Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AW3536

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
27-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/41229, 05/55689
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1F VSV / mededeling OM / artikel 3 EVRM-risico.

Zoals de Afdeling in haar uitspraak 200410057/1 van 27 juni 2005 heeft geconstateerd, betekent de enkele mededeling van het Openbaar Ministerie dat een persoon niet als verdachte wordt aangemerkt niet meer dan dat geen nader onderzoek en vervolging worden ingesteld. Aan deze sepotbeslissing kunnen verschillende redenen ten grondslag liggen. Aangezien de officier van justitie zich niet heeft uitgelaten over de achtergrond van het sepot, kan het bestaan van bewijsproblemen niet worden uitgesloten en dwong zijn brief niet tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie tot een andere schuldbeoordeling is gekomen dan verweerder. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar de DRC een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een door artikel 3 EVRM verboden behandeling. Daarmee heeft verweerder het juiste criterium gehanteerd. Anders dan eiser ter zitting heeft gesteld, kan uit de uitspraak 38885/02 van het EHRM van 26 juli 2005 niet worden afgeleid dat het Hof zijn toetsingscriterium van “substantial grounds for believing” dat sprake is van een “real risk” heeft verlaten. Hoewel de onderliggende zaak gelijkenis vertoont met die van eiser, in die zin dat beiden werkzaam waren voor een veiligheidsdienst onder het regime van Mobutu, dwingt deze uitspraak van het EHRM evenmin tot de conclusie dat toepassing van dit criterium tot dezelfde uitkomst leidt. Zoals verweerder op goede grond heeft overwogen, is de enkele omstandigheid dat hij in 1997 tweemaal is gemarteld tijdens gevangenschap vanwege zijn rol voor de AND / SNIP onvoldoende om aan te nemen dat hij ook nu nog - meer dan acht en een half jaar later - een reëel risico loopt van onmenselijke behandeling bij terugkeer. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser thans nog wordt gezocht door de autoriteiten. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij, zoals zijn gemachtigde ter zitting heeft gesteld, het gevaar loopt onderworpen te worden aan wraakacties van oud-slachtoffers van de AND / SNIP. Dat zijn rol voor de veiligheidsdienst voldoende grond oplevert voor een ernstig vermoeden van de facilitering van foltering en moord, leidt niet vanzelf tot een reëel risico van wraakacties. Dit brengt hooguit de mogelijkheid van vergelding mee. Ten slotte levert ook zijn betrokkenheid bij de MPR geen concreet gevaar op. Verweerder heeft in dit verband kunnen wijzen op het algemeen ambtsbericht van 1 april 2005, waaruit blijkt dat geen gevallen bekend zijn van oud-aanhangers van Mobutu die na hun terugkeer problemen hebben gehad met de huidige autoriteiten. In het bestreden besluit is derhalve terecht geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar de DRC geen reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om te onderzoeken of sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is, zoals bedoeld in voornoemde Afdelingsuitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, meervoudige kamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 05/41229 BEPTDN en AWB 05/55689 BEPTDN.

Inzake : A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. M. Timmer, advocaat te Den Haag,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde mr. E. Bervoets, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser heeft op 25 september 1997 een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 13 december 2000 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser op 1 februari 2001 bezwaar gemaakt. Hierover is eiser op 27 juni 2002 gehoord. Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft verweerder de aanvragen ingevolge artikel 117 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet (asiel) en het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser op 19 november 2002 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Op 28 september 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf wegens tijdsverloop in de asielprocedure. Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft verweerder deze ingevolge artikel 117 van de Vw 2000 aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van die wet (regulier) en deze aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser op 19 november 2002 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 januari 2003 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser op 19 februari 2003 beroep ingesteld

2. Bij uitspraak van 15 juli 2004 heeft deze rechtbank beide beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 22 oktober 2002 en 23 januari 2003 vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw moest beslissen op de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 13 december 2000 en 22 oktober 2002.

3. Op 8 februari 2005 is eiser gehoord over zijn bezwaren tegen de besluiten tot afwijzing van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel en regulier. Bij besluit van 16 augustus 2005 heeft verweerder deze bezwaren opnieuw ongegrond verklaard. Tegen het gedeelte van dit besluit dat strekte tot handhaving van de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel heeft eiser op 12 september 2005 beroep ingesteld. Deze zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 05/41229 BEPTDN.

Tegen het gedeelte van het besluit van 16 augustus 2005 dat strekte tot handhaving van de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier heeft verweerder bezwaar opengesteld. Tegen dit gedeelte van het besluit heeft eiser op 12 september 2005 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 11 november 2005 heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser op 8 december 2005 beroep ingesteld. Deze zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 05/55689 BEPTDN.

4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

5. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 8 maart 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig mr. drs. N. Velleman, tolk in de Franse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Asiel

2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag - voor zover van belang en samengevat - het navolgende aangevoerd. Hij heeft de nationaliteit van de Democratische Republiek Congo. Vanaf 1991 tot de val van het regime van Mobutu op 17 mei 1997 is hij lid geweest van de Mouvement Populaire de la Révolution (MPR). Hij rekruteerde nieuwe leden voor de partij in zijn woonwijk in B en bezocht partijbijeenkomsten. Vanaf januari 1989 tot 29 augustus 1997 is eiser in dienst geweest van de inlichtingendienst van het Mobutu-regime: de Agence Nationale de Documentation (AND), in 1990 van naam veranderd in Service Nationale d’Intelligence et de Protection (SNIP). Hij werkte als secretaris op het kantoor van B. In die functie hield hij persoonsdossiers bij en verhoorde hij aangehouden verdachten. Eiser heeft in totaal tegen de 1000 personen verhoord. In april 1997 is B veroverd door het leger van Kabila, de Alliance de Forces Democratiques pour la Liberation du Congo (AFDL). Op 30 augustus 1997 is eiser gevangen genomen door militairen van de AFDL. Hij heeft vastgezeten tot 10 september 1997. In deze periode is hij twee keer verhoord en gemarteld. Hij wordt ervan beschuldigd lid te zijn geweest van de MPR en gewerkt te hebben voor de AND en de SNIP. Als gevolg van de martelingen is eiser op 10 september 1997 opgenomen in het ziekenhuis. Op 20 september 1997 is hij met hulp van zijn vriendin en door omkoping van de bewakers uit het ziekenhuis ontsnapt. Uit angst om gedood te worden door de nieuwe machthebbers van de AFDL is hij drie dagen later naar Nederland gereisd.

3. Verweerder heeft met verwijzing naar artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder k, van dat artikel, de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft het bestreden besluit mede gebaseerd op artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag (Verdrag).

4. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, en d, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge het Verdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k van de Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

Ingevolge artikel 1(F) van het Verdrag zijn de bepalingen van dat Verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

Ingevolge artikel 3.107 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt, indien artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000.

In het ter zake geldend beleid, neergelegd in hoofdstuk C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, is bepaald dat het aan verweerder is om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Verdrag valt.

Teneinde te bepalen of de betrokken vreemdeling individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag, wordt de ‘personal and knowing participation test’ toegepast. Beoordeeld wordt daarbij of ten aanzien van de betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is, kan aan de betrokkene artikel 1(F) van het Verdrag worden tegengeworpen. De ‘personal and knowing participation test’ is in lijn met het gestelde in het Statuut van Rome (artikel 25 en 27 tot en met 33), aldus de Vc 2000.

Volgens paragraaf C1/5.13.3.3.1 van de Vc 2000 is onder meer sprake van ‘knowing participation’, indien de betrokken vreemdeling werkzaam was voor een onderdeel van een regerings- of overheidsorgaan, dat volgens gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag heeft gepleegd in de periode dat de betrokken vreemdeling daar werkzaam was, tenzij de vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering.

5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser verantwoordelijk kan worden gehouden voor - in ieder geval - facilitering van foltering en moord. Niet in geschil is dat de misdrijven van foltering en moord kunnen worden aangemerkt als ernstige, niet-politieke misdrijven in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Verdrag. De vraag is of verweerder eiser hiervoor op goede gronden verantwoordelijk heeft gehouden.

Niet bestreden is dat uit gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages van Amnesty International, Human Rights Watch, UNHCR en de Secretaris Generaal van de Verenigde Naties blijkt, dat de Zaïrese veiligheidsdiensten, waaronder de AND en later SNIP, zich in de jaren ’80 en ’90 hebben schuldig gemaakt aan systematische foltering en moord. De meest recente van deze door verweerder aangehaalde rapportages dateren van begin 1995 en hebben betrekking op de situatie in 1994. Eiser heeft zich enkel beroepen op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 18 juli 1996, waarin is vastgesteld dat politieke arrestaties inmiddels zijn teruggelopen, arrestanten na enkele dagen worden vrijgelaten en de veiligheidsdiensten minder gedisciplineerd zijn. Volgens eiser zou hieruit niet blijken van systematische foltering van gevangenen door de SNIP. Nu dit ambtsbericht dateert van 1996 en de door eiser aangehaalde informatie kennelijk betrekking heeft op recente ontwikkelingen, kan dit niet afdoen aan voornoemde gezaghebbende rapportages over de periode vanaf de jaren ’80 tot en met 1994. Aangezien eiser gedurende een groot deel van deze periode werkzaam was voor de AND / SNIP en hij niet heeft aangetoond dat hij een significante uitzonderingspositie innam, kon verweerder veronderstellen dat hij wist of had moeten weten van het plegen van foltering en moord door deze veiligheidsdienst (knowing participation).

Volgens zijn eigen verklaring heeft eiser uit hoofde van zijn functie in de AND / SNIP tegen de 1000 politieke gevangen verhoord, maar is hij zelf nooit betrokken geweest bij foltering of moord en heeft hij ook nooit geweten dat zulke misdrijven door collega’s werden gepleegd. Tijdens de gehoren heeft eiser geweigerd nadere informatie te verschaffen over bepaalde aspecten van zijn werkzaamheden voor de AND / SNIP. Op grond van deze verklaringen en tegen de achtergrond van de algemene informatie over systematische foltering en moord door deze veiligheidsdienst kon verweerder concluderen dat eiser zijn eigen rol heeft willen verhullen. Aan deze conclusie heeft verweerder vervolgens ernstige redenen mogen ontlenen om te veronderstellen dat eiser in ieder geval een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de foltering en moord door de AND / SNIP (personal participation).

Verweerder heeft derhalve onder verwijzing naar artikel 1(F) van het Verdrag op goede grond besloten dat het Verdrag niet op eiser van toepassing is en dat eiser dientengevolge niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

De brief van de officier van justitie van 19 december 2002, waaruit blijkt dat eiser niet als verdachte wordt aangemerkt, maakt dit niet anders. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) in haar uitspraak van 27 juni 2005 (JV 2005, 375) heeft geconstateerd, betekent de enkele mededeling van het Openbaar Ministerie dat een persoon niet als verdachte wordt aangemerkt niet meer dan dat geen nader onderzoek en vervolging worden ingesteld. Aan deze sepotbeslissing kunnen verschillende redenen ten grondslag liggen. De rechtbank overweegt dat een sepotbeslissing slechts van betekenis kan zijn bij de beantwoording van de vraag of artikel 1(F) van het Verdrag kan worden tegengeworpen, voor zover deze beslissing is gebaseerd op het uitdrukkelijke oordeel van het Openbaar Ministerie dat een vreemdelingendossier van verweerder geen grond oplevert voor een redelijk vermoeden van schuld aan misdrijven genoemd in artikel 1 (F) van het Verdrag. In het geval van eiser liet de brief van 19 december 2002 in ieder geval twee mogelijkheden open: ofwel zijn dossier bood naar het oordeel van de officier van justitie onvoldoende grond voor een redelijk vermoeden van schuld aan foltering en moord, ofwel het dossier bood weliswaar voldoende grond voor een redelijk vermoeden van schuld, maar onvoldoende aanknopingspunten voor het verkrijgen van - het voor een strafrechtelijke veroordeling noodzakelijke - nader bewijs. Zoals wordt opgemerkt in het ten tijde van de brief toepasselijke plan van aanpak voor de opsporing en vervolging van oorlogsmisdrijven van de Minister van Justitie van 3 april 2002 (Tweede Kamer der Staten Generaal, vergaderjaar 2001-2002, 28 317, nr. 1), zijn juist bij de opsporing en vervolging ter zake van internationale misdrijven bewijsproblemen een belangrijk struikelblok. Dat geldt te meer in de gevallen waarin een vermoeden bestaat van persoonlijk daderschap en de slachtoffers niet bij name bekend zijn. Aangezien de officier van justitie zich niet heeft uitgelaten over de achtergrond van het sepot, kan het bestaan van bewijsproblemen niet worden uitgesloten en dwong zijn brief niet tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie tot een andere schuldbeoordeling is gekomen dan verweerder.

Bij uitspraak van 15 juli 2004 heeft deze rechtbank geoordeeld dat verweerder ten onrechte aan de brief van de officier van justitie voorbij is gegaan op grond van een algemeen verschil in bewijsmaatstaf tussen straf- en vreemdelingenrecht. In het bestreden besluit van 16 augustus 2005 heeft verweerder vervolgens overwogen dat uit de brief niet meer kan worden afgeleid dan dat een opsporingsonderzoek en daarmee verdere vervolging achterwege worden gelaten, zodat deze brief geen ander licht werpt op zijn beslissing tot toepassing van artikel 1(F) van het Verdrag. Hiermee heeft verweerder de brief van de officier van justitie op goede grond gepasseerd.

6. Nu vaststaat dat artikel 1 (F) aan het verlenen van een vergunning tot verblijf op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, is artikel 3.107 van het Vb 2000 van toepassing en komt eiser evenmin in aanmerking voor een vergunning tot verblijf op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000.

De toepassing van artikel 3.107 van het Vb 2000 mag echter niet in de weg staan aan het verrichten van het onderzoek dat ingevolge het stelsel van de wet is vereist, zoals de ABRS onder meer in haar uitspraak van 2 juni 2004 (JV 2004, 279) in verband met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft overwogen. In deze uitspraak heeft de ABRS herhaald dat de beslissing tot uitzetting geen zelfstandig deelbesluit is, maar een van rechtswege intredend rechtsgevolg van de afwijzing van de aanvraag, dat betrokken moet worden bij het nemen van de beslissing op de aanvraag. Uit de beslissing op de aanvraag moet blijken dat verweerder heeft onderzocht of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar het land van herkomst. Overeenkomstig artikel 30, aanhef en onder c en d, en artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h tot en met j, van de Vw 2000 dient verweerder de daar genoemde omstandigheden in zijn oordeel te betrekken. In de gevallen waarin uit genoegzaam onderzoek is gebleken dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet omdat dit in strijd zou komen met artikel 3 van het EVRM en daarenboven voorts sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de vreemdeling zich bevindt, kan van verweerder worden gevergd dat hij beoordeelt of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar de Democratische Republiek Congo een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Daarmee heeft verweerder het juiste criterium gehanteerd. Anders dan de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld, kan uit de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 26 juli 2005 (JV 2005, 306) niet worden afgeleid dat het Hof zijn toetsingscriterium van “substantial grounds for believing” dat sprake is van een “real risk” heeft verlaten. Hoewel de onderliggende zaak gelijkenis vertoont met die van eiser, in die zin dat beiden werkzaam waren voor een veiligheidsdienst onder het regime van Mobutu, dwingt deze uitspraak van het EHRM evenmin tot de conclusie dat toepassing van dit criterium tot dezelfde uitkomst leidt. Zoals verweerder op goede grond heeft overwogen, is de enkele omstandigheid dat hij in 1997 tweemaal is gemarteld tijdens gevangenschap vanwege zijn rol voor de AND / SNIP onvoldoende om aan te nemen dat hij ook nu nog - meer dan acht en een half jaar later - een reëel risico loopt van onmenselijke behandeling bij terugkeer. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser thans nog wordt gezocht door de autoriteiten. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij, zoals zijn gemachtigde ter zitting heeft gesteld, het gevaar loopt onderworpen te worden aan wraakacties van oud-slachtoffers van de AND / SNIP. Dat zijn rol voor de veiligheidsdienst voldoende grond oplevert voor een ernstig vermoeden van de facilitering van foltering en moord, leidt niet vanzelf tot een reëel risico van wraakacties. Dit brengt hooguit de mogelijkheid van vergelding mee. Ten slotte levert ook zijn betrokkenheid bij de MPR geen concreet gevaar op. Verweerder heeft in dit verband kunnen wijzen op het meest recente ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 1 april 2005, waaruit blijkt dat geen gevallen bekend zijn van oud-aanhangers van Mobutu, die na hun terugkeer problemen hebben gehad met de huidige autoriteiten.

In het bestreden besluit is derhalve terecht geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar de Democratische Republiek Congo geen reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om te onderzoeken of sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is, zoals bedoeld in voornoemde uitspraak van de ABRS.

7. Verweerder heeft gelet op het voorgaande de asielaanvraag terecht afgewezen.

Het beroep tegen de handhaving van dit besluit is derhalve ongegrond.

Regulier

8. Ingevolge artikel 3.77 van het Vb 2000 kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag.

9. Nu er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag, kon verweerder ook de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier wegens tijdsverloop in de asielprocedure afwijzen.

Anders dan eiser heeft gesteld, heeft verweerder niet ambtshalve, maar op aanvraag van eiser van 28 september 2000 beslist over de verlening van een verblijfsvergunning regulier wegens tijdsverloop in de asielprocedure. Daarom was verweerder niet gehouden om eiser in de gelegenheid te stellen hierover zijn zienswijze naar voren te brengen en heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de juiste grondslag van artikel 3.77 van het Vb 2000. Voorts blijkt uit het verslag van de hoorzitting van 8 februari 2005 dat deze zitting was gericht op de behandeling van de bezwaren van eiser tegen de afwijzing van zowel zijn asielaanvraag als zijn aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning. Eiser was dus in de gelegenheid om zijn bezwaren tegen de afwijzing van de reguliere verblijfsvergunning op de hoorzitting toe te lichten. Dat verweerder in zijn daaropvolgende beslissing op bezwaar - kennelijk bij vergissing - opnieuw bezwaar heeft opengesteld tegen het gedeelte van zijn besluit dat strekte tot handhaving van de afwijzing van de reguliere verblijfsvergunning, brengt niet mee dat eiser ook opnieuw op zijn bezwaren moest worden gehoord.

10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning terecht afgewezen. Ook het beroep tegen de handhaving van dit besluit is ongegrond.

11. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank ’s-Gravenhage

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep tegen de besluiten van 16 augustus 2005 (AWB 05/41229 BEPTDN) en 11 november 2005 (AWB 05/55689 BEPTDN) ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. G.P. Kleijn, M.M.F. Holtrop en J.H. Gerritsen en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2006, in tegenwoordigheid van mr. T. Berger, griffier.

RECHTSMIDDEL

Ingevolge artikel 120 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de zaak onder nummer AWB 05/41229 BEPTDN, geen hoger beroep open. Voor zover deze uitspraak betrekking heeft op de zaak onder nummer AWB 05/55689 BEPTDN, kunnen partijen hiertegen hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).

afschrift verzonden op: