Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AW7404

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
03-05-2006
Zaaknummer
240683
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bezwaar in rekening brengen griffierecht, geen vast recht in grensoverschrijdende alimentatiezaken van minderjarigen, artikel 50 EEX-Verordening, verzoek afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 337

Uitspraak

rekestnummer: 05.279

zaaknummer: 240683

datum beschikking: 19 april 2006

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

Beschikking in de zaak met rekestnummer 05.279 van:

[voornaam] [achternaam],

wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [voornaam] [achternaam],

gemachtigde: Volker Gensch,

lid van de Rechtsanwaltskammer Hamm (Duitsland),

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

verzoeker,

tegen:

DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A.M.H. van der Hoeven.

1. Verzoeker heeft op 14 februari 2005 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek ingediend tot tenuitvoerlegging in Nederland van een authentieke akte (schuldbekentenis) van het Jugendamt van de Stadt [woonplaats] van 19 april 1999 waarbij [partij], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], zich heeft verplicht een maandelijkse onderhoudsbijdrage ten behoeve van verzoeker te voldoen.

Bij indiening van het verzoekschrift is een bedrag van € 95,-- aan griffierecht in rekening gebracht.

2. Bij beschikking van 7 maart 2005 heeft de voorzieningenrechter verlof verleend tot tenuitvoerlegging van de hiervoor bedoelde akte.

3. Bij verzoekschrift van 30 maart 2005 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het in rekening gebrachte griffierecht. Het bij nota van 22 februari 2005 in rekening gebrachte bedrag van € 95,-- is door de gemachtigde van verzoeker betaald. Verzoeker is van mening dat in grensoverschrijdende alimentatie-zaken van minderjarigen geen vast recht mag worden geheven. Dit is zijns inziens in strijd met artikel 50 EEX-verordening, dat bepaalt dat een verzoeker die in een lidstaat waar de beslissing is gegeven in aanmerking kwam voor kosteloze rechtsbijstand, in de procedure tot het verkrijgen van een exequatur in aanmerking komt voor de meest gunstige rechtsbijstand die in de wet van de aangezochte lidstaat is vastgesteld.

4. Verweerder heeft op 1 juni 2005 een verweerschrift ingediend waarin hij tot de conclusie komt dat het verzet van verzoeker niet gegrond is. Hij voert onder meer aan dat uit de artikelen 17 en 18 van de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken (WTBZ) wel volgt dat vast recht gedeeltelijk in debet kan worden gesteld, maar dat het hier niet gaat om het "vast recht" dat is geregeld in de eerste titel § 1 van de WTBZ. Het door verzoeker betaalde (griffie)recht is elders geregeld, namelijk in artikel 14 lid 3, in § 3 van de WTBZ. In debetstelling d.w.z. gehele of gedeeltelijke vrijstelling van dit (griffie)recht is niet mogelijk. Daarom is er volgens verweerder geen sprake van strijd met artikel 50 EEX-verordening: gegeven dat er geen vrijstelling mogelijk is, is het in rekening gebrachte recht de meest gunstige bijstand dan wel de meest ruime vrijstelling die in de WTBZ met betrekking tot een verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging is vastgelegd.

5. Beide partijen hebben vervolgens nog schriftelijk gereageerd en zij hebben te kennen gegeven af te zien van een mondelinge behandeling van het verzoek.

Bij brief van 23 maart 2006 heeft de gemachtigde van verzoeker de definitieve toevoeging, gedateerd 15 oktober 2004, overgelegd. In deze toevoeging is een eigen bijdrage vermeld van € 89,--.

6. De rechtbank overweegt het volgende.

7. Verzoeker voert aan dat zijn verzoek is gebaseerd op artikel 50 EEX-Verordening. Deze bepaling luidt aldus: "De verzoeker die in de lidstaat waar de beslissing is gegeven, in aanmerking kwam voor gehele of gedeeltelijke kosteloze rechtsbijstand of vrijstelling van kosten en uitgaven, komt in de procedure, vermeld in deze afdeling, in aanmerking voor de meest gunstige bijstand of voor de meest ruime vrijstelling die in het recht van de aangezochte lidstaat is vastgesteld".

Het gaat hier naar het oordeel van de rechtbank om vrijstelling van kosten en uitgaven.

8. Van het aan verzoeker in rekening gebrachte griffierecht ex artikel 14, lid 3, WTBZ, dat veel lager is dan het "vast recht", is - zoals verweerder terecht heeft opgemerkt - geen enkele vrijstelling mogelijk. Klaarblijkelijk acht de Nederlandse wetgever een bedrag van € 95,-- niet van dien aard dat dit een drempel oplevert om procedures als de onderhavige aan te vangen.

9. De rechtbank heeft ook achtgeslagen op de Richtlijn 2002/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen (hierna: de Richtlijn). Het is niet het doel van artikel 50 van de Verordening noch van de Richtlijn om nationale drempels (van griffierecht e.d.) te slechten of lager te maken, doch om te voorkomen dat in de Staat van tenuitvoerlegging opnieuw kosteloze rechtsbijstand of vermindering van vast recht dan wel griffierecht dient te worden aangevraagd, indien deze reeds in de woonstaat of in de staat waar de zaak werd behandeld, zijn toegekend. Het gaat aldus om een andere drempel, namelijk deze dat in de andere Staat opnieuw een administratieve procedure moet worden doorlopen om wederom geheel of gedeeltelijk kosteloze rechtsbijstand en/of bedoelde vermindering te verkrijgen.

10. Volgens artikel 13, lid 1, van de Richtlijn kunnen "verzoeken om rechtsbijstand" in elk van de in casu genoemde Staten worden verleend. Des-gevraagd heeft verzoeker schriftelijk medegedeeld dat aan het opmaken en passeren van de akte in Duitsland bij het Jugendambt voor zowel de alimentatieplichtige als de alimentatiegerechtigde geen kosten zijn verbonden. De kosten worden door de Duitse overheid betaald. Hieruit volgt dat in Duitsland niet is getoetst of verzoeker al dan niet in aanmerking kwam voor kosteloos procederen. Om toch in aanmerking te komen voor kosteloze rechtsbijstand heeft verzoeker op 5 oktober 2004 een verzoek daartoe moeten indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand te Arnhem. Op 15 oktober 2004 is de definitieve toevoeging afgegeven onder vaststelling van een eigen bijdrage van € 89,--. Gevolg hiervan is dat verzoeker in Nederland in aanmerking is gekomen voor gedeeltelijke kosteloze rechtsbijstand. De Wet op de rechtsbijstand bepaalt welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Onder deze kosten vallen niet de proceskosten in ruime zin, dus ook niet verschuldigde griffierechten of "vast recht".

11. Gelet op één en ander ziet de rechtbank geen aanleiding om - zoals verzoeker heeft voorgesteld - de onderhavige zaak voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie met de vraag of een regeling van een lidstaat, die voor een exequaturprocedure geen mogelijkheid kent van een vermindering van door een toegevoegde alimentatiegerechtigde verschuldigde gerechtelijke kosten, in strijd is met art. 50 EEX-verordening.

12. Eén en ander leidt tot de conclusie dat het onderhavige verzoek dient te worden afgewezen.

BESLISSING:

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Punt en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 april 2006 in tegenwoordigheid van de griffier