Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AW6910

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2006
Datum publicatie
03-05-2006
Zaaknummer
AWB 06/10795
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Bewaring / openbare orde / aanvulling gronden / vertrektermijn.

Eiser is in bewaring gesteld op de grond dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert wegens het vermoeden van onttrekking aan de uitzetting omdat eiser niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 Vb 2000. Vervolgens heeft verweerder het besluit tot bewaring aangevuld met de gronden dat eiser wordt verdacht van het plegen van een misdrijf en dat hij zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn. Ten aanzien van eisers stelling dat de Vreemdelingenwet 2000 noch het Vreemdelingenbesluit een grondslag biedt voor het aanvullen van een maatregel van bewaring en dat de nadere gronden derhalve niet kunnen worden meegenomen, overweegt de rechtbank dat geen rechtsregel er aan in de weg staat dat een bestuursorgaan een eenmaal genomen besluit wijzigt door het, zoals in het onderhavige geval van een nadere motivering te voorzien, indien daartoe, op basis van informatie zoals die ten tijde van het nemen van het besluit beschikbaar was, bij nader inzien aanleiding is. Naar het oordeel van de rechtbank kon in ieder geval de grond dat eiser zich niet heeft gehouden aan de vertrektermijn alsnog aan de bewaring ten grondslag worden gelegd. Deze grond in samenhang bezien met de grond dat eiser niet beschikt over een identiteitspapier, heeft verweerder tot de conclusie kunnen doen komen dat de openbare orde de inbewaringstelling vordert wegens het vermoeden van onttrekking aan uitzetting. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 94
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 4.21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/263 met annotatie van PJAMB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zitting houdende te Dordrecht

procedurenummer: AWB 06/10795

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

A, eiser,

gemachtigde: mr. M.C. Heijnneman, advocaat te Goes,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. Nooteboom, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 1 maart 2006 is de rechtbank, door middel van een namens eiser ingediend beroepschrift, ervan in kennis gesteld dat verweerder eiser op 23 februari 2006 in bewaring heeft gesteld.

1.2. De zaak is op 10 maart 2006 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. F.A.M. te Braake, gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen J.A.M. Goncalves de Sousa Martins, tolk in de Portugese taal.

1.3. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Eisers gemachtigde heeft desgevraagd bij brief van 15 maart 2006 zijn standpunt ten aanzien van een “aanvullende maatregel van bewaring” en de door verweerder ter zitting aangehaalde jurisprudentie kenbaar gemaakt. De gemachtigde van verweerder heeft hierop bij brief van 17 maart 2006 gereageerd en toestemming verleend om de zaak zonder nadere zitting af te doen. Eisers gemachtigde heeft bij brief van 21 maart 2006 toestemming verleend om de zaak zonder nadere zitting af te doen. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Krachtens artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Gelet op het bepaalde in artikel 94, eerste lid, laatste volzin, van de Vw 2000 staat tevens ter beoordeling of er aanleiding is eiser schadevergoeding toe te kennen.

2.2. Blijkens de maatregel van bewaring is eiser op 23 februari 2006 in bewaring gesteld op de grond dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert wegens het vermoeden van onttrekking aan de uitzetting omdat eiser niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit.

Verweerder heeft, blijkens pas op 9 maart 2006 per faxbericht toegezonden stukken, op 24 februari 2006 het besluit tot bewaring aangevuld met de gronden dat eiser wordt verdacht van het plegen van een misdrijf en dat hij zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn.

Ten aanzien van de stelling van eisers gemachtigde dat de Vw 2000 noch het Vreemdelingenbesluit 2000 een grondslag biedt voor het aanvullen van een maatregel van bewaring, en dat de nadere gronden derhalve niet kunnen worden meegenomen, overweegt de rechtbank dat geen rechtsregel er aan in de weg staat dat een bestuursorgaan een eenmaal genomen besluit wijzigt door het, zoals in het onderhavige geval, van een nadere motivering te voorzien, indien daartoe, op basis van de informatie zoals die ten tijde van het nemen van het besluit beschikbaar was, bij nader inzien aanleiding is.

Naar het oordeel van de rechtbank kon in ieder geval de grond dat eiser zich niet heeft gehouden aan de vertrektermijn alsnog aan de bewaring ten grondslag worden gelegd. Immers, blijkens het proces-verbaal van gehoor (artikel 59 Vw jo. 5.2. Vb) van 23 februari 2006 heeft eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij is uitgeprocedeerd als asielzoeker en dat hij wist dat hij weg moest uit Nederland.

Deze grond, in samenhang bezien met de grond dat eiser niet beschikt over een identiteitspapier, heeft verweerder tot de conclusie kunnen doen komen dat de openbare orde de inbewaringstelling vordert wegens het vermoeden van onttrekking aan de uitzetting.

Het beroep is gelet op het voorgaande ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding dient derhalve te worden afgewezen.

2.3. De rechtbank ziet in de te late indiening van relevante stukken aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn begroot op € 805,- (1 punt voor het beroepschrift, een halve punt voor het aanvullend beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, € 322,- per punt, wegingsfactor 1).

Omdat aan eiser ter zake van dit geschil een toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

2.4. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke zijn begroot op € 805,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan de griffier van de rechtbank dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.J.M. Marseille, rechter, en door deze en B. Simi, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 23 maart 2006

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.