Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AW5683

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
09/920124-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De artikelen: 36f, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77v, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte behoorde tot een grote groep van jongens die zichzelf de “Gaslaan-boys” noemde. Deze groep jongens heeft het park De Verademing te Den Haag en de omgeving daarvan zeer onveilig gemaakt door daar in een korte periode veel -ernstige- strafbare feiten te plegen. Verdachte heeft samen met medeverdachten op laffe wijze twee kinderen beroofd van hun telefoontjes, waarbij hij een leidinggevende rol heeft gespeeld. Verder heeft verdachte onderdeel uitgemaakt van een groep, die grofvuil in brand heeft gestoken. Daarnaast heeft verdachte zich met anderen schuldig gemaakt aan diefstallen van bromfietsen. Hij is in het verleden reeds eerder veroordeeld en liep in een proeftijd. De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en op het rapport van een jeugdreclasseringswerker verbonden aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden. De persoonlijke ontwikkeling van verdachte wordt bedreigd. Naar het oordeel van de rechtbank is plaatsing in een tender- veelplegersplaats passend en geboden. Verdachte wordt veroordeeld tot : - Jeugddetentie 250 dagen met aftrek, waarvan 180 dagen ten uitvoerlegging op een tender-veelplegersplaats. - Jeugddetentie 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder een verbod zich te begeven in park De Verademing en de directe omgeving daarvan (Gaslaan, Karel Roosstraat, Newtonlaan en Asmanweg). Vordering benadeeld partij toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE, SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER JEUGDSTRAFZAKEN

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/920124-06

rolnummer 0003

’s-Gravenhage, 28 april 2006

De rechtbank ’s-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [adres],

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in [inrichting]

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 14 april 2006.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. C.M. Emeis, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. S.M. Barkhuijsen-Venselaar heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1, eerste alternatief/cumulatief, 4 primair en 5 telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1, tweede alternatief/cumulatief, 2, 3 en 4 subsidiair telastgelegde - rekening houdend met het ad informandum gevoegde feit - wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 67 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en voorts tot jeugddetentie voor de duur van 6 maanden, ten uitvoer te leggen op een tender-veelplegersplaats en tenslotte tot jeugddetentie voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering, ook als dit inhoudt het volgen van een multisysteemtherapie (MST), indien de intake hiervoor succesvol is, en een verbod zich te begeven in het park De Verademing te ’s-Gravenhage en de directe omgeving daarvan, te weten de Newtonstraat, de Gaslaan, de Karel Roosstraat en de Asmanweg.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 600,70 (bestaande uit de kosten van het eigen risico, het slot en het openbaar vervoer), met hoofdelijke veroordeling van de verdachte en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard, aangezien deze in zoverre niet van eenvoudige aard is.

De telastlegging

Aan verdachte is te last gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1, tweede alternatief/cumulatief, 4 primair en 5 is te last gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

De bewezenverklaring

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, eerste alternatief/cumulatief, 2, 3 en 4 subsidiair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht – en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad – de inhoud van de telastlegging zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Strafmotivering

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte behoorde tot een grote groep van jongens die zichzelf de “Gaslaan-boys” noemde. Deze groep jongens heeft het park De Verademing te Den Haag en de omgeving daarvan zeer onveilig gemaakt door daar in een korte periode veel -ernstige- strafbare feiten te plegen. Door die strafbare feiten en het intimiderende gedrag van de groep hebben die jongens veel overlast, schade en angst veroorzaakt in de buurt. Daarbij gedroegen die jongens zich alsof zij de baas waren van het park en niemand –ook niet de politie- hen wat kon maken. Hierbij toonden zij geen enkel respect voor bevoegd gezag.

De omwonenden hebben aangegeven bang te zijn voor deze groep. Dit ging zover dat ouders hun kinderen niet meer in het park lieten spelen, mensen niet meer langs de groep durfden te lopen en ook geen aangifte durfden te doen uit angst voor represailles.

De rechtbank rekent het de leden van deze groep, waaronder verdachte, aan dat zij zich geen moment rekenschap hebben gegeven van deze gevolgen van hun handelen.

Verdachte heeft samen met medeverdachten op laffe wijze twee kinderen beroofd van hun telefoontjes, waarbij hij een leidinggevende rol heeft gespeeld. Hij heeft tegen één van de slachtoffers gezegd dat hij zijn zakken leeg moest maken en heeft zijn telefoontje afgepakt, terwijl een medeverdachte het andere slachtoffer heeft beroofd van zijn telefoontje. De slachtoffers zijn ook nog gefouilleerd. Bovendien heeft verdachte tegen de slachtoffers gezegd dat, als zij niet weggingen, zij naakt dan wel in hun onderbroek naar huis zouden gaan.

Verdachte heeft geen oog gehad voor de indruk die dit feit heeft gemaakt op de jeugdige slachtoffers en een klein jongetje dat ongewild getuige was van de straatroof. Hij heeft de slachtoffers niet alleen beroofd van hun persoonlijke eigendommen maar ook van hun gevoel van veiligheid. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers en ongewilde getuigen van straatroven daarvan nog gedurende geruime tijd zo niet levenslang nadelige effecten kunnen ondervinden. Bovendien doen dit soort feiten gevoelens van onveiligheid en onrust in de maatschappij toenemen.

Verder heeft verdachte onderdeel uitgemaakt van een groep, die grofvuil in brand heeft gestoken. Door deze brand is schade en overlast veroorzaakt. Dit geval van openlijke geweldpleging, waar een groep omheen stond, veroorzaakt bovendien gevoelens van onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en in de buurt in het bijzonder.

Daarnaast heeft verdachte zich met anderen schuldig gemaakt aan diefstallen van bromfietsen. Verdachte heeft bij het plegen van deze feiten geen oog gehad voor de materiële gevolgen en gevoelens van de slachtoffers en geen respect gehad voor hun persoonlijke eigendommen, maar enkel gehandeld uit het oogpunt van persoonlijk gewin.

De rechtbank heeft mede in aanmerking genomen het op de dagvaarding ad informandum gevoegde feit, dat verdachte heeft bekend, te weten een diefstal in vereniging van vlaggen.

Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister in het verleden reeds eerder veroordeeld en liep in een proeftijd. Dit heeft hem evenwel er niet van kunnen weerhouden opnieuw over te gaan tot het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 25 januari 2006 alsmede op het rapport d.d. 10 april 2006 van mevrouw B. Balk, als jeugdreclasseringswerker verbonden aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden. In dat rapport alsmede ter zitting heeft mevrouw Balk aangegeven dat de zorgen over het gezin groot zijn en dat er op alle leefgebieden zorgen zijn waardoor de persoonlijke ontwikkeling van verdachte wordt bedreigd. In het rapport is vermeld dat verdachte niet meer op school zit en het er naar uitziet dat hij bewust de keuze heeft gemaakt om niet meer naar school te gaan of een baan te zoeken alsmede dat er weinig tot geen aansturing is vanuit de thuissituatie. Tenslotte wordt in het rapport aangegeven dat [verdachte] met regelmaat recidiveert en dat om recidive te voorkomen het belangrijk is dat [verdachte] een dagbesteding heeft. Gezien het voorgaande adviseert de jeugdreclassering primair plaatsing van verdachte in een tender-veelplegersproject van 6 maanden. Wat betreft de geadviseerde multisysteemtherapie (MST) heeft mevrouw Balk ter zitting betwijfeld of dit haalbaar is gezien het hulpverleningsverleden en de opstelling van de ouders.

Gezien het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank plaatsing in een tender- veelplegersplaats passend en geboden. Dit klemt temeer nu verdachte op 30 januari 2006 is veroordeeld door de kinderrechter en al binnen enkele dagen voormelde straatroof op 2 februari 2006 heeft gepleegd.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke en deels voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur en met na te melden bijzondere voorwaarden op zijn plaats is.

In de ernst van het feit en de geboden straf ziet de rechtbank aanleiding een hogere straf op te leggen dan door de officier van justitie geëist.

De rechtbank adviseert het deel van de onvoorwaardelijke jeugddetentie gemoeid met de plaatsing in een tender-veelplegersplaats voor de duur van 6 maanden ten uitvoer te leggen in “Het Keerpunt” te Cadier en Keer, of een andere tender-veelplegersplaats.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijke jeugddetentie, de zesmaanden durende tender-veelplegersplaats nog het volgende.

De tender-veelplegersplaats is naar zijn aard en inhoud, te weten een afgewogen programma met een intramuraal en een extramuraal gedeelte, niet vergelijkbaar met een gewone jeugddetentiestraf van die duur.

De rechtbank ontbeert in deze de duidelijkheid of ten uitvoerlegging in de vorm van een tender-veelplegersplaats ook daadwerkelijk tot de mogelijkheden behoort en zoja per wanneer. Noch de jeugdreclassering, noch de Raad voor de Kinderbescherming, noch de officier van justitie hebben de rechtbank hierover voor kunnen lichten. Gebleken is dat zij van het ministerie van justitie geen duidelijkheid hebben kunnen krijgen. Het moge duidelijk zijn dat de rechtbank bij haar beraadslaging over de op te leggen straf hierdoor ernstig is gehinderd.

De rechtbank betreurt dit en zal, indien de verdachte niet binnen een week na heden geplaatst is op een tender-veelplegersplaats, gebruik maken van haar bevoegdheid zoals genoemd in artikel 77 j lid 4 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tot schadevergoeding

Ten aanzien van parketnummer 09/920124-06 feit 2:

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en

heeft een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden schade tot een bedrag van € 942,70.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling.

De benadeelde partij heeft aangetoond dat door haar tot een bedrag van € 810,- (bestaande uit de kosten van het eigen risico, het slot en de verzekeringspremie) schade is geleden.

Aannemelijk is dat deze schade het gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij kan dus hoofdelijk tot dat bedrag worden toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafgeding. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in haar vordering en deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is hoofdelijk toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 810,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij].

Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen:

36f, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77v, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem bij dagvaarding onder 1, tweede alternatief/cumulatief, 4 primair en 5 te last gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, eerste alternatief/cumulatief, 2, 3 en 4 subsidiair te last gelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

feit 1 eerste alternatief/cumulatief:

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD EN GEVOLGD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN EN BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN;

feit 2 en feit 3;

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, MEERMALEN GEPLEEGD;

feit 4 subsidiair;

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN GOEDEREN;

verklaart niet bewezen hetgeen meer of anders is telastgelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezene en verdachte te dier zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot

JEUGDDETENTIE VOOR DE DUUR VAN 250 DAGEN

(waarvan 180 dagen ten uitvoer te leggen in een tender-veelplegersplaats, te weten “Het Keerpunt” te Cadier en Keer, of een andere tender-veelplegersplaats)

bepaalt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht (te weten 66 dagen) bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;

in verzekering gesteld op 21 februari 2006;

in voorlopige hechtenis gesteld op 24 februari 2006;

en voorts tot

JEUGDDETENTIE VOOR DE DUUR VAN 90 DAGEN

bepaalt dat die straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan enig strafbaar feit en

onder de bijzondere voorwaarden:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, zolang die instelling zulks nodig acht

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

en dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal begeven in het park De Verademing te Den Haag en de directe omgeving daarvan, namelijk de Newtonstraat, de Gaslaan, de Karel Roosstraat en de Asmanweg;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 810,- (zegge: achthonderdtien euro) en veroordeelt de veroordeelde om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij met bepaling dat indien en voorzover de mededader van verdachte dit bedrag zou hebben betaald, de verdachte van betaling zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 810,- ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [benadeelde partij];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 14 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.E. Dettmeijer-Vermeulen, kinderrechter, voorzitter,

mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter,

en mr. C.O.W. Dubbelman, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mrs. D.V. Verbree en B.J. Dekker, griffiers.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 april 2006.

Mr. C.O.W. Dubbelman is

buiten staat zijnde te tekenen