopie van de polis van zijn ziektekostenverzekering overgelegd, waaruit volgt dat de premie met ingang van januari 2006 € 122,74 per maand bedraagt. De rechtbank zal dan ook met dit bedrag rekening houden.

Ingevolge de toelichting bij het rapport van de werkgroep Alimentatienormen 2006 kan – onder bepaalde voorwaarden – voor advocaatkosten rekening worden gehouden met een bedrag van maximaal € 1.368,--, met een maandlast van maximaal 114,-- gedurende ten hoogste een jaar. Nu in het kader van de voorlopige voorzieningen reeds rekening is gehouden met een bedrag van € 200,-- per maand, is het maximale bedrag van € 1.368,-- waarmee rekening mocht worden gehouden reeds overschreden. De rechtbank zal derhalve in het kader van deze hoofdprocedure geen rekening meer houden met advocaatkosten.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60%.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van € 1.100,-- per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

Limitering van de alimentatie

De man heeft met betrekking tot de partneralimentatie verzocht om een termijn vast te stellen, nu het huwelijk van partijen slechts zes jaar heeft geduurd en uit het huwelijk geen kinderen zijn geboren.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt het volgende.

Vast staat dat het huwelijk meer dan vijf jaar heeft geduurd. Derhalve is het bepaalde in artikel 1:157 lid 6 BW omtrent de beëindiging van rechtswege van de alimentatieverplichting na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk niet van toepassing.

De rechtbank ziet in de enkele omstandigheid dat het huwelijk van partijen ruim zes jaar heeft geduurd en daaruit geen kinderen zijn geboren, onvoldoende aanleiding om aan de alimentatieverplichting een termijn te verbinden. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.

Wederzijdse verzoeken tot schadevergoeding

Beide partijen hebben verzocht de ander te veroordelen tot vergoeding van schade, aangebracht aan de inboedel respectievelijk de echtelijke woning.

Beide partijen hebben betwist dat zij de door de ander gestelde schade hebben veroorzaakt.

Onder deze omstandigheden zal de rechtbank de beide verzoeken afwijzen.

Kostenveroordeling

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

BESLISSING

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [achternaam], [voornamen], en [achternaam], [voornamen], gehuwd op [datum] 1999 te [P.];

bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woonruimte te ([postcode]) [a-straat] [huisnummer], [woonplaats], en het gebruik van de zaken, die behoren bij deze woning, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de man wordt bewoond en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, onder de verplichting dat de man als redelijke vergoeding voor dit gebruik alle vaste lasten verbonden aan de echtelijke woning, zoals de hypotheekrente, premie lijfrenteverzekering, OZB en dergelijke voor zijn rekening neemt, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt de man tot afgifte aan de vrouw van de gouden hanger die heeft toebehoord aan de moeder van de vrouw;

stelt de verdeling van de goederen die partijen in gemeenschappelijk eigendom hebben als volgt vast:

1. aan de man wordt toebedeeld:

1.1. uit de overwaarde die resteert nadat de echtelijke woning aan ([postcode]) [a-straat] [huisnummer] te [woonplaats] zal zijn verkocht: een bedrag van € 50.839,83;

1.2 indien na de uitkering van voormeld bedrag aan de man nog een bedrag aan overwaarde van de echtelijke woning resteert: de helft van dat bedrag aan overwaarde;

1.3 de Postbankrekening nummer [nr 1.] met het daarop staande saldo;

1.4 de auto van het merk Opel Astra;

1.5 de motor van het merk Kawasaki Vulcan 1500 met kenteken;

2. aan de vrouw wordt toebedeeld:

2.1. indien na de verkoop van de echtelijke woning, na uitkering van voormeld bedrag van € 50.839,83 aan de man nog een bedrag aan overwaarde van de echtelijke woning resteert: de helft van dat bedrag aan overwaarde;

2.2 de Postbankrekening nummer [nr. 2] met het daarop staande saldo;

en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de man in verband met de hem toekomende levensverzekeringspolissen, te weten het vermogensplan bij Avero Achmea met polisnummer [nr 3.], de lijfrente bij Avero Achmea met polisnummer [nr 4.], de levensverzekering bij AMEV Levensverzekering N.V. met polisnummer [nr 5] en de levensverzekering bij Conservatrix N.V. met polisnummer [nr 6.], een bedrag ad € 22.930,34 aan de vrouw dient te vergoeden;

bepaalt dat de vrouw in verband met de haar toekomende levensverzekeringspolis, te weten de levensverzekering bij Nationale Nederlanden N.V. met polisnummer [nr 7.], een bedrag van € 624,50 aan de man dient te vergoeden;

bepaalt dat de man in verband met de door hem ontvangen belastingteruggaven ad € 342,-- (aanslag d.d. 28 juli 2004) en ad € 189,-- (aanslag d.d. 29 juli 2005) een bedrag ad € 265,50 aan de vrouw dient te vergoeden;

bepaalt dat de vrouw aan de man dient af te geven de antieke bloempot Gouds plateel van oma en de mondharmonica van opa;

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 1.100,-- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kok, bijgestaan door mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2006.