Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AW6938

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
03-05-2006
Zaaknummer
AWB 06/18167
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Bewaring / eerste beroep / ontvankelijkheid / naam van indiener.

De kennisgeving waarmee het beroep is ingeleid is gesteld op nummer. Uit de tekst van artikel 94, eerste en tweede lid, Vw 2000 en met name uit de bewoordingen ”het beroep dan wel de kennisgeving” in het tweede lid leidt de rechtbank af dat de wetgever een door verweerder ingezonden kennisgeving niet als volstrekt gelijk aan een door de vreemdeling ingesteld beroep heeft willen stellen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dit evenzeer uit de bewoordingen van het eerste lid, inhoudende dat door de ontvangst van een kennisgeving de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Uit de tekst van deze bepaling noch uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming ervan blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er in geval van een door een kennisgeving ingeleid beroep ruimte is voor een beoordeling van de ontvankelijkheid van een dergelijk beroep. De Afdelingsuitspraak van 17 februari 2006, nummer 200600513/1, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien deze uitspraak handelde over een door de vreemdelinge ingesteld beroep. In casu overweegt de rechtbank nog dat de kennisgeving waarmee het beroep is ingeleid niet namens eiser is opgesteld, maar door verweerder. Het beroep is derhalve ontvankelijk. Niet bestreden is dat de procedure leidend tot de inbewaringstelling en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten. Ook overigens is gesteld noch gebleken dat de bewaring om andere redenen onrechtmatig zou zijn. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek om schadevegoeding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNVR 2006/96

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06/18167 VRONTN

uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de enkelvoudige kamer d.d. 28 april 2006

inzake

A, geboren op 16 maart 1984, van Oekraïense nationaliteit,

eiser, verblijvende in het Detentiecentrum te Zeist,

gemachtigde: mr. B.J. Tieman, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

gemachtigde: mr. A.IJ. Ruiter, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Verweerder heeft op 17 maart 2006 aan eiser met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.

1.2 Verweerder heeft op 12 april 2006 de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, Vw in kennis gesteld van het opleggen van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 24 april 2006. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Volgens het bepaalde in artikel 94, eerste lid, Vw wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsbenemende maatregel zodra de kennisgeving van het opleggen van de maatregel van bewaring door de rechtbank is ontvangen.

2.2 Volgens het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, Algemene wet bestuursrecht wordt een bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste de naam en het adres van de indiener.

2.3 De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser op 17 maart 2006 in bewaring heeft gesteld. Bij die gelegenheid is eiser aangeduid als “Nnpl09vpm0603171400”. Blijkens een proces-verbaal van 27 maart 2006 heeft eiser op 21 maart 2006 zijn naam, geboortedatum en nationaliteit opgegeven. Verweerder heeft vervolgens de op “Nnpl09vpm0603171400” gestelde maatregel op 12 april 2006 bij wijze van kennisgeving aan de rechtbank gestuurd, zonder daarbij de op dat moment reeds bekende en middels een kopie van het paspoort aangetoonde personalia van eiser te vermelden.

2.4 Uit de tekst van artikel 94, eerste en tweede lid, Vw en met name uit de bewoordingen ”het beroep dan wel de kennisgeving” in het tweede lid leidt de rechtbank af dat de wetgever een door verweerder ingezonden kennisgeving niet als volstrekt gelijk aan een door de vreemdeling ingesteld beroep heeft willen stellen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dit evenzeer uit de bewoordingen van het eerste lid, inhoudende dat door de ontvangst van een kennisgeving de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Uit de tekst van deze bepaling noch uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming ervan blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er in geval van een door een kennisgeving ingeleid beroep ruimte is voor een beoordeling van de ontvankelijkheid van een dergelijk beroep. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 februari 2006, nummer 200600513/1, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien deze uitspraak handelde over een door de vreemdelinge ingesteld beroep. In casu overweegt de rechtbank nog dat de kennisgeving waarmee het beroep is ingeleid niet namens eiser is opgesteld, maar door verweerder. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

2.5 Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.6 Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen.

2.7 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat eiser op 4 april 2006 een kopie van zijn paspoort heeft overgelegd en dat daarmee een aanvraag om een laissez-passer is ingediend bij de Oekraïense autoriteiten. Deze aanvraag is op 19 april 2006 door de Oekraïense autoriteiten in behandeling genomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 Niet bestreden is dat de procedure leidend tot de inbewaringstelling en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten.

2.9 Ook overigens is gesteld noch gebleken dat de bewaring om andere redenen onrechtmatig zou zijn.

2.10 Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de toepassing noch tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring ten aanzien van eiser in strijd is met de Vw. Evenmin is gebleken dat bij afweging van alle daarbij betrokken belangen de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2.11 Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden. De opheffing van de maatregel van bewaring wordt niet bevolen. Gelet hierop bestaat evenmin grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

2.12 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Barkel-van Berchum, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2006, in tegenwoordigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, als griffier.

de griffier

de rechter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 95 Vw staat tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.