Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AW3535

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
27-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/32807
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1F VSV / artikel 3 EVRM / duurzaamheid uitzettingsbeletsel / disproportionaliteit onthouden vergunning.

Niet in geschil is dat artikel 3 EVRM zich verzet tegen uitzetting van eiser naar Afghanistan. Verder is niet in geschil dat de artikelen 30 en 31, tweede lid, aanhef en onder h tot en met j, Vw 2000 niet op eiser van toepassing zijn, nu er geen aanknopingspunten zijn dat eiser in een derde land heeft verbleven dan wel kan gaan verblijven. Verweerder heeft zich blijkens het bestreden besluit - nader toegelicht in het verweerschrift en ter zitting - op het standpunt gesteld dat eiser tegen de achtergrond van de huidige ontwikkelingen in Afghanistan niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen terugkeer naar het land van herkomst. Dit betekent dat het voornemen tot uitzetting blijft bestaan, doch niet geëffectueerd zal worden zolang bij terugkeer nog sprake is van een risico op schending van artikel 3 EVRM. Blijkens de algemene ambtsberichten van 4 juni 2004 en 29 juli 2005 is de situatie in Afghanistan weliswaar nog reden tot zorg, doch er is wel degelijk een proces van normalisatie waarneembaar. Binnen dit proces is een aantal positieve stappen vooruit gezet. Zo is er in januari 2004 een nieuwe grondwet aangenomen. Vertegenwoordigers van vele lagen van de bevolking en van verschillende etniciteiten zijn hierbij betrokken geweest. Dankzij de aanwezigheid van de ISAF is de veiligheidssituatie in Kabul relatief goed. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is, nu er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende heeft onderbouwd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting dan wel dat het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Vooralsnog is er blijkens de ambtsberichten een proces van normalisatie gaande en er valt op dit moment niet in te zien dat dit niet tot opheffing van het uitzetbeletsel zal leiden. Niet gebleken is van concrete aanknopingspunten dat dit proces van normalisatie niet juist zou zijn of dat ondanks dit proces het artikel 3 EVRM-risico voor eiser duurzaam zal blijven bestaan. Dat het artikel 3 EVRM-risico voor eiser inmiddels zeven jaar duurt maakt dit niet anders. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de aangevoerde omstandigheden dat de vrouw en kinderen van eiser in Nederland zijn, een verblijfsvergunning hebben en dat de kinderen schoolgaand zijn, niet zodanig bijzonder zijn dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie op grond waarvan het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Hieraan doet niet af dat er inmiddels dertien jaar zijn verstreken sinds de handelingen die eiser worden verweten en dat het OM geen strafvervolging tegen hem heeft ingesteld. Een heroverweging van de tegenwerping van artikel 1F VSV staat hierbij verder niet ter beoordeling. Verweerder heeft dan ook een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000 aan eiser kunnen onthouden. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.77
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/226

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, meervoudige kamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 05/32807 BEPTDN

Inzake : A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. M. Timmer, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde mr. O.J. Elbertsen, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser, geboren op [...] 1967 en met de Afghaanse nationaliteit, verblijft als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet in Nederland. Op 7 maart 1998 heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Deze aanvraag is door verweerder bij besluit van 22 december 2000 afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft op 12 mei 2003 het bezwaar ongegrond verklaard en ambtshalve beslist dat aan eiser geen verblijfsvergunning regulier in verband met tijdsverloop in de asielprocedure wordt verleend. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Tevens heeft hij bezwaar gemaakt tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier in verband met tijdsverloop. Bij besluit van 16 september 2003 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen is beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 22 juli 2004 (AWB 03/32703 VRWET), heeft deze rechtbank het beroep in de asielprocedure gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2004 (AWB 03/54340 VRWET), heeft deze rechtbank het beroep in de reguliere procedure ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 januari 2005 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), nummer 200406983/1, het tegen deze laatste uitspraak ingestelde hoger beroep gegrond verklaard.

Verweerder heeft op 21 juni 2005 opnieuw beslissende het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel en het niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier wegens tijdsverloop in de asielprocedure, ongegrond verklaard.

2. Bij brief van 19 juli 2005 heeft eiser tegen dit laatste besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 6 december 2005. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

5. Bij uitspraak van 13 januari 2006 heeft de enkelvoudige kamer van de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

6. Op 8 maart 2006 heeft de nadere behandeling ter zitting van de meervoudige kamer plaatsgevonden. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Soltaninejad, tolk in de Dari-taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij de uitspraak van 22 juli 2004 (AWB 03/32703) heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder eiser terecht heeft tegengeworpen dat hem in zijn positie en rang bij de KhAD gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag kunnen worden verweten. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat ten aanzien van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Het besluit van 12 mei 2003 is op dit punt vernietigd.

2. Bij uitspraak van 27 januari 2005 heeft de ABRS in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank van 22 juli 2004 (AWB 03/54340) vernietigd. De ABRS heeft daarbij geoordeeld dat artikel 3.77 Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) niet van overeenkomstige toepassing is op de ambtshalve beslissing een verblijfsvergunning regulier (tijdsverloop in de asielprocedure) te weigeren en dat van een kennelijk ongegrond bezwaar geen sprake is. Daarbij is overwogen dat eiser in het kader van de bezwaarschriftenprocedure ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld bijzondere omstandigheden aan te voeren, die tot afwijking van het beleid - waarop verweerder zich later heeft gebaseerd als grondslag voor de ambtshalve weigering - zouden kunnen nopen.

3. Thans staat derhalve ter beoordeling of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), en dat een verblijfsvergunning regulier inzake tijdsverloop in de asielprocedure kan worden geweigerd.

4. In beroep heeft eiser - samengevat - het volgende aangevoerd.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting. De mensenrechtensituatie in het land van herkomst is duurzaam slecht en er zijn geen aanwijzingen dat op afzienbare termijn de mensenrechtensituatie aldaar structureel verbetert. Er zijn geen positieve ontwikkelingen en het artikel 3 EVRM-risico voor eiser bestaat al 7 jaar sinds zijn vertrek uit Afghanistan. Voorts is het onthouden van een verblijfsvergunning aan eiser disproportioneel. Het Openbaar Ministerie heeft laten weten dat er jegens eiser geen strafrechtelijke vervolging zal worden ingesteld. Daarnaast is er ruim 13 jaar verstreken na de handelingen die eiser worden verweten in het kader van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft deze omstandigheden onvoldoende betrokken bij het bestreden besluit. Ten onrechte heeft verweerder verder niet onderzocht of er aanleiding bestaat om de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag te heroverwegen.

Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het beleid waarop verweerder zich thans met betrekking tot de ambtshalve weigering van de verblijfsvergunning regulier inzake tijdsverloop beroept evenmin als artikel 3.77 Vb 2000 aan de weigering kan worden ten grondslag gelegd. Dit beleid is immers gebaseerd op dat artikel.

Daarbij is eiser onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn bezwaar tegen de ambtshalve weigering toe te lichten.

5. Ten aanzien van het beroep van eiser met betrekking tot artikel 3 EVRM overweegt de rechtbank het volgende.

6. Ingevolge artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

7. Ingevolge artikel 29 Vw kan een verblijfsvergunning asiel – onder meer – worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt gegronde redenen te hebben om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2004/56 (hierna: WBV 2004/56), bij welk wijzigingsbesluit de tekst van paragraaf C1/5.13.3.3.1 is aangepast, voor zover hier relevant, dient na de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag te worden beoordeeld of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat juist hij bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. In de beschikking dient in dit kader te worden overwogen of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het risico van schending van artikel 3 EVRM duurzaam is. Daarnaast dient in de beschikking te worden overwogen of er aanknopingspunten bestaan om aan de vreemdeling het bepaalde in artikel 30 en 31, tweede lid, aanhef en onder h tot en met j, Vw 2000 tegen te werpen. Tenslotte dient te worden beoordeeld of het onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is. Het niet verlenen van een verblijfsvergunning zou disproportioneel kunnen zijn als de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van bijzondere omstandigheden ten gevolge waarvan hij in een uitzonderlijke situatie verkeert.

Niet in geschil is dat artikel 3 EVRM zich verzet tegen uitzetting van eiser naar Afghanistan. Verder is niet in geschil dat de artikelen 30 en 31, tweede lid, aanhef en onder h tot en met j, Vw 2000 niet op eiser van toepassing zijn, nu er geen aanknopingspunten zijn dat eiser in een derde land heeft verbleven dan wel kan gaan verblijven.

Verweerder heeft zich blijkens het bestreden besluit - nader toegelicht in het verweerschrift en ter zitting - op het standpunt gesteld dat eiser tegen de achtergrond van de huidige ontwikkelingen in Afghanistan niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen terugkeer naar het land van herkomst. Dit betekent dat het voornemen tot uitzetting blijft bestaan, doch niet geëffectueerd zal worden zolang bij terugkeer nog sprake is van een risico op schending van artikel 3 EVRM. Blijkens de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken van 4 juni 2004 (DPV/AM-855882) en 29 juli 2005 (DPV/AM-882851) is de situatie in Afghanistan weliswaar nog reden tot zorg, doch er is wel degelijk een proces van normalisatie waarneembaar. Binnen dit proces is een aantal positieve stappen vooruit gezet. Zo is er in januari 2004 een nieuwe grondwet aangenomen. Vertegenwoordigers van vele lagen van de bevolking en van verschillende etniciteiten zijn hierbij betrokken geweest. Dankzij de aanwezigheid van de ISAF is de veiligheidssituatie in Kaboel relatief goed.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is, nu er geen sprake is van bijzondere omstandigheden.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende heeft onderbouwd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting dan wel dat het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Vooralsnog is er blijkens de ambtsberichten een proces van normalisatie gaande en er valt op dit moment niet in te zien dat dit niet tot opheffing van het uitzetbeletsel zal leiden. Niet gebleken is van concrete aanknopingspunten dat dit proces van normalisatie niet juist zou zijn of dat ondanks dit proces het artikel 3 EVRM-risico voor eiser duurzaam zal blijven bestaan. Dat het artikel 3 EVRM-risico voor eiser inmiddels 7 jaar duurt maakt dit niet anders.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de aangevoerde omstandigheden dat de vrouw en kinderen van eiser in Nederland zijn, een verblijfsvergunning hebben en dat de kinderen schoolgaand zijn, niet zodanig bijzonder zijn dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie op grond waarvan het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Hieraan doet niet af dat er inmiddels 13 jaar zijn verstreken sinds de handelingen die eiser worden verweten en dat het OM geen strafvervolging tegen hem heeft ingesteld. Een heroverweging van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag staat hierbij verder niet ter beoordeling.

Verweerder heeft dan ook een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b Vw 2000 aan eiser kunnen onthouden.

9. Ten aanzien van het beroep van eiser met betrekking tot de weigering van verweerder om eiser een verblijfsvergunning regulier op grond van tijdsverloop in de asielprocedure te verlenen, overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens onderdeel C2/9.3 in onderlinge samenhang met onderdeel B1/2.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 kan een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking verband houdende met het feit dat er na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag worden geweigerd indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Hieronder kan worden geschaard dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat – zoals in het onderhavige geval – de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit dan ook op dit beleid kunnen baseren. Dat in dit beleid weer wordt terugverwezen naar artikel 3.77 Vb 2000 maakt dit niet anders. Anders dan bij artikel 3.77 Vb 2000 kan er van het beleid worden afgeweken. Verweerder heeft zich in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aangevoerde omstandigheden die zijn vrouw en kinderen betreffen niet zodanig bijzonder zijn dat van het beleid dient te worden afgeweken. Eiser kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaar toe te lichten, nu hij op 11 februari 2005 terzake in bezwaar is gehoord. Hij heeft aldaar ook de hierboven vermelde omstandigheden aangevoerd. Verweerder heeft dan ook een verblijfsvergunning regulier wegens tijdsverloop in de asielprocedure kunnen weigeren.

10. Het beroep is derhalve ongegrond.

11. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank ‘s-Gravenhage

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs J.J.P. Bosman, G.P. Kleijn en J.H.Gerritsen, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006, in tegenwoordigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier.

RECHTSMIDDEL

Ingevolge artikel 120 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de weigering eiser in bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw geen hoger beroep open.

Voor zover deze uitspraak betrekking heeft op de weigering eiser een verblijfsvergunning regulier inzake tijdsverloop te verlenen, kunnen partijen hiertegen hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).

afschrift verzonden op: